Piet Paaltjens. Snikken en Grimlachjens. Roelants,1867

 


In de maand augustus lees ik alle 31 dichtbundels van de Sealy Challenge-lijst van de DBNL.

Snikken en grimlachjes van Piet Paaltjens is de bekendste dichtbundel van de negentiende eeuw voor Mathilde van Jacques Perk Het zijn dan ook – anders dan Mathilde – vrijwel stuk voor stuk nog heel frisse gedichtjes van een jonge student die zichzelf met enige ironische distantie maar tegelijkertijd wanhopig obsessief observeert: wat wil hij eigenlijk, wat doet hij eigenlijk? Wat is hij eigenlijk voor iemand?

Hoor ik op Sempre een waldhoorn,
Of ook wel een Turksche trom,
Dan moet ik zoo bitter weenen;
En - ik weet zelf niet waarom.

Vraagt een der werkende leden:
‘Hoe kan een Turksche trom
Of een waldhoorn u zoo roeren?’ -
Dan weet ik zelf niet waarom.

Is 't wijl in beter dagen
Een vriend de Turksche trom
Niet onverdienstlijk bespeelde?
Ach, ik weet zelf niet waarom.

(Sempre is de naam van een Leids studentenorkest, dat nog steeds bestaat.)

Een bij mijn weten nauwelijks bestudeerd kenmerk van de bundel is dat er allerlei Latijnse vertalingen van de gedichten doorheen gestrooid staan, geschreven door Adriaan van Wessem, een studievriend van François HaverSchmidt (de man achter Piet Paaltjens). Je hoeft helemaal niet zo goed Latijn te kennen om in te zien dat die vertalingen niet zo heel sterk zijn:

In studiosorum concentu
Audito sono buccinae
Vel tympani, lacrimas fundo;
Nec dicere possum quare.

Ex musicis si quis me rogat;
‘Cur tympani aut buccinae
Tantopere sonus te movet?’ -
Non dicere possum quare.

Num quod, rebus adhuc secundis,
Amicus non plane prave
Tympanum pulsare solebat? -
Non dicere possum quare.

Het Latijn is geen klassiek Latijn, en de vorm is niet de klassieke Latijnse (waarin het verschil tussen lange en korte lettergrepen een rol speelt, iets wat voor Nederlandstaligen heel onnatuurlijk is), maar een soort Latijns heffingenvers met drie beklemtoonde lettergrepen per regel en een onbepaald aantal onbeklemtoonde. Ook rijmen de even lettergrepen allemaal, in ieder geval als je -ae als ee uitspreekt, zoals lang op Nederlandse gymnasia is gedaan. De vorm ligt dus heel dicht bij de Nederlandse vorm.

Dat is op zich geen bezwaar, maar ernstiger is dat de vertaling heel veel dingen platslaat. Zoals de ironie van een der werkende lieden (dat is duidelijk iemand die op grote afstand van de dichter staan) dat wordt tot ex musicis, dus 'een van de musici'. Ook het grapje met Sempre is vervangen, dat wordt ook alleen maar geëxpliciteerd. Ik vermoed ook dat het tympanum en de buccina in de oudheid (allebei geassocieerd met goden) veel minder vulgair waren dan de Turkse trom en de waldhoorn.

Ook het subtiele spel dat Paaltjens speelde met het eerste woord van de slotregel (En – Dan - Ach) verdwijnt (Nec - Non - Non). Met name dat laatste ach lees ik zo dat de dichter hier de ironische afstand even loslaat, en zoals de ironie verdwijnt, verdwijnt dus ook dat loslaten.

Nog een aspect: in het begin van het gedicht wordt het ik (dat een waldhoorn of een Turkse trom hoort) helemaal weggepoetst. De kern van de constructie is hier audito sono buccinae, een constructie, de 'ablativus absolutus', waarmee je kunt laten horen dat je goed hebt opgelet op het gymnasium (hij komt vaker in de vertalingen voor), maar waar het ik, het wanhopig zoekende ik, helemaal verdwijnt. Zoals de constructie ook voltooide tijd suggereert ('gehoord hebbende'), terwijl Paaltjens je juist helemaal meteen het heden intrekt. Terugvertaald staat er ongeveer 'Bij het samenklinken der studerenden, het geluid van de hoorn of van de trom gehoord zijnde'.

Het zijn kortom niet echt vertalingen die de gemiddelde Romeinse lezer hetzelfde laten ervaren als de Nederlandse lezer van het origineel. Daar zijn ze dan ook niet voor bedoeld: ze dienen om de ironische studententoon nog verder uit te breiden. Studenten zongen in de negentiende eeuw ook graag drink- en andere liedjes in een ongeveer even kreupel Latijn. Dat is de dimensie die hier wordt toegevoegd.

Reacties