Wat was S. Carmiggelt toch een goede schrijver. Of zijn werk wel literatuur was, stond tijdens zijn leven al af en toe ter discussie – al won hij bijvoorbeeld wel de P.C. Hooftprijs en de Constantijn Huygens-prijs – en nu hij alweer enkele decennia dood is, glijdt hij naar de vergetelheid, als hij daar al niet is aanbeland. Maar hij heeft bijvoorbeeld een gigantische Wikipedia-pagina en de DBNL zette hem gelukkig op de Sealy Challenge-lijst.
Althans, ze plaatsten daar de verzamelbundel Mag 't een ietsje meer zijn uit 1983, en die bestaat begrijpelijkerwijs vooral uit het soort verhaaltjes dat Carmiggelts handelsmerk waren. Lees die! Weemoediger en welluidender Nederlands proza werd er zelden geschreven.
Maar dat geldt zeker ook voor de gedichten. Een ding dat hierbij opvalt is de vorm: het gaat hier over (min of meer) metrische en (altijd) rijmende gedichten, een vorm die in de tijd dat Carmiggelt de meeste van deze verzen schreef onder druk stond: de tijd van het experiment! Van de vijftigers! Ik geloof dat Carmiggelt ermee weg kwam doordat hij deed alsof het allemaal niet zoveel pretentie had. Zoals hij ook met die soms wat ouderwetse woordkeus en negentiende-eeuwse melancholie wegkwam doordat het allemaal maar stukkies in de krant waren.
Zowel in die gedichten als in het proza was Carmiggelt een meester van het portret. In een paar regels of zinnen zette hij liefdevol een mens neer, en dan het liefst (hoe jong hij zelf ook was) een ouder mens:
Achter het station zat een man op een paaltje en keek uit over het water.
‘Een meeuw,’ zei hij traag. ‘Dat is zéér sierlijk, zo'n meeuw. Ik hou van een meeuw. Ik hou van een vogel in het algemeen. En jij?’
Hij nam mij op met een luie, schattende blik.
‘Ik vind 't ook wel mooie beestjes,’ zei ik.
Hij grinnikte en knikte als iemand die een veronderstelling opnieuw bevestigd vindt. Een dikke vijftiger was hij, onduidelijk van snit. Aan de ene kant had hij iets procuratiehouwerigs, maar hij kon ook best een uitgezwalkte zeekapitein zijn, die in alle wereldhavens zo kleurrijk heeft bemind dat hij gerust ontspannen op een paaltje mag zitten. Op een ei leek hij, waarvan je niet zeker weet of het gekookt is.
Vaak zijn de oude mensen van S. Carmiggelt wat teleurgesteld in het leven, en in de liefde, en in de menselijke relaties. Maar tegelijkertijd blijkt de man op het paaltje in de loop van het verhaal van alles te doen om van het leven te genieten, en koos de redactie van de DBNL een van de mooiste liefdesgedichten uit het Nederlands, uit 1956 (Carmiggelt was toen 43).
Later
Later gaan we naast elkaar
wand'len op de Overtoom,
drinken zoete melk met room,
strijken door ons grijze haar.Zie je ons daar samen lopen?
Naast elkaar - zo diep bedaard.
Jij, een lieve, oude taart.
Ik, nog kras - dat is te hopen…Maar al worden we ook wrakken,
al dat vréselijke snoeven
zal tenminste niet meer hoeven.
Gaar of muf - we zijn gebakken.En we zeggen: ‘Kijk, de tram.’
Of: ‘Hoor jij die vogel zingen?’
Al die nutteloze dingen,
want het hoeft niet meer ad rem.En het hoeft niet meer zo rap,
want we moeten nergens heen.
Och, we wonen toch alleen
in zo'n rothuis met een trap.Ik beloof je, dat ik dan
het attent zijn aan zal leren.
En ik zal ook vaak proberen,
of je nog wel lachen kan,lachen als een oude dame,
die haar zegje heeft gezegd,
die, als ze wordt afgelegd,
zich voor niemand hoeft te schamen.Wel, wel, wel zo zal dat gaan.
En we sterven, heel bedaard,
op een donderdag in maart.
Tegelijk - daar hecht ik aan.En als onze aardse last
met de wereld gaat vergroeien,
zal uit jou een bloempje bloeien.
Een viooltje - dat staat vast.
Ja, die tekst is dit jaar 70 jaar oud en geen woord ervan behoeft nog toelichting. Mij ontroert vooral die strofe over 'kijk de tram' – wie kent ze niet, de oudere echtparen voor wie het gesprek er vooral uit bestaat dat ze benoemen wat ze allebei zien. S. Carmiggelt heeft hen voor het eerst gezien. En benoemd.
Reacties