Carel ten Cate. Vogelgeluiden ontrafeld. Waarom, hoe en waarover vogels zingen en roepen. KNNV, 2026.



Wetenschap is op zijn mooist als iemand zich een leven lang op één onderwerp gooit. Een onderwerp waarover iedereen zich weleens een vraag heeft gesteld zonder er daarna nog over na te denken, maar waar bij nadere beschouwing ontzettend veel aan vast zit.

Carel ten Cate is zo iemand. Hij ging niet zo lang geleden met emeritaat, en voor dat emeritaat had hij tientallen jaren nagedacht over de geluiden die volgens maken: hun zingen, hun roepen, hun schreeuwen. Hoe ze dat lichamelijk doen, wat voor effect het heeft op hun medevogels, hoe dat allemaal zo ontstaan kan zijn. En uiteindelijk, natuurlijk, ook wat dit te maken heeft met menselijke taal en muziek.

Het eerste wat de lezer denkt: wat moet het fijn zijn om zo lang met vogels bezig te zijn geweest. Het tweede: wat fijn dat wij daar nu een handzame samenvatting van krijgen. Zo blijken we inmiddels te weten hoe vogels die geluiden maken, dat zelfs de vogel met de hoogste tonen niet fluit, maar echt zingt, en dat de akoestische techniek niet eens zoveel anders is dan hoe mensen dat doen. Vogels hebben weliswaar geen stembanden in hun strottehoofd (larynx), zoals wij, maar maak het geluid lager, ongeveer in de buurt waar de twee buizen uit de bronchiën bij elkaar komen, met een syrinx. Maar zoals wij verschillende klinkers maken door het naar buiten stromende lucht met tong en lippen te vervormen, zo hebben vogels ook allerlei apparaten (luchtzakken, verlengde luchtpijpen, membranen) om het geluid te vervormen, en bijvoorbeeld om heel hoge boventonen zodanig te versterken dat er inderdaad een fluitgeluid klinkt.

Het ontstaan van al die organen – sommige vogels lijken heuse zangapparaatjes – is vervolgens gebeurd in een soort evolutionaire wapenwedloop. We weten dat twee van de functies van vogelzang zijn om het territorium af te bakenen en om een aantrekkelijke partner te zijn voor het andere geslacht. Voor allebei die functies is het nuttig om te laten horen dat je sterke genen hebt: zo sterk dat je een deel van je tijd kunt besteden aan nuttige maar ingewikkelde dingen zoals het zingen van complexe liedjes. Omdat partners er dus baat bij hebben te reageren op zulke ingewikkelde liedjes – onderzoek laat zien dat sommige vogels aantoonbaar meer en sterker nageslacht hebben als ze mooi kunnen zingen – wordt het vermogen om goed te luisteren evolutionair net zozeer bevoordeeld als het vermogen om van je te laten horen. En zo worden individuen beloond als ze net weer wat meer noten op hun zang hebben.

(Overigens ontkracht Ten Cate ook het geloof, ook dat van mij, dat het vooral mannetjes zijn die zingen om vrouwtjes aan te trekken – dat is in Europa wel zo, maar wereldwijd liggen de verhoudingen anders, en zijn er ook wel degelijk vrouwelijke zangvogeltjes, al gebruiken die hun talen waarschijnlijk wel vaker om hun territorium af te bakenen dan om aantrekkelijk te zijn.)

Maar Vogelgeluiden gaat over veel meer dan alleen zingen. Zo blijken meesjes elkaar met een heel hoog sie-achtig geluid te kunnen waarschuwen als er een sperwer aankomt. Dat geluid is zo hoog dat andere mezen het goed kunnen horen, terwijl het voor sperwers op de grens van het akoestische bereik valt. Bovendien zit het geluid zo in elkaar dat heel lastig te horen is waar het precies vandaan komt: de waarschuwende mees verraadt zichzelf dus niet. Andere vogelsoorten, zoals merels en vinken, blijken onafhankelijk van de mezen in de loop van de tijd een soortgelijk waarschuwingsgeluid te hebben ontwikkeld. De holenuil kan dan weer een geluid maken dat heel erg lijkt op dat van een ratelslang, want daar zijn roofdieren zoals grondeekhoorns en prairiehonden bang voor.

De vergelijking met menselijke taal en menselijke muziek is ook heel interessant. Het komt erop neer dat de manier waarop vogels klanken maken best veel lijkt op de manier waarop wij mensen, met onze totaal andere lichamen, dat doen. We gebruiken daarvoor bovendien ongeveer hetzelfde bereik (al zijn er ook vogels die lager en andere vogels die hoger zingen dan wij kunnen horen). Bovendien zijn er wat aanwijzingen dat sommige vogels – papegaaien en parkieten liggen voor de hand – ook klinkers en medeklinkers van menselijke taal kunnen onderscheiden. Maar er is veel minder bewijs dat vogels ingewikkeldere betekenissen kunnen opbouwen uit kleinere bouwstenen (de betekenis 'ik loop' heeft iets te maken met de betekenis van ik en die van loop). In taalkundige termen: vogels hebben een fonologie die verrassend lijkt op die van mensen, maar over andere componenten is veel minder duidelijkheid.

De gemeenschappelijke voorouder van alle vogels, waarschijnlijk een dinosaurus, maakte mogelijk al geluid met een syrinx, en alle zoogdieren doen dat met hun larynx. Dat er daaraan weer een gemeenschappelijke voorouder voorafging die ook met geluid communiceerde, is niet duidelijk. Maar kennelijk komen heel verschillende levende wezens wel met heel vergelijkbare oplossingen voor het probleem van hoe dat te doen.

Carel ten Cate. Vogelgeluiden ontrafeld. Waarom, hoe en waarover vogels zingen en roepen. KNNV, 2026. Bestelinformatie bij de uitgever

Reacties