Jessie Peterson. How to Create a Language. The Conlang Guide. Cambridge University Press, 2025.



Je kunt een vak niet beter leren dan door het zelf toe te passen. Dat geldt ook voor de taalkunde, en voor zover ik terugkijken kan zijn taalkundeboeken er ook op gericht dat de student zo snel mogelijk zelf erop uit kan trekken met een microfoon en/of aantekenboek, en in ieder geval zelf analyses leert maken: iedere inleiding in de fonologie, syntaxis of semantiek bevat opgaven, verzamelingen gegevens die de student geacht wordt zelf te analyseren.

Maar omdat talen niet alleen van oudsher bestaan, maar ook nog gemaakt worden, is er behalve de analytische methode nog een andere: de synthetische. Naar mijn ervaring hebben redelijk veel studenten die taalkunde studeren in hun schooltijd weleens een eigen taal gemaakt – ieder jaar dat ik eerstejaars college geef, komen er wel een paar naar mij toe, onveranderlijk een beetje schuchter, om erover te vertellen. Het kan een eerste sprankje taalbelangstelling zijn, en het kan ervoor zorgen dat je je gaat afvragen hoe talen in elkaar zitten. En zoiets kan ook gelden voor mensen die geïnteresseerd zijn in door anderen gecreëerde talen, bijvoorbeeld voor tv-series of films. Die talen zijn vaak expres exotisch: hoe zit dat in elkar? Om dat te begrijpen heb je het instrumentarium van de taalwetenschap nodig.

Wensen

Jessie Peterson maakte voor de gerenommeerde Britse uitgever Cambridge University Press nu een inleiding tot de taalwetenschap vanuit deze invalshoek: How to Create a Language. Het is een leuk, aanstekelijk boek, waarin Peterson uit haar eigen praktijk – ze is een taalkundige die professioneel talen maakt voor televisieseries – voorbeelden biedt van ontwerpbeslissingen. Als je bijvoorbeeld wilt bepalen welke klanken je taal heeft, doe je er goed aan iets te weten van fonetiek en anatomie om te begrijpen of je sprekers die klanken wel kunnen maken. Of, als je sprekers mensen zijn (wat Peterson aanraadt voor beginners), dat je zelf weet hoe je de exotische klanken die je ze toeschrijft wel kunnen voortbrengen. De verstandige conlanger (conlang staat voor constructed language, geconstrueerde taal) is daarom iemand die weet hoe je klanken maakt, net zoals hij weet wat voor mogelijkheden bestaande talen bieden om nieuwe woorden te maken, of woorden tot zinnen aaneen te rijgen, om daar vervolgens zelf mee te kunnen spelen.

Het is als met anatomie en beeldende kunst. Een klassieke beeldende kunstenaar, die geloofwaardige mensen wil schilderen of kleien, moet iets weten over anatomie. Tegelijkertijd is het aandachtige kijken waartoe je gedwongen wordt als je tekent of kleit, een goede manier om te beginnen aan de wetenschap van de anatomie.

Het is wat dat betreft een beetje jammer dat Peterson het vooral laat bij de vormelijke kanten van taal: de klankleer, de zinsbouw, de betekenis. Dat zijn precies de gebieden waar veel conlangers zich ook bij beperken: als ze professioneel zijn omdat de manier waarop dat allemaal in de praktijk wordt gebruikt, wordt bepaald door de schrijver en regisseur van de serie, en bij amateurs omdat ze er niet stil bij staan dat er meer is. En toch zou het ook heel interessant zijn om een eigen sociolinguïstiek te bedenken: zijn er verschillen tussen individuen van verschillende genders, of verschillende regionale herkomst? Hoe direct of indirect zijn de sprekers als ze een verzoek uiten? Hoe verhouden verschillende sociale klassen zich tot elkaar en hoe drukt zich dat uit in hun taalgebruik? Verandert de taal momenteel en zo ja, op welke vlakken? In de praktijk wordt dat naar mijn ervaring in conlangs niet heel creatief mee omgegaan – het zit allemaal op zijn beste zo'n beetje hetzelfde in elkaar als in de eigen taal.

Maar dat betekent alleen dat er iets te wensen over is. Ik zou best een keer een inleiding taalwetenschap willen geven met How to Create a Language.


Reacties