Clichés, wie is daar nu een bewonderaar van? Er bestaat een lange traditie van waarschuwingen tegen cliché-matig taalgebruik, waarin bijvoorbeeld George Orwell waarschuwde dat gedachteloos hanteren van clichés de taal en de samenleving zouden aantasten. Maar tegelijkertijd is duidelijk dat een normaal gesprek niet mogelijk is zonder clichés. Wie zich voortdurend hyperindividueel en origineel uitdrukt, zo iemand wordt waarschijnlijk door niemand begrepen.
De letterkundige Nana Ariel en de taalfilosoof Dana Riesenfeld, allebei van de universiteit van Tel Aviv, sloegen de handen ineen om een originele en diepgravende studie te doen naar het fenomeen: om te beginnen in de negentiende eeuw waarin het woord werd gemunt, en te eindigen in het onduidelijke heden waarin kunstmatige intelligentie op een eigen manier wortelt met de vraag hoeveel clichés er precies aanvaardbaar zijn.
De term cliché komt uit de moderne drukkerij, en werd gebruikt voor platen waarop een pagina in zijn geheel werd weergegeven en die in een drukmachine kon worden geplaatst om zo heel veel kopieën van die pagina in korte tijd te kunnen drukken. Maar al betrekkelijk snel werd de term ook metaforisch gebruikt, voor brokjes taal die veel gebruikt worden om wijd gedeelde gedachten uit te drukken.
Stationsboeken
Het idee dat er stukjes taal zijn die gemeenplaatsen, topoi, uitdrukten, was er al langer, Ariel en Riesenfeld traceren het terug naar de klassieke Oudheid, maar het was, in ieder geval in de Aristotelische traditie, zeker niet altijd negatief. Topoi waren schema’s voor redeneringen die je in allerlei genres van tekst kon betrekken, bijvoorbeeld omdat je je kon beroepen op gedeelde ideeën en overtuigingen met de lezer. Toch zat er vanaf het begin, ook iets ongemakkelijks in: clichés beroepen zich dus op het gedeelde reservoir van kennis en op een orthodoxe manier van de wereld bezien, en dat staat daarmee tegenover het verlangen van de westerse mens om authentiek te zijn en originele gedachten uit te drukken, dingen die we nog niet wisten.
Clichés begeven zich in de spanning tussen het individuele en het collectieve. Net als alle taal.
Het is volgens Ariel en Riesenfeld ook geen toeval dat de term cliché opkwam in ongeveer dezelfde tijd als het auteursrecht, die poging om wat er wel origineel en individueel was in (economische) waarde om te zetten. Clichés onttrekken zich, zou je kunnen zeggen, aan het kapitalisme van het geschreven woord: een cliché is van iedereen. Tegelijkertijd zorgde het kapitalisme er weer voor dat boeken in populaire genres (stationsboeken) in gigantische oplagen verschenen: de drukkersclichés draaiden overuren voor teksten waarvan kritische lezers vonden dat ze vol van clichés stonden.
Ambitie
Ik heb, een beetje tegen mijn natuur in, tot nu toe geen enkel voorbeeld van een cliché gegeven. Dat doe ik omdat Ariel en Riesenfeld dat ook doen. Ze beschrijven uitvoerig het probleem met het gegeven van concrete voorbeelden: zodra je aandacht aan een cliché gaat geven, is het al geen cliché meer, krijgt het extra betekenis. Een cliché is voor hen iets dat in een bepaalde situatie door de gespreksdeelnemers als een cliché wordt ervaren. ‘I love you’ is in sommige omstandigheden (Amerikaanse tienerdochter verlaat de woning, moeder roept haar nog wat na) een cliché, en in andere (de vijand ligt na een bitter gevecht gevloerd op de grond, bloed gutst uit haar linkerarm, zij opent haar ogen en mompelt) helemaal niet. Bovendien hebben clichés lang niet altijd woordelijk dezelfde vorm, en volgens Ariel en Riesenfeld kun je soms ter plekke iets bedenken dat aanvoelt als een cliché, al is het nooit eerder gezegd. Het gaat eerder om het gevoel van de gespreksdeelnemers dat iets al heel vaak gezegd is dan om een objectieve empirische meting.
Ariel en Riesenfeld zien hun boek zelf, geloof ik, als onderdeel van een culturele beweging die clichés minder negatief waarderen. Ze bespreken uitgebreid het werk van David Foster Wallace, die gefascineerd was door het cliché en het zag als een manier om minder ironisch in het leven te staan, en de Uncreative Writin-movement die verhalen en gedichten maakt waarin de ambitie is om juist niet zo origineel mogelijk te zijn, maar te putten uit onder andere het arsenaal van clichés.
Saai
Maar boven alles is er natuurlijk de kunstmatige intelligentie, dat in alle bekende gedaanten gebaseerd is op clichés. Dat gold al voor de eerste succesvolle chatbot, Eliza, uit de jaren zestig, die woorden oppikte die de gebruiker invoerde om er therapeutenclichés op los te laten, en het geldt volgens critici ook zeker voor de statistische taalmodellen die immers in de eerste plaats tekst genereren op basis van wat het waarschijnlijkste vervolg is op de eerder uitgesproken woorden. Het soort bezwaren dat nu wordt geuit tegen kunstmatige intelligentie – dat het niet echt zou denken, nooit origineel zou zijn – is precies wat er de afgelopen honderdvijftig jaar te berde is gebracht tegen mensen die in clichés schreven. Het verbaast dan ook niet dat Ariel en Riesenfeld niet zo negatief denken over die nieuwe apparaten.
Wonderlijk bij dat alles is dat de onderzoekers mijn voornaamste bezwaar tegen clichés niet echt bespreken: dat overmatig veel clichés een tekst zo saai maken, dat je als lezer, als mens, gewoon af en toe wat nieuws wil. Ariel en Riesenfeld doorbreken zelf allerlei cliché-beelden over het cliché en precies dat maakt Clichés We Live By een plezier om te lezen, zoals ik me ook ernstig zou vergissen als het frisse proza door een apparaat geschreven is. De wereld gaat misschien niet ten onder aan clichés, maar het leven wordt er wel onnodig veel saaier van. Precies die paradox geeft dit boek een grote spanning: aan te raden voor iedereen die geïnteresseerd is in taal of literatuur.

Reacties