13.12.07

Tjitske Jansen. Koerikoeloem. Amsterdam: Podium, 2007.

Ik heb tot nu toe niet veel prozagedichten gelezen. Waarom eigenlijk niet? Zodra de tekst georganiseerd wordt in een alinea, ga je sneller lezen. Dat komt door de adem: je neemt een alinea bij wijze van spreken in dezelfde adem als een versregel. Dat is te snel voor een gedicht.

Koerikoeloem bestaat uit prozagedichten, of eigenlijk is het één lang prozagedicht, waarvan iedere alinea begint met er was. Soms wringt er dan iets met de zin die er volgt. Na 'er was' kun je in het Nederlands eigenlijk alleen zelfstandignaamwoorden plaatsen met het onbepaald lidwoord een: 'er was een man', maar niet 'er was de man'. Jansen doet af en toe het laatste en dat geeft een opmerkelijk effect:

Er was de dominee aan wie ik schreef: 'Ik heb het gevoel dat ik God helemaal niet nodig heb.' En die terugschreef: 'God wil helemaal niet nodig zijn'.

De bundel lijkt autobiografisch te zijn, hij beschrijft fragmenten uit de jeugd van de dichteres, met de eigen ouders, in pleeggezinnen. Helemaal duidelijk hoe het zit (waarom ze naar een pleeggezin moest) wordt een en ander niet, maar dat is ook niet speciaal de bedoeling. Koerikoeloem is toch in de eerste plaats taal, taal, en nog eens taal: een prozagedicht, een mooi prozagedicht.

Geen opmerkingen: