Doorgaan naar hoofdcontent

William Shakespeare. Troilus and Cressida. London: BBC, 1981 (1602).

William Shakespeare. Troilus and Cressida. Lang geleden heb ik Troilus and Cressida op de tv gezien - het moet ergens in de jaren tachtig geweest zijn, toen de Nederlandse tv de serie van alle integrale Shakespeare-stukken uitzond. Wat nu blijkt: ik kon me alleen het einde herinneren, vooral de scene waarin Troilus erachter komt dat zijn Cressida, de vrouw die hem in Troje nog eeuwige trouw beloofde, nu als krijgsgevangene bij de Grieken al in bed ligt bij de Griekse held Diomedes. Dat is ook weliswaar het dramatisch hoogtepunt, maar dat betekent niet dat de overige drie uur niet de moeite waard zijn.

Je hoeft maar even over het internet te speuren, om te zien dat Troilus and Cressida niet populair is. Het wordt beschouwd als een 'problem play' omdat de boodschap zo inktzwart is - niemand deugt, de Griekse helden zijn domme en ijdele kwasten, de liefde is een stinkend wonder van onthoofde wulpsigheden - en omdat de verschillende verhaallijnen niet goed vervlochten zouden zijn.

Aan het eerste valt weinig te doen. Inderdaad is Shakespeare volkomen genadeloos. Het thema dat de mensen niet zijn wie ze lijken, voert hij in dit stuk wel heel erg ver door. Zelfs het toneelstuk is niet wat het lijkt: Achilles verslaat zijn tegenstander Hector (de enige echte held in het stuk) niet op een grootse manier, zoals bij Homeros, maar achteloos, als hij hem ongewapend tegenkomt op het slagveld. Troilus vermoedt dat Cressida niet zo trouw is als ze lijkt, maar ook dat is misschien alleen maar schijn. Zelfs tijdens de grootste, de meest mythologische tijden die de Westerse beschaving kent - de slag om Troje - was iedereen vooral bezig met onzin en smerigheid.

Daarom is dat van die twee lijnen ook niet zo'n groot bezwaar, vind ik. Terwijl de Grieken eindeloos ouwehoeren en slimmigheidjes uitwisselen, geven de Trojanen zich over aan het liefdesspel. Als dat allemaal bij elkaar komt, loopt het ellendig af voor Troilus. Hij wordt, tegen alle conventies van het genre in, nog niet eens gedood. De loser.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Aafke Romeijn. Concept M. Amsterdam: Arbeiderspers, 2018.

Hava leeft in een wereld die de onze is, maar dan nét een beetje verschoven. Het is geen 2018, maar 2020 en bovendien zijn er sinds de jaren 90 hier in Nederland een paar dingen net een beetje anders gelopen. Een politieke partij heeft bijna de absolute macht gekregen en een ziekte houdt het land ook al tijden in de greep: kleurloosheid. Er worden steeds meer kinderen geboren die lijden aan die ziekte, die de samenleving handen vol geld kost, omdat de kleurlozen voortdurend een heel duur kleurmiddel nodig hebben. Radicaal-rechtse jongeren willen daarom af van al die kleurlozen, die de samenleving ontwrichten.

Hava is één van hen én ze is zelf kleurloos.

Bij zo'n het-had-ook-zo-kunnen-gaan-verhaal doet zich altijd de vraag voor: waarom vertelt iemand dit? Waarom spiegelt iemand ons een wereld voor die lijkt op de onze, maar die net een beetje anders is? Waarom geen ongebreidelde fantasie, of juist een realistisch beeld, maar iets ertussen in? Je kunt het bijna niet lezen zonder au…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …