15.8.11

Nikolaj Gogol. Dode zielen. Amsterdam: Van Oorschot, 2009 (1842))

Gogol. Dode zielen

Vertaling: Charles B. Timmer

De meeste lezers zijn het er geloof ik wel over eens dat van de Divina Commedia vooral of zelfs alleen het eerste deel, de Hel, echt leesbaar is. Het is daarom heel verbazingwekkend dat iemand ooit het plan zou opvatten om een werk te schrijven met dezelfde structuur. Nikolaj Gogol had dat idee kennelijk wel ooit, maar hij is na het eerste deel, zijn eigen Hel, heel toepasselijk genaamd Dode zielen, gestrand.

Dat die andere delen er niet gekomen zijn, is dus waarschijnlijk niet erg. Dankzij Dode zielen zullen we ons Gogol blijven herinneren. De slechtheid van de mens is nu eenmaal een veel prettiger onderwerp dan zijn goedheid. Ik weet eigenlijk niet precies waarom. Ja, omdat goedheid saai is en slechtheid niet - maar dat verlegt alleen maar de vraag, want waarom is dat eigenlijk het geval? Je kunt toch op net zoveel verschillende manieren goed zijn als dat je slecht kunt zijn. Het vernuft dat Tsjitsjikow steekt in zijn wat geheimzinnige project om overal dode zielen op te kopen, de kleinburgerlijkheid en rancune die zijn burgers stoppen in de pogingen om hem te verketteren, dat alles zou toch ook juist positieve equivalenten kunnen hebben?

Ik kan alleen een biologische, evolutionaire verklaring verzinnen. Wij mensen zijn geconditioneerd om meer geboeid te zijn door het kwaad omdat we er meer belang bij hebben dat te onderkennen dan al het goede dat er tegelijkertijd ook gebeurt.

In Dode zielen is overigens niemand echt vreselijk slecht. Het is niet echt verboden om dode zielen van boeren te kopen, en het is ook niet helemaal duidelijk wie er wat mee opschiet. Er wordt vooral veel gekrabbeld en een beetje gesjoemeld en een beetje gejokt en iedereen denkt dat het nodig is om niet helemaal eerlijk te zijn omdat de anderen dat immers ook niet zijn. Ondertussen beweert de schrijver dat hij een groots epos in verzen aan het schrijven is, terwijl wat je leest toch duidelijk proza is (ik las de vertaling van Charles B. Timmer, die ik ooit eerder ook al gelezen had) en je ook weet dat er van in ieder geval de andere delen van dat epos bitter weinig terecht gekomen is.

Wij mensen (wij Russen, maar wie dit leest wordt zelf ook even een Rus) zijn altijd op zoek naar een buitenkansje. Er hoeft maar iemand langs te komen die wat aardige woorden spreekt, beschaafd lijkt en de grote wereld lijkt te kennen, of we trappen er, ondanks al onze gedisponeerdheid om vooral op het kwaad te letten, toch telkens weer in.

Geen opmerkingen: