Doorgaan naar hoofdcontent

Nikolaj Gogol. Dode zielen. Amsterdam: Van Oorschot, 2009 (1842))

Gogol. Dode zielen

Vertaling: Charles B. Timmer

De meeste lezers zijn het er geloof ik wel over eens dat van de Divina Commedia vooral of zelfs alleen het eerste deel, de Hel, echt leesbaar is. Het is daarom heel verbazingwekkend dat iemand ooit het plan zou opvatten om een werk te schrijven met dezelfde structuur. Nikolaj Gogol had dat idee kennelijk wel ooit, maar hij is na het eerste deel, zijn eigen Hel, heel toepasselijk genaamd Dode zielen, gestrand.

Dat die andere delen er niet gekomen zijn, is dus waarschijnlijk niet erg. Dankzij Dode zielen zullen we ons Gogol blijven herinneren. De slechtheid van de mens is nu eenmaal een veel prettiger onderwerp dan zijn goedheid. Ik weet eigenlijk niet precies waarom. Ja, omdat goedheid saai is en slechtheid niet - maar dat verlegt alleen maar de vraag, want waarom is dat eigenlijk het geval? Je kunt toch op net zoveel verschillende manieren goed zijn als dat je slecht kunt zijn. Het vernuft dat Tsjitsjikow steekt in zijn wat geheimzinnige project om overal dode zielen op te kopen, de kleinburgerlijkheid en rancune die zijn burgers stoppen in de pogingen om hem te verketteren, dat alles zou toch ook juist positieve equivalenten kunnen hebben?

Ik kan alleen een biologische, evolutionaire verklaring verzinnen. Wij mensen zijn geconditioneerd om meer geboeid te zijn door het kwaad omdat we er meer belang bij hebben dat te onderkennen dan al het goede dat er tegelijkertijd ook gebeurt.

In Dode zielen is overigens niemand echt vreselijk slecht. Het is niet echt verboden om dode zielen van boeren te kopen, en het is ook niet helemaal duidelijk wie er wat mee opschiet. Er wordt vooral veel gekrabbeld en een beetje gesjoemeld en een beetje gejokt en iedereen denkt dat het nodig is om niet helemaal eerlijk te zijn omdat de anderen dat immers ook niet zijn. Ondertussen beweert de schrijver dat hij een groots epos in verzen aan het schrijven is, terwijl wat je leest toch duidelijk proza is (ik las de vertaling van Charles B. Timmer, die ik ooit eerder ook al gelezen had) en je ook weet dat er van in ieder geval de andere delen van dat epos bitter weinig terecht gekomen is.

Wij mensen (wij Russen, maar wie dit leest wordt zelf ook even een Rus) zijn altijd op zoek naar een buitenkansje. Er hoeft maar iemand langs te komen die wat aardige woorden spreekt, beschaafd lijkt en de grote wereld lijkt te kennen, of we trappen er, ondanks al onze gedisponeerdheid om vooral op het kwaad te letten, toch telkens weer in.

Reacties

Populaire posts van deze blog

A.F.Th. van der Heijden. Advocaat van de hanen. Querido, 2014 (1990).

Omdat ik deze zomer intensief Van der Heijdens feuilleton President Tsaar op Obama Beach volgde, las ik parallel daaraan ook sommig ouder werk terug: vaak slechts voor een deel, omdat ik me iets herinnerde bij het lezen van het feuilleton, maar sommige boeken heb ik uiteindelijk voor een zo groot deel nagelezen dat ze uiteindelijk ook wel in dit logboekje terecht zullen komen.

Advocaat van de hanen is waarschijnlijk Van der Heijdens meestgelezen boek, omdat het relatief zelfstandig staat van de rest van de cyclus én omdat het ongeveer de structuur heeft van een thriller. Het is allemaal relatief: er wordt eigenlijk onderhuids behoorlijk veel verwezen naar de rest van Van der Heijdens werk, en voor een thriller is het nu ook weer niet zo heel spannend. Hoe de betrokkenheid van Ernst Quispel bij de moord op Kiliaan Noppen precies is, is weliswaar in het begin niet heel erg duidelijk, maar ook geen groot mysterie; en de onthulling van wie nu precies de echte moordenaar is, komt als een so…

Remco Campert. Compact. Amsterdam: Van Oorschot, 2016.

Nu Simon Carmiggelt, Annie M.G. Schmidt en Margo Minco aan de beurt waren geweest, mocht Remco Campert niet ontbreken in de serie Gedundrukt van Van Oorschot, waarin ieder jaar kennelijk een 'meester van de korte baan' wordt geëerd.

Helaas is de selectie, op verzoek van Campert gemaakt door zijn biograaf Mirjam van Hengel, nogal braaf uitgevallen. In de drie afdelingen, met gedichten, verhalen en columns, overheerst een licht melancholische toon en wordt vooral veel autobiografisch of quasi-autobiografisch teruggekeken op des schrijvers jonge jaren. (Althans, er gaat nogal veel over die jonge jaren. In technische zin wordt er natuurlijk niet altijd teruggekeken, omdat sommig werk in die jonge jaren geschreven is.) Er zijn verhaaltjes en gedichtjes over de kindertijd, over de jonge jaren, als jonge student.

Misschien is het omdat Van Hengel met haar onderzoek voor haar eigen boek vooral die periode heeft afgedekt en dus dat deel van het oeuvre goed kent, maar mij ging het op ze…

Leïla Slimani. Chanson douce. Paris: Gallimard, 2015

Gaan Parijse romans de afgelopen decennia inderdaad allemaal over eenzaamheid? Over mensen die verloren lopen in de grote stad? Die langzaam maar zeker in hun eigen wereldje geraken, omringd door miljoenen anderen?

Dan heeft Leïla Slimani dé Franse roman geschreven, een van de mooiste die er in ieder geval in de afgelopen tijd verschenen is. Chanson douce begint met de gevolgen van een vreselijke moordpartij, waarna de spanning zich in 200 pagina's gaandeweg opbouwt. We volgen een echtpaar, Myriam en Paul, die een kinderjuffrouw in dienst nemen als Myriam aan haar juridische carrière wil bouwen. De kinderjuffrouw (of oppas, hoe noem je dat, nounou), Louise, blijkt perfect: ze maakt het huis perfect schoon en de kinderen zijn dol op haar. Myriam en Paul nemen haar zelfs mee op vakantie, naar Griekenland.

Het zijn de ingrediënten voor een horrorverhaal, zij het dat de ware horror meteen komt. Ik neem ook aan dat je hier een succesvolle film van kunt maken, want er gebeurt van alles …