Doorgaan naar hoofdcontent

Peter Buwalda. Bonita avenue. Amsterdam: De Bezige Bij, 2011 (2010).

Het boek Bonita avenue is op de achtergrond van mijn leven al een jaar aanwezig. Ik zag het al snel in de boekwinkel liggen en zag er af en toe iemand mee in de trein zitten; eergisteren zat ik nog in het vliegtuig naast een dame op leeftijd die er aandachtig in las. Na verschijnen waren er berichten in de krant over een geheimzinnige persoon die in boekwinkels exemplaren van het boek vernietigde en daar later zijn excuses voor aanbood. Inmiddels is het boek genomineerd of genomineerd geweest voor allerlei literaire prijzen en het heeft er daar geloof ik ook een paar van gekregen.

Toen het boek de tzum-prijs won, voor de mooiste zin van het jaar, ging ik door de bocht en downloadde het boek van de website van boekwinkel Athenaeum — de beste internet-boekwinkel van Nederland.

Dat die tzum-prijs nogal willekeurig wordt uitgereikt, blijkt uit dit boek. De zin die men heeft uitgekozen spreekt weliswaar tot de verbeelding:

Hij was verpieterd op de kamer die hij huurde bij zijn oudtante in Overvecht, een buitenwijk met asbestflats, ‘dreven’ in plaats van ’straten’, en een eigen station met twee sporen om op te gaan liggen.

Maar Bonita Avenue bevat enkele zinnen die minstens even mooi zijn:

Het liefst zeek ze zelf de keldertrap onder om een kat uit te sparen.

E-mail is een martelwerktuig gemener dan de drup.

Als een kwal hing hij in de tijd, verstild pulserend (...)

De man vousvoyeerde hem als een stoplicht dat elk moment op 'je' en 'jij' kon springen.

In Nederland duikt de natuur onder als een metro en komt pas weer boven in Scandinavië

Nu ik mijn favoriete zinnen zo onder elkaar zet, valt me op dat het allemaal vergelijkingen zijn, een klassieke stijlfiguur die modern wordt ingezet, met moderne middelen als metro's, stoplichten en e-mail.

Zo is Bonita Avenue als geheel ook: een klassiek Grieks drama in Nederland aan het begin van de eenentwintigste eeuw. Het drama van een man die alles meeheeft — hij had een professioneel judoka kunnen worden, maar werd uiteindelijk een wiskundige, rector van een Technische Universiteit in Enschedé en minister van Onderwijs — maar die uiteindelijk niet anders kan dan vallen, heel diep vallen, en zelfs dat op een klassieke manier — door zijn familie, doordat hij niet begrijpt wie hem liefheeft en wie niet, doordat hij zijn kinderen uiteindelijk van alles aandoet. Siem Sigerius, want zo heet de man, is rijk en intelligent en succesvol, maar moet uiteindelijk wel vallen.

Ik las onlangs The Death of Tragedy waarin George Steiner zo'n vijftig jaar geleden beweerde dat er in 'onze tijd' geen gevoel meer is voor het tragische, voor de duistere, onbegrijpelijke kracht die alles vernietigt. We zouden in onze tijd daarvoor te diep zijn gaan geloven aan onze beheersing van de werkelijkheid en aan de goede afloop. Voor zover dat ooit waar is geweest, laten boeken als dit zien dat het niet langer zo is. Sigerius doet dingen die juist de uiterste beheersing suggereren — judo die van het lichaam, wiskunde die van de geest — en toch begrijpt niet alleen de lezer, maar ook hijzelf niet waarom hij zich zo in de afgrond laat glijden. Dat begint al met een affaire die hij heeft met een bachelorstudente, op het oog een zijlijntje in het verhaal, maar een die laat zien wat een mysterie Sigerius voor zichzelf is (de vergelijking van e-mail met de kwelling van de druppende waterstraal komt uit die episode: Sigerius blijft maar op refresh drukken als hij op een mailtje van zijn lieveling wacht).

Hoezeer sommigen ook doen alsof ze alles weten, alsof we eigenlijk wel zo'n beetje begrijpen hoe de wereld in elkaar zit, vijftig jaar na Steiner zijn we er inmiddels toch wel weer achter dat we niets begrijpen, niets, niets. En dat daar heel mooie, moderne, klassieke vergelijkingen bij geschreven kunnen worden.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Aafke Romeijn. Concept M. Amsterdam: Arbeiderspers, 2018.

Hava leeft in een wereld die de onze is, maar dan nét een beetje verschoven. Het is geen 2018, maar 2020 en bovendien zijn er sinds de jaren 90 hier in Nederland een paar dingen net een beetje anders gelopen. Een politieke partij heeft bijna de absolute macht gekregen en een ziekte houdt het land ook al tijden in de greep: kleurloosheid. Er worden steeds meer kinderen geboren die lijden aan die ziekte, die de samenleving handen vol geld kost, omdat de kleurlozen voortdurend een heel duur kleurmiddel nodig hebben. Radicaal-rechtse jongeren willen daarom af van al die kleurlozen, die de samenleving ontwrichten.

Hava is één van hen én ze is zelf kleurloos.

Bij zo'n het-had-ook-zo-kunnen-gaan-verhaal doet zich altijd de vraag voor: waarom vertelt iemand dit? Waarom spiegelt iemand ons een wereld voor die lijkt op de onze, maar die net een beetje anders is? Waarom geen ongebreidelde fantasie, of juist een realistisch beeld, maar iets ertussen in? Je kunt het bijna niet lezen zonder au…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …