18.12.11

Rob Wilson en Rhena Branch. Cognitive Behavioural Therapy for Dummies. Sussex: John Wiley and Son, 2006.

Wat is de mens toch een wonderlijk wezen. Hoe moet je gelukkig worden? Je moet gezond eten, voldoende bewegen, vrienden maken, creatief zijn, zorgen dat je huis aan kant is, jezelf doelen stellen die ambitieus én haalbaar zijn. En er moet genoeg te lachen zijn.

Dat zijn enkele van de lessen van de cognitieve gedragstherapie, een populaire moderne psychologische therapievorm. Althans volgens het boek 'voor domoren' dat ik erover gelezen heb, of om nog preciezer te zijn: volgens de cheatsheet die er voorin zit.

Ligt dat allemaal voor de hand? Natuurlijk. Is het moeilijk om te doen? Natuurlijk niet. Waarom is dan niet iedereen gelukkig, of in ieder geval gelukkiger? Dat is een van de raadsels van het menselijke bestaan.

Ik heb mijn levenlang een grote afkeer gehad van psychologen — mensen die pretenderen dat ze de menselijke geest kunnen repareren alsof het een apparaatje is. Die weten dat er achter iedere neurose een problematische relatie met je ouders zit, en dat je daar dan a raison van 150 euro per uur voor een paar honderd uur aan moet werken.

Cognitieve gedragstherapie (of CBT) lijkt dan veel sympathieker, bijvoorbeeld omdat het veel nuchterder is: cognitieve gedragstherapeuten pretenderen niet dat ze alles weten of begrijpen, maar reiken een aantal beproefde technieken aan die meestal werken. Wat dat betreft lijken ze dus meer op gewone artsen, die ook helemaal niet per se pretenderen dat ze het menselijk lichaam doorgronden — ze weten alleen wat voor medicijnen er door het wetenschappelijk onderzoek heengekomen zijn.

De methode van CBT is bovendien zelf ook sterk empirisch: je wordt uitgenodigd op een rijtje te zetten waarom je, bijvoorbeeld, onredelijk boos wordt, of angstig, of geagiteerd. CBT gaat ervanuit dat die emoties mede veroorzaakt worden door een bepaald geloof over jezelf of over anderen dat je hebt (laten we zeggen: 'ik doe alles altijd verkeerd') en degene die de therapie doet wordt uitgenodigd om experimenten te bedenken om dat geloof in de praktijk te testen.

Dat het zo nuchter is, is natuurlijk heel prettig. Als therapie lijkt het me prettig — mocht ik me de komende jaren onder behandeling stellen, dan zal ik zeker naar CBT vragen. Als theorie is het minder bevredigend (er is eigenlijk geen theorie, alles wat werkt wordt aangeroepen), al roept het wel allerlei interessante vragen op. Wat zegt het over de mens dat hij gemiddeld genomen gelukkiger wordt als hij actief en creatief is? Hoe kan het toch dat een mens zijn eigen gevoelens kan beïnvloeden, als hij er maar zin in heeft? En: als dit allemaal echt werkt, moet CBT dan niet onverwijld een verplicht schoolvak worden?

Geen opmerkingen: