Doorgaan naar hoofdcontent

Rob Wilson en Rhena Branch. Cognitive Behavioural Therapy for Dummies. Sussex: John Wiley and Son, 2006.

Wat is de mens toch een wonderlijk wezen. Hoe moet je gelukkig worden? Je moet gezond eten, voldoende bewegen, vrienden maken, creatief zijn, zorgen dat je huis aan kant is, jezelf doelen stellen die ambitieus én haalbaar zijn. En er moet genoeg te lachen zijn.

Dat zijn enkele van de lessen van de cognitieve gedragstherapie, een populaire moderne psychologische therapievorm. Althans volgens het boek 'voor domoren' dat ik erover gelezen heb, of om nog preciezer te zijn: volgens de cheatsheet die er voorin zit.

Ligt dat allemaal voor de hand? Natuurlijk. Is het moeilijk om te doen? Natuurlijk niet. Waarom is dan niet iedereen gelukkig, of in ieder geval gelukkiger? Dat is een van de raadsels van het menselijke bestaan.

Ik heb mijn levenlang een grote afkeer gehad van psychologen — mensen die pretenderen dat ze de menselijke geest kunnen repareren alsof het een apparaatje is. Die weten dat er achter iedere neurose een problematische relatie met je ouders zit, en dat je daar dan a raison van 150 euro per uur voor een paar honderd uur aan moet werken.

Cognitieve gedragstherapie (of CBT) lijkt dan veel sympathieker, bijvoorbeeld omdat het veel nuchterder is: cognitieve gedragstherapeuten pretenderen niet dat ze alles weten of begrijpen, maar reiken een aantal beproefde technieken aan die meestal werken. Wat dat betreft lijken ze dus meer op gewone artsen, die ook helemaal niet per se pretenderen dat ze het menselijk lichaam doorgronden — ze weten alleen wat voor medicijnen er door het wetenschappelijk onderzoek heengekomen zijn.

De methode van CBT is bovendien zelf ook sterk empirisch: je wordt uitgenodigd op een rijtje te zetten waarom je, bijvoorbeeld, onredelijk boos wordt, of angstig, of geagiteerd. CBT gaat ervanuit dat die emoties mede veroorzaakt worden door een bepaald geloof over jezelf of over anderen dat je hebt (laten we zeggen: 'ik doe alles altijd verkeerd') en degene die de therapie doet wordt uitgenodigd om experimenten te bedenken om dat geloof in de praktijk te testen.

Dat het zo nuchter is, is natuurlijk heel prettig. Als therapie lijkt het me prettig — mocht ik me de komende jaren onder behandeling stellen, dan zal ik zeker naar CBT vragen. Als theorie is het minder bevredigend (er is eigenlijk geen theorie, alles wat werkt wordt aangeroepen), al roept het wel allerlei interessante vragen op. Wat zegt het over de mens dat hij gemiddeld genomen gelukkiger wordt als hij actief en creatief is? Hoe kan het toch dat een mens zijn eigen gevoelens kan beïnvloeden, als hij er maar zin in heeft? En: als dit allemaal echt werkt, moet CBT dan niet onverwijld een verplicht schoolvak worden?

Reacties

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Aafke Romeijn. Concept M. Amsterdam: Arbeiderspers, 2018.

Hava leeft in een wereld die de onze is, maar dan nét een beetje verschoven. Het is geen 2018, maar 2020 en bovendien zijn er sinds de jaren 90 hier in Nederland een paar dingen net een beetje anders gelopen. Een politieke partij heeft bijna de absolute macht gekregen en een ziekte houdt het land ook al tijden in de greep: kleurloosheid. Er worden steeds meer kinderen geboren die lijden aan die ziekte, die de samenleving handen vol geld kost, omdat de kleurlozen voortdurend een heel duur kleurmiddel nodig hebben. Radicaal-rechtse jongeren willen daarom af van al die kleurlozen, die de samenleving ontwrichten.

Hava is één van hen én ze is zelf kleurloos.

Bij zo'n het-had-ook-zo-kunnen-gaan-verhaal doet zich altijd de vraag voor: waarom vertelt iemand dit? Waarom spiegelt iemand ons een wereld voor die lijkt op de onze, maar die net een beetje anders is? Waarom geen ongebreidelde fantasie, of juist een realistisch beeld, maar iets ertussen in? Je kunt het bijna niet lezen zonder au…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …