Doorgaan naar hoofdcontent

Laurence Sterne. The Life and Opinions of Tristram Shandy, Gentleman. Gutenberg. (1761-1767)

Sommige boeken zijn beter als een idee dan als een leeservaring. Althans, er zijn misschien nog wel mensen die niet bijkomen van het lachen of van het doordenken of van het vinden van culturele verwijzingen wanneer ze The Life and Opinions of Tristram Shandy, Gentleman lezen. Ieder jaar zijn er wereldwijd nog steeds waarschijnlijk tienduizenden (honderdduizenden?) mensen die het lezen en een enkeling zal erdoor gegrepen worden.

Maar ik hoor daar helaas niet bij.

Het boek was een staartje van mijn project om de honderd belangrijkste boeken uit de wereldliteratuur te lezen. Ik ben heel ver gekomen in dat project. Het is inmiddels een beetje verzand, maar de laatste titels krijg ik er in de loop van mijn leven hopelijk ook nog wel door.

Inmiddels weet ik dat ik van sommige soorten boeken niet zo houdt. Boeken waarin heel erg ostentatief met het kunstmatige van het verhaal gegoocheld wordt – ik begrijp wel dat het mooi en aantrekkelijk kan zijn, een enkele keer vind ik het ook mooi en aantrekkelijk (Calvino!), maar vaak haak ik af.

Ik heb bovendien het gevoel dat je Sterne pas goed begrijpt als je veel meer weet over achttiende-eeuws Engeland. En ik weet daar maar heel weinig over. Bovendien: zelfs als je er heel veel op studeert, zul je dan ooit het effect ondergaan dat de schrijver minstens ook beoogt: een humoristisch effect.

Het kan natuurlijk ook aan mijn smaak liggen, die niet speciaal is afgestemd op dit soort werk. Tegelijkertijd heb ik in theorie zeer veel sympathie voor allerlei gedachten die je over Tristram Shandy kunt hebben en die gaan over de onmogelijkheid om de complexe wereld in al zijn gedetailleerdheid ooit in een verhaal te vatten. Ik ben ook wel blij dat ik Tristram Shandy nu weer eens gelezen heb, maar ik geloof niet dat het er hierna ooit nog eens van komt.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Aafke Romeijn. Concept M. Amsterdam: Arbeiderspers, 2018.

Hava leeft in een wereld die de onze is, maar dan nét een beetje verschoven. Het is geen 2018, maar 2020 en bovendien zijn er sinds de jaren 90 hier in Nederland een paar dingen net een beetje anders gelopen. Een politieke partij heeft bijna de absolute macht gekregen en een ziekte houdt het land ook al tijden in de greep: kleurloosheid. Er worden steeds meer kinderen geboren die lijden aan die ziekte, die de samenleving handen vol geld kost, omdat de kleurlozen voortdurend een heel duur kleurmiddel nodig hebben. Radicaal-rechtse jongeren willen daarom af van al die kleurlozen, die de samenleving ontwrichten.

Hava is één van hen én ze is zelf kleurloos.

Bij zo'n het-had-ook-zo-kunnen-gaan-verhaal doet zich altijd de vraag voor: waarom vertelt iemand dit? Waarom spiegelt iemand ons een wereld voor die lijkt op de onze, maar die net een beetje anders is? Waarom geen ongebreidelde fantasie, of juist een realistisch beeld, maar iets ertussen in? Je kunt het bijna niet lezen zonder au…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …