Doorgaan naar hoofdcontent

Andreas Burnier. Het jongensuur. Amsterdam: Augustus, 2015

Ik geloof dat Het jongensuur het eerste volwassen literaire werk was dat ik ooit op eigen initiatief , dat wil zeggen zonder dat een volwassene me erop gewezen had, las. Waarom dat boek? Ik zou het met geen mogelijkheid durven zeggen. Zoals ik me ook weinig ervan kan herinneren, behalve de sfeer en de opwinding dat ik zo'n volwassen boek begreep.

Nu vraag ik me natuurlijk af of ik het echt begreep. Ik denk bijvoorbeeld niet dat ik toen kon inzien wat ik nu denk: dat het een van Burniers talenten was om een boek over de tweede wereldoorlog te schrijven dat die oorlog overstijgt, dat zelfs dat grote, diepe thema een illustratie laat zijn van een immens verdriet — het verdriet om er niet bij te horen, het verlangen om dat wél te doen.

Simone, de hoofdpersoon van dit boek, gaat gedurende de paar onderduikjaren van het ene gezin naar het andere: nu eens socialisten, dan weer antroposofen en uiteindelijk ook streng gereformeerden. Allemaal hebben ze grote overtuigingen, bij niemand hoort Simone, ook geestelijk niet. En ja, ze is joods, maar zelfs de mensen die de moffen komen bestrijden blijken vaak mannen, en die mannen, daar hoort ze niet bij, omdat ze vrouw is. Zodat ze zelfs als de oorlog is afgelopen nog wordt weggestuurd uit het zwembad. Het is immers het jongensuur.

Zelden is de eenzaamheid doordringender beschreven in de Nederlandse letteren als in dit boek. Overal wil Simone bij horen, een man wil ze zijn, en blond, en ruw, en niemand ziet haar zoals ze wil zijn.

Wat me nu trouwens ook opviel: het belang van geuren. Bij allerlei locaties en personen wordt stilgestaan bij hoe ze ruiken: zo'n geur, zoiets dat nauwelijks te analyseren en al helemaal niet te beschrijven valt, dat is natuurlijk de identiteit bij uitstek.

Wat een weergaloos boek.

 

Reacties

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …

Paul Celan. Verzamelde gedichten. Amsterdam: Meulenhoff, 2003.

Met een vertaling van Ton Naaijkens.Dit is het verslag van een mislukking. Paul Celan is een groot dichter die ook in Nederlandgerespecteerde liefhebbers heeft, en door een van hen, de hoogleraar Duits en vertaalwetenschap Ton Naaijkens, in het Nederlands is vertaald. Celans verhaal - dat van een Duitstalige Roemeense Jood die na de oorlog het Duits opnieuw moest uitvinden om een glimp de verschrikkingen op te kunnen schrijven - is indrukwekkend, en zijn Verzamelde gedichten zijn in het Nederlands ongehoord prachtig opgeschreven.Maar het boek ziet er ook uit als een brok geblakerd beton, en het is me niet gelukt om er doorheen te breken. Ik begrijp niet wat ik als lezer verondersteld wordt te doen met een gedicht als:Das umhergestossene
Immer-Licht, lehmgelb,
hinter
PlanetenhäuptenErfundene
Blicke, Seh-
narben,
ins Raumschiff gekerbt,
betteln im Erden-
münder.(Het alle kanten op gestoten
steeds licht, leemgeel,
achter
planetenhoofden.Bedachte
blikken, kijk-
krassen, diep
in het ruimte…