Doorgaan naar hoofdcontent

Mark Boog. De rotonde. Amsterdam: Cossee, 2015

Zelden werd in een roman de ontknoping zo vroeg weggegeven als in deze 'roman in verzen' van Mark Boog. Wanneer een man een heel lang boek onderweg is naar een kruispunt waar hij iemand (de duivel) gaat ontmoeten, en die roman heet 'de rotonde', kun je niet echt zeggen dat het als een verrassing komt dat men op het bedoelde kruispunt rondjes draait. Al helemaal niet als op het achterflap wordt gemeld dat 'het kruispunt – dat zul je altijd zien – verandert in een rotonde'.

Van de ondraaglijke spanning moet deze roman het dan ook niet hebben, ook al klinkt er iedere drie kwatrijnen een refrein dat (met variaties) zo klinkt:

Hij ziet de weg.
Hij buigt het hoofd.
Het onweert in de verte.

Van Dam wil in dit lange gedicht de duivel ontmoeten om zijn ziel te verkopen. Alleen op die manier kan hij misschien nog iets interessants maken van zijn leven, waar hij zich duidelijke halverwege bevindt (er zijn op strategische plaatsen wat verwijzingen naar Inferno). Althans, wat is halverwege op een rotonde?

Hij draait dan ook duidelijk de hele tijd in rondjes rond: het onweer blijft in zekere zin altijd op de verte, want waar Van Dam is, daar is het onweer niet.

Boog heeft heel goede dichtbundels én intrigerende romans geschreven, dus als er iemand bij wijze van experiment zo'n lang gedicht zou moeten kunnen schrijven, is hij het. Het is een wonderlijk boek: het is te lang voor lyriek, zelfs van de wonderlijke Boogiaanse soort, en hoewel er wat aardige bon mots inzitten ('de duivel is een manager' ga ik de komende tijd als mijn motto voeren) gaat het hier duidelijk niet om de individuele sterke regel. Aan de andere kant ontbreekt dus vrijwel iedere spanningsboog – de rotonde doet in die zin wel wat denken aan een roman van Beckett voor de eenentwintigste: een met een refrein, waarbij je kunt zingen.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …

Paul Celan. Verzamelde gedichten. Amsterdam: Meulenhoff, 2003.

Met een vertaling van Ton Naaijkens.Dit is het verslag van een mislukking. Paul Celan is een groot dichter die ook in Nederlandgerespecteerde liefhebbers heeft, en door een van hen, de hoogleraar Duits en vertaalwetenschap Ton Naaijkens, in het Nederlands is vertaald. Celans verhaal - dat van een Duitstalige Roemeense Jood die na de oorlog het Duits opnieuw moest uitvinden om een glimp de verschrikkingen op te kunnen schrijven - is indrukwekkend, en zijn Verzamelde gedichten zijn in het Nederlands ongehoord prachtig opgeschreven.Maar het boek ziet er ook uit als een brok geblakerd beton, en het is me niet gelukt om er doorheen te breken. Ik begrijp niet wat ik als lezer verondersteld wordt te doen met een gedicht als:Das umhergestossene
Immer-Licht, lehmgelb,
hinter
PlanetenhäuptenErfundene
Blicke, Seh-
narben,
ins Raumschiff gekerbt,
betteln im Erden-
münder.(Het alle kanten op gestoten
steeds licht, leemgeel,
achter
planetenhoofden.Bedachte
blikken, kijk-
krassen, diep
in het ruimte…