Doorgaan naar hoofdcontent

Ilja Leonard Pfeijffer. Peachez, een romance. Amsterdam: De Arbeiderspers

Al het werk van Ilja Leonard Pfeijffer gaat over taal. Peachez is niet zijn eerste roman waar een botsing tussen werelden wordt vormgegeven als een botsing zonder taal: zijn Baggerboek is een eerder voorbeeld waar de taal van een geleerde wordt afgezet tegen de taal van een ongeschoolde.

Het gebeurt wel subtieler in Peachez. Beide schrijvers hebben een rijkere woordenschat en zijn ook psychologisch wat minder plat. De hooggeleerde verteller geeft weliswaar toe een groot deel van zijn leven een nogal armoedig gevoelsleven te hebben gehad – zelfs een glas wijn was een uitzondering – omdat hij altijd maar gebogen zat boven het gevoelsleven van dode Romeinen: meneer is classicus, en een heel beroemde. Maar hij heeft dan tenminste wel weet van het bestaan van gevoelslevens, en zijn eigen tekortschieten erin.

Zijn geliefde, Sarah, heeft daarentegen dan wel een wat platte manier van zich uitdrukken, en blijkt bovendien uiteindelijk nep te zijn, een fabricage van een internationale bende criminelen, maar weet ondertussen toch maar mooi haar kwetsbaarheid te tonen en wil vooral ook eigenlijk dolgraag wat leren.

De schrijver laat er tegelijkertijd geen enkele twijfel over bestaan dat beide personages, net als de criminelen die Sarah hebben verzonnen, uiteindelijk allemaal namaak zijn. Sarah Peachez heeft weliswaar de naam van een 'echt bestaande', althans googlebare pornoster, en leeft en werkt in plaatsen met reëel bestaande namen zoals Las Vegas en Curaçao, maar de hooggeleerde blijkt te wonen in een stad met een Murnon-boulevard en ook uit het werk van Murnon te kunnen citeren. Sins Brieven uit Genua weten we dat Murnon de schrijver is van het nationale epos van Mocanië. En dat Mocanië een fantasieland is dat Pfeijffer als kind bedacht.

De 'echte' persoon komt dus uit een niet bestaand land, de fantasiepersoon woont in een echt land. Voor zover Las Vegas echt kan worden genoemd.

Een opvallend aspect van Peachez is nog hoe de liefde met het geloof wordt vergeleken. En hoe gunstig het geloof er daardoor vanaf komt. Wie van iemand houdt, zegt de verteller en daarmee toch ook wel een beetje de schrijver, verzint voor een groot deel zijn geliefde. Ook als hij of zij echt bestaat, houd je uiteindelijk en onontkoombaar toch van het beeld dat je van die geliefde hebt. En daarom is die geliefde uiteindeijk niet nodig, zo min als God nodig is om in Hem te geloven.

Wie in de liefde gelooft, gelooft daarom ook in het geloof. Het verschil is er vooral een van medium. Waar de liefde nog gebruik maakt van op zijn minst het, al dan niet pornografische, beeld, is het geloof daar over het algemeen avers van. Daarvoor geldt alleen de taal.


Reacties

Populaire posts van deze blog

A.F.Th. van der Heijden. Advocaat van de hanen. Querido, 2014 (1990).

Omdat ik deze zomer intensief Van der Heijdens feuilleton President Tsaar op Obama Beach volgde, las ik parallel daaraan ook sommig ouder werk terug: vaak slechts voor een deel, omdat ik me iets herinnerde bij het lezen van het feuilleton, maar sommige boeken heb ik uiteindelijk voor een zo groot deel nagelezen dat ze uiteindelijk ook wel in dit logboekje terecht zullen komen.

Advocaat van de hanen is waarschijnlijk Van der Heijdens meestgelezen boek, omdat het relatief zelfstandig staat van de rest van de cyclus én omdat het ongeveer de structuur heeft van een thriller. Het is allemaal relatief: er wordt eigenlijk onderhuids behoorlijk veel verwezen naar de rest van Van der Heijdens werk, en voor een thriller is het nu ook weer niet zo heel spannend. Hoe de betrokkenheid van Ernst Quispel bij de moord op Kiliaan Noppen precies is, is weliswaar in het begin niet heel erg duidelijk, maar ook geen groot mysterie; en de onthulling van wie nu precies de echte moordenaar is, komt als een so…

Remco Campert. Compact. Amsterdam: Van Oorschot, 2016.

Nu Simon Carmiggelt, Annie M.G. Schmidt en Margo Minco aan de beurt waren geweest, mocht Remco Campert niet ontbreken in de serie Gedundrukt van Van Oorschot, waarin ieder jaar kennelijk een 'meester van de korte baan' wordt geëerd.

Helaas is de selectie, op verzoek van Campert gemaakt door zijn biograaf Mirjam van Hengel, nogal braaf uitgevallen. In de drie afdelingen, met gedichten, verhalen en columns, overheerst een licht melancholische toon en wordt vooral veel autobiografisch of quasi-autobiografisch teruggekeken op des schrijvers jonge jaren. (Althans, er gaat nogal veel over die jonge jaren. In technische zin wordt er natuurlijk niet altijd teruggekeken, omdat sommig werk in die jonge jaren geschreven is.) Er zijn verhaaltjes en gedichtjes over de kindertijd, over de jonge jaren, als jonge student.

Misschien is het omdat Van Hengel met haar onderzoek voor haar eigen boek vooral die periode heeft afgedekt en dus dat deel van het oeuvre goed kent, maar mij ging het op ze…

Leïla Slimani. Chanson douce. Paris: Gallimard, 2015

Gaan Parijse romans de afgelopen decennia inderdaad allemaal over eenzaamheid? Over mensen die verloren lopen in de grote stad? Die langzaam maar zeker in hun eigen wereldje geraken, omringd door miljoenen anderen?

Dan heeft Leïla Slimani dé Franse roman geschreven, een van de mooiste die er in ieder geval in de afgelopen tijd verschenen is. Chanson douce begint met de gevolgen van een vreselijke moordpartij, waarna de spanning zich in 200 pagina's gaandeweg opbouwt. We volgen een echtpaar, Myriam en Paul, die een kinderjuffrouw in dienst nemen als Myriam aan haar juridische carrière wil bouwen. De kinderjuffrouw (of oppas, hoe noem je dat, nounou), Louise, blijkt perfect: ze maakt het huis perfect schoon en de kinderen zijn dol op haar. Myriam en Paul nemen haar zelfs mee op vakantie, naar Griekenland.

Het zijn de ingrediënten voor een horrorverhaal, zij het dat de ware horror meteen komt. Ik neem ook aan dat je hier een succesvolle film van kunt maken, want er gebeurt van alles …