Doorgaan naar hoofdcontent

Christiaan Weijts. Via Cappello 23. Amsterdam: De Arbeiderspers, 2009 (2008)

Christiaan Weijts. Via Cappello 23

Een oio bij Kunstgeschiedenis in Leiden legt het aan met een eerstejaars met kunstzinnige ambities. Ze maken amateurpornofilmpjes die door een jaloers vriendje van de eerstejaars op het internet worden gezet. Een journalist belandt tijdens een opdracht in Venetië in bed bij een medewerkster van een kunstzinnig reisbureau, en brengt daarover een boekje uit. Er is geen privé-leven meer in de wereld van Via Cappello.

Christiaan Weijts is een interessante schrijver, door de manier waarop hij een (een beetje) spannend verhaal weet te doorspekken met allerlei verbazingwekkende theorieën. In zijn eerste roman Art. 285b ging dat bijvoorbeeld over Scarlatti, in dit geval ontvouwt hij onder meer de gedachte dat als je alle schilderijen met een model uit de geschiedenis achter elkaar krijgt, je de ontwikkeling ziet van een amateurpornofilm: in de eerste beelden van enkele honderden jaren geleden zie je een verlegen vrouw, die zich gaandeweg uitkleedt, haar verlegenheid verliest en uiteindelijk bij Degas schaamteloos masturbeert. (Hoe we de ontwikkelingen naar abstractie sinds Degas moeten zien, wordt in deze theorie niet uitgelegd.)

Eergisteren las ik Joost Zwagermans Duel, gisteren las ik deze roman. Er zijn een paar merkwaardige overeenkomsten. Dat geldt voor de beschouwingen over kunst en ook wordt in allebei de boeken een kunstwerk over de grens gesmokkeld (bij Zwagerman door de rechtmatige eigenaar, bij Weijts een uit een museum gestolen kunstwerkje). Ook Weijts is misschien net als Zwagerman uiteindelijk meer een essayist dan een romanschrijver (het is jammer dat we in een tijd leven dat de roman het meeste prestige heeft en mensen met andere talenten soms de verkeerde hoek in drukt). Ook zijn ideeën over de Via Cappello 23, waar werkelijke bestaande geliefden hun namen op de muur schrijven omdat de gefantaseerde Romeo en Julia er wonen, zijn buitengewoon aanstekelijk.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Aafke Romeijn. Concept M. Amsterdam: Arbeiderspers, 2018.

Hava leeft in een wereld die de onze is, maar dan nét een beetje verschoven. Het is geen 2018, maar 2020 en bovendien zijn er sinds de jaren 90 hier in Nederland een paar dingen net een beetje anders gelopen. Een politieke partij heeft bijna de absolute macht gekregen en een ziekte houdt het land ook al tijden in de greep: kleurloosheid. Er worden steeds meer kinderen geboren die lijden aan die ziekte, die de samenleving handen vol geld kost, omdat de kleurlozen voortdurend een heel duur kleurmiddel nodig hebben. Radicaal-rechtse jongeren willen daarom af van al die kleurlozen, die de samenleving ontwrichten.

Hava is één van hen én ze is zelf kleurloos.

Bij zo'n het-had-ook-zo-kunnen-gaan-verhaal doet zich altijd de vraag voor: waarom vertelt iemand dit? Waarom spiegelt iemand ons een wereld voor die lijkt op de onze, maar die net een beetje anders is? Waarom geen ongebreidelde fantasie, of juist een realistisch beeld, maar iets ertussen in? Je kunt het bijna niet lezen zonder au…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …