17.6.07

Siegfried E. van Praag. Jeruzalem van het westen. Den Haag: H.P. Leopolds Uitversmij, 1961.

Een schrijver, Ruben, schrijft in de jaren na de oorlog een boek waarin hij het Joodse leven van het Jeruzalem van het Westen, van Amsterdam, weer tot leven probeert te wekken: van vrolijke kwanten tot eenzame oude vrijsters, van arme sloebers tot magnaten, van niet al te snuggere meisjes tot veelbelovende geleerden. Ruben reist daarvoor langs Londen, Amsterdam en Jeruzalem en spreekt met de achterblijvers die hij her en der vindt.

Ieder hoofdstuk van Jeruzalem van het Westen bestaat uit een min of meer afgerond verhaal over steeds een ander groepje mensen. Die verhalen hebben telkens in grote lijnen dezelfde structuur: de mensen komen onder de getalenteerde pen van Van Praag binnen een bladzijde helemaal tot leven en gaan voor je staan met al hun humor, hun zorgen en hun streken. En tenslotte gaan ze bijna allemaal in de jaren veertig tenonder.

Het viel me op dat het kwaad in dit boek geen gezicht krijgt. De verhalen eindigen doorgaans als de mensen worden opgehaald en naar de Hollandse Schouwburg gebracht, maar zelfs aan degenen die dit doen, wordt geen woord vuil gemaakt. Dat heeft iets moois: de slachtoffers worden tot leven gewekt, maar de daders blijven volkomen anoniem. Tegelijkertijd zorgt die anonimiteit ervoor dat schuldgevoel een opvallende plaats in het verhaal krijgt: de overlevenden voelen zich allemaal schuldig, en ook verteller Ruben lijkt zich af en toe niet aan het gevoel te kunnen onttrekken dat de beste mensen, de aardigste, de knapste, de behulpzaamste gegaan zijn, en dat degenen die achtergebleven zijn dat misschien wel niet verdienden. Bij afwezigheid van de echte schuldigen nemen de onschuldigen een onevenredig deel op hun schouders.

In de afgelopen maanden las ik van Siegfried van Praag ook La Judith en Een schrijver en zijn werk.

Geen opmerkingen: