26.4.14

Jeroen Brouwers. Datumloze dagen. Amsterdam: Rubinstein, 2009 (2007).

Van Jeroen Brouwers heb ik maar weinig gelezen – genoeg om iedere keer te besluiten dat hij niet mijn soort schrijver is. In de ongeveer tien jaar dat ik dit weblog nu bijhoud, blijk ik slechts één keer over hem geschreven te hebben – niet bijster positief.

Dat ik nu Datumloze dagen las, is dan ook alleen maar omdat de Openbare Bibliotheken een app hebben waarop ze gratis wat luisterboeken aanbieden. Daar zit weinig bij dat me nu speciaal meer aantrok dan Jeroen Brouwers. Dus heb ik hiernaar geluisterd, en werd al snel het boek ingetrokken door de sonore stem van Jeroen Willems.

En het speet me vervolgens niet.

Datumloze dagen gaat over een man die op zijn vijfentwintigste min of meer per ongeluk een jongen verwekt bij een vrouw van wie hij uiteindelijk niet houdt; die de jongen af en toe in de veertig jaar erna tegenkomt, zonder dat dit nu leidt tot erg warme gevoelens (integendeel); en die als hij vijfenzestig is op verzoek van die jongen helpt een einde aan zijn door een nare ziekte en het ziekenhuis gesloopt leven een definitief einde te maken.

Het is een ontroerend verhaal en grotendeels geschreven in een fraai, wat gedragen maar niet al te barok Nederlands. Af en toe ligt de symboliek er wat bovenop: de man bezoekt op zeker moment als literatuurdocent een congres waarop gedebatteerd wordt over wat de toekomstige eenheidstaal van Europa wordt. Dat is een volkomen onzinnig soort congres (iedereen spreekt Engels) dat ook helemaal niet lijkt op échte wetenschappelijke congressen, en dat alleen in het leven lijkt te zijn geroepen zodat de schrijver het thema van de moeizame communicatie nog eens kan belichten.

Jeroen Brouwers is niet de grootste schrijver aller tijden aller landen. Zijn personages komen ook voor mij niet helemaal tot leven. Maar Datumloze dagen is wel degelijk een ontroerend verhaal. Ik ben blij dat ik het gelezen heb.

23.4.14

Rüdiger Safranski. Goethe. Kunstwerk des Lebens. Carl Hanser Verlag, 2013.

Ik heb mijn hele leven te weinig van Goethe gelezen. Ik geloof dat van geen enkele andere schrijver ooit het marmeren beeld mij teveel in de weg heeft gezeten als bij hem. Ja, ik ken enkele van zijn klassieke gedichten en sommige daarvan zijn mooi. Zijn Faust heb ik wel gelezen, maar daaraan ergerde ik me (ongetwijfeld vanwege mijn domheid).

Tegelijk staat dat marmeren beeld er, en ik weet dat ik er iets mee moet doen in mijn leven. Dat ik niet om een schrijver van die statuur heen kan, dat ik beter moet begrijpen waarom hij zo groot gevonden wordt.

Misschien dat ik het nog eens moet proberen na deze biografie, bijvoorbeeld met de Wahlverwandtschaften. Het gekke is alleen dat ook deze biografie, net geschreven, door een alom gerespecteerde Duitse Denker und Dichter, me ook niet echt dichterbij Goethe gebracht heeft. Ja, hij wordt geschilderd met al zijn onzekerheden, zijn zwakheden, zijn vertederende trouw aan zijn dode vriend Schiller, zijn bizarre verliefdheid als 72-jarige voor een 17-jarig meisje. En toch wil hij voor mij maar geen mens worden van wie ik inzie dat ik eigenlijk iedere bladzijde moet lezen; of beter gezegd, dat ik het zou moeten, wil ik best erkennen. Maar het vuur wil maar niet ontstoken worden.

Het is knap gedaan, dit Kunstwerk des Lebens – zowel door de schrijver als door zijn onderwerp. Safranski weet je het gevoel te geven dat een paar honderd bladzijden voor dit leven eigenlijk veel te kort zijn, en vertelt alles onopgesmukt maar effectief; waarbij hij de lezer dan ook nog een adequate samenvatting van al het werk ingeeft. En Goethe was inderdaad een levenskunstenaar – iemand die met zijn leven hoog wilde reiken, en zich op velerlei manieren ontwikkelde, als schrijver, wetenschapper, hoge ambtenaar en als mens. Een bewonderenswaardig boek is dit, over een bewonderenswaardige man.

Maar er blijft aan Goethe voor mij altijd teveel marmer kleven, ben ik bang. Waarom dat zo is, weet ik echt niet. In de muziek heb ik er geen last van. Bach of Haydn zijn even indrukwekkende figuren als Goethe lijkt me, maar dat verhindert me niet om van hen te houden. Bij het lezen van Goethe kom ik, ook na deze biografie, misschien toch nooit af van de permanente bijgedachte dat hier iemand bewust aan het werk is om Iets Heel Groots te scheppen. Mensen die dat durven zijn bewonderenswaardig, maar ik kan het niet lezen.

Misschien kom ik er ooit nog toe om dat marmer van hem af te blazen. Ik hoop het eigenlijk, maar ik weet niet of het inderdaad gaat gebeuren.


21.4.14

Herman Koch. Het Diner. Amsterdam: Anthos, 2008

Zelfs de Wikipedia-pagina over Het diner vermeldt het: de New York Times heeft een negatieve recensie gepubliceerd over die roman van Herman Koch; een recensie waarin de schrijver voor de voeten wordt geworpen dat zijn personages zo immoreel zijn - dat de moeder die ontdekt dat haar verwende zoon een zwerver heeft vermoord, opmerkt dat die zwervers toch ook niet allemaal lieverdjes zijn. 

Ik ben pas aan Het diner begonnen toen iedereen in Nederland het jaar al vijf jaar eerder tevreden op het strand had dichtgeslagen. Natuurlijk vind ik die kritiek van de NYT onzin, zoals vermoedelijk iedere Europese lezer. Sinds wanneer moet een roman een morele boodschap uitdragen? Het diner is een roman over zinloos geweld, en blijkt uiteindelijk te gaan over een gezin waarin zinloos geweld voor alle leden de regel is. Vrolijk wordt de lezer daar niet van, maar vrolijk hoeft de lezer ook niet te worden.

 

Tegelijk kan de lezer zich kennelijk wel vrolijk maken over de rare manieren in modieuze restaurants en over hoe slecht 'Nederlanders' zijn, vooral 'Nederlanders in den vreemde', in dit geval in de Dordogne. Ik heb dat soort ergernis altijd wat vreemd gevonden: hoe komt het dat mensen zich aan landgenoten ergeren wanneer deze in het buitenland zijn, maar niet zozeer wanneer ze hetzelfde gedrag in eigen land vertonen? Waar komt uberhaupt het idee vandaan dat in eigen land alles slechter is in vergelijking met de hele wereld? Wat moet, pakweg, een Amerikaanse recensent met de constatering dat het eetgedrag nergens idioter is dan in Nederland? (De recensent lijkt dat overigens voor waar aan te nemen.) Die hele kwestie, die ook al in eerder werk van Koch voorkwam (Eten met Emma) wordt hier niet uitgewerkt.

 

Sowieso is die hele ergernis aan de medemens, het superioriteitsgevoel waarop dat berust, een soort thema van Koch: zinloos geweld tegen stomme mensen kom je regelmatig tegen. Wat zijn dat voor aggressieve gevoelens? In Het diner komt de schrijver er min of meer mee weg door te suggereren dat de hoofdpersoon een of andere psychische afwijking heeft die hem zo aggressief maakt en waarvoor hij eigenlijk medicijnen zou moeten slikken. Maar dat is eigenlijk een flauwe oplossing; zo wordt dat gedrag alsnog een aberratie waarvan de lezer zich desgewenst kan distantiëren.

 

Het bezwaar tegen Het diner lijkt me dan ook bijna het omgekeerde van dat van de recensent van de New York Times: dat de verwerpelijke morele houding teveel op afstand wordt gehouden, wordt gepresenteerd als iets onredelijks, van mensen waarmee een steekje los is, en dat het daardoor uiteindelijk niet echt beangstigend wordt.

20.4.14

Nop Maas. Gerard Reve. Kroniek van een schuldig leven. Amsterdam: Van Oorschot, 2007-2012.

Hoe het leven van Gerard Reve in elkaar gezeten heeft, heb ik, net als iedereen, altijd geweten: de communistische jeugd, het verpletterende succes van de avonden, de drankzucht, Wimie, Tijger, Woelrat, Matroos Vosch, het katholicisme, het ezelsproces, de rechtse praatjes. Wie deze lijst niets zegt, kan zich in Nederland niet geletterd noemen. En over weinig andere schrijvers kun je zo'n lijstje maken: bij Willem Frederik Hermans of zelfs Harry Mulisch kom ik in ieder geval niet zo ver.

Wat dat betreft is het dus wel terecht dat uitgerekend over Reve zo'n dikke biografie bestaat, van samen meer dan tweeduizend pagina's. Het eerste deel vond ik af en toe nog wel wat langdradig, maar dat komt misschien ook doordat het logischerwijs wat minder goed gedocumenteerd is. Het tweede en derde deel heb ik verslonden, al moet ik toegeven dat ik sommige bladzijden met gedoe met uitgevers over centjes heb overgeslagen. (Zulke dingen interesseren me niet eens als het mij eigen financiën betreft, wat moet ik dan met de slimmigheidjes van een dode uitgever ten overstaan van een dode schrijver.)

Door het nu allemaal op een rijtje te zien, krijgt de lezer tóch een wat completer beeld van de grote volksschrijver dan door alleen diens eigen werk te bestuderen: kwetsbaarder vooral, onzekerder over zijn eigen werk. Als rode draad heeft Maas gekozen dat Reve zich vrijwel altijd schuldig voelde, en dat ook veroorzaakte. Zijn rare politieke uitspraken zijn zo te begrijpen, al was hij op het eind van zijn leven geloof ik ook echt wel een wat zuur oud rechts mannetje.

Ondertussen is het werk van Reve vrijwel alleen nog antiquarisch te krijgen. Misschien komt het doordat hijzelf zo weinig loyaal was aan uitgevers, misschien komt het door de persoonlijkheid van zijn erfgenaam Joop Schafthuizen, maar Reves nalatenschap wordt veel minder goed beheerd dan dat van de andere Grote Twee (Hermans heeft zijn Instituut, Mulisch krijgt een Huis). Dat is enorm jammer, want wat mij betreft was hij met al zijn mankementen toch echt een van de grootste, interessantste Nederlandse schrijvers, met een vreemd en boeiend en grillig en consistent wereldbeeld.

En een superieur gevoel voor ironie en stijl. Iemand die, al flink weggezonken in de dementie als bezwaar tegen de eeuwwisseling naar voren brengt dat jaartallen voortaan met 20.. moeten beginnen en dan zegt "zo ben ik niet opgevoed, begrijp je" — zo iemand krijgen we nooit meer terug.