Doorgaan naar hoofdcontent

Berichten

Berichten uit december, 2011 weergeven

Ad Zuiderent. We konden alle kanten op. Amsterdam: Querido, 2011.

Ligt het aan mij, ligt het aan het klimaat in de vaderlandse dichtkunst, of ligt het aan de Poëzieclub? Alle mogelijkheden zijn open, maar ik houd het op de middelste mogelijkheid. De Poëzieclub werkt als een boekenclub: een paar keer per jaar sturen ze alle leden een recente dichtbundel die door een deskundige jury uitgekozen is. Dit is nu de tweede bundel in korte tijd die geschreven is door een zestiger en die terug lijkt te grijpen op klassiek vormen - klassiek in de zin van de oudheid. (De vorige was de bundel van Allard Schröder vorige maand.) Die zestigers, die waren in poeticis de generatie van de ironie: als her rijmde en als het metrisch was, dan was dat grappig. Daar is geen sprake van in We konden alle kanten op. Er wordt trouwens ook niet echt gerijmd en er worden geen sonnetten geschreven. Maar de meeste gedichten zijn wel metrisch, of kun je in ieder geval lezen met een regelmatige afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen, en evenveel voeten in elke …

Philip Roth. Zuckerman unbound. Audible, 2010 (1981)

Zuckerman bound is al minstens het vijftiende boek van Philip Roth dat ik las. Dat is een beetle vreemd, gezien het feit dat Portnoy's complaint niet alleen nog steeds waarschijnlijk Roths beroemdste roman is, maar ook een roman waarop hij vaak teruggrijpt — en dat ik uitgerekend Portnoy's Complaint weinig boeiendvind, een enorme verongelukte scheldpartij op mensen die er ook niets aan kunnen doen door een personage met wie ik niet veel te maken heb.

Zuckerman bound gaat over de jonge joodse schrijver Nathan Zuckerman, die zojuist een boek geschreven heeft dat Carmovsky heet en dat nogal lijkt op Portnoy's Complaint: een boek over een aan seks verslaafde New Arkse joodse jongeman en diens gecompliceerde relatie met zijn jeugd. En Zuckerman bound is prachtig.

Wat heb ik te maken met de problemen van een Amerikaanse schrijver die ineens een uiterst succesvol boek geschreven heeft? Ik deel niet eens zijn mensenhaat en zijn wantrouwen. Roth slaagt er desalniettemin in me zij…

Karl Popper. The open society and its enemies. Princeton UniversityPress, 1971.

Boeken kun je om allerlei redenen lezen. Om de tijd te verdrijven. Om je blikveld te verbreden. Om ontroerd te raken. Maar het mooiste wat een boek kan bereiken is vast: dat het je wereld blijvend verandert.

The open society is wat mij betreft zo'n boek. Met een heleboel was ik het bij voorbaat al eens - bijvoorbeeld met de gedachte dat wetenschappelijke theorieën nooit meer kunnen zijn dan voorlopige benaderingen van de werkelijkheid - maar dat ik het ermee eens was komt misschien door de heilzame invloed die Popper op mijn eigen leraren gehad heeft.

Maar er waren ook een aantal punten waarop ik me door Popper heb laten overtuigen. Ik had bijvoorbeeld nog nooit eerder zo'n heldere uiteenzetting gelezen over waarom we wat er in de samenleving gebeurt, niet zonder meer kunt reduceren tot de psychologie van de individuele leden van die samenleving (net zo min als je per ze die psychologie kunt reduceren tot de neuronen van het individu).

Een ander punt waarop ik me heb laten …

Rob Wilson en Rhena Branch. Cognitive Behavioural Therapy for Dummies. Sussex: John Wiley and Son, 2006.

Wat is de mens toch een wonderlijk wezen. Hoe moet je gelukkig worden? Je moet gezond eten, voldoende bewegen, vrienden maken, creatief zijn, zorgen dat je huis aan kant is, jezelf doelen stellen die ambitieus én haalbaar zijn. En er moet genoeg te lachen zijn. Dat zijn enkele van de lessen van de cognitieve gedragstherapie, een populaire moderne psychologische therapievorm. Althans volgens het boek 'voor domoren' dat ik erover gelezen heb, of om nog preciezer te zijn: volgens de cheatsheet die er voorin zit. Ligt dat allemaal voor de hand? Natuurlijk. Is het moeilijk om te doen? Natuurlijk niet. Waarom is dan niet iedereen gelukkig, of in ieder geval gelukkiger? Dat is een van de raadsels van het menselijke bestaan. Ik heb mijn levenlang een grote afkeer gehad van psychologen — mensen die pretenderen dat ze de menselijke geest kunnen repareren alsof het een apparaatje is. Die weten dat er achter iedere neurose een problematische relatie met je ouders zit, en dat je daar d…

Graham Greene. The end of the affair. Random House, 2010 (1951).

The end of the affair is doortrokken van nostalgie naar jaren die in bijna alle opzichten de erschrikkelijkste waren die Europa ooit heeft meegemaakt: de vroege jaren veertig. Je zal in die jaren maar verliefd zijn geweest op een getrouwd vrouw, je zal in die jaren maar een Londense getrouwde vrouw zijn geweest, verliefd op een ander en zoekend naar God. En je zal bij dat alles, man of vrouw, dan ook nog eens zo tekort schieten dat je wel liefde wil, maar deze niet echt kunt bereiken? Dat je als man een privé-detective achter je ex-minnares moet sturen, zogenaamd om haar man te helpen, maar eigenlijk omdat dit de enige manier is om haar te bereiken? Dat je als vrouw via een prediker van het atheïsme je achter God moet verschuilen omdat je de echte mannen niet aankunt? Op het internet staat een mooie psychologische analyse van het roman, door twee Nederlandse psychiaters (van wie er een ook Nederlands gestudeerd heeft). Ze maken vooral veel duidelijk over Sarah, de vrouw. Haar moeder …

Ramsey Nasr. Mijn nieuwe vaderland. Gedichten van crisis en angst. Amsterdam: De Bezige Bij, 2011.

Ramsey Nasr is sinds een paar jaar de Dichter des Vaderlands. Ik heb hem weleens voor horen dragen en af en toe een gedicht in de NRC gelezen, maar deze bundel was de eerste van hem waar ik me in verdiept heb. Hij blijkt in zijn titel vooral het stuk 'Vaderland' heel serieus te nemen. De vraag is of dat wel echt kan bestaan, een Dichter des Vaderlands. Toen Gerrit Komrij de waardigheid als eerste Nederlander bekleedde, in januari 2000, kon je de naam nog makkelijk als ironisch begrijpen: we leefden nog in een tijd van groot optimisme en een daarmee samenhangende distantie van kwesties als de nationale identiteit. Dat kan kennelijk inmiddels niet meer. Die nationale identiteit is inmiddels een van de belangrijkste zaken die er zijn, als je de moderne politici mag geloven. Het Vaderland is weer uiterst gewichtig geworden. Tegelijkertijd trekt dat Vaderland zich maar weinig aan van de dichters, bundels worden niet meer gekocht en tijdschriften worden afgeschaft. Omgekeerd lat…

S.J. Watson. Voor ik ga slapen. Amsterdam: Anthos, 2011.

Vertaling: Caecile de Hoog Ik heb geen principes als ik lees. Zojuist heb ik zojuist voor het eerst het label 'thriller' aangemaakt voor dit bericht op mijn weblog. Omdat ik al jarenlang nauwkeurig ieder boek dat ik uitgelezen heb hier beschrijf, kan ik toch wel concluderen dat ik zelden thrillers lees. Maar dat is niet omdat ik een principieel bezwaar heb tegen zulke boeken: ze interesseren me alleen kennelijk niet genoeg om er vaak naar één te grijpen. Met Voor ik ga slapen was dat om twee redenen anders. In de eerste plaats: het werd een paar weken geleden om niet helemaal duidelijke redenen (reclame? menslievendheid?) gratis aangeboden op de website van de NRC. In de tweede plaats gaat het over een onderwerp dat mij enorm interesseert: het geheugen. Het verhaal is voor een deel geïnspireerd door het lot van Clive Wearing, de Britse musicus die geen enkele herinnering meer opslaat en daardoor voortdurend het gevoel heeft dat hij nu net wakker geworden is en eindelijk wee…

Jeroen Brouwers. Mijn Vlaamse jaren. Amsterdam: De Arbeiderspers, 1978.

Deze week bestaat het Vlaamse tijdschrift Over taal vijftig jaar en ik ga daarom in Gent iets vertellen over hoe er in Nederland vijftig jaar lang naar de taal in Vlaanderen gekeken is. Ter voorbereiding daarop las ik Jeroen Brouwers. Dat viel niet mee. In de jaren zestig en zeventig bestond er nog geen internet. Wat moest men toen met de sentimenten die je nu overal in het commentaar-doosje onder willekeurig welk artikel kwijt kan? Men noemde die polemiek en publiceerde hem in kranten of bij De Arbeiderspers. Zowel schrijver als lezer kregen dan het prettige gevoel dat er iemand eens even flink de waarheid werd gezegd, zonder dat de aanleiding nu verder zo vreselijk belangrijk was. Bovendien: het was 'mooi' opgeschreven, en dus diende je ook nog een hoger cultureel doel met je leedvermaak. De eerste twee delen van Mijn Vlaamse jaren ('Groetjes uit Brussel' en 'Zonder trommels en trompetten') zijn nog saai, al bieden ze een aardig inkijkje in de geest van d…

Peter d'Hamecourt. Vladimir Poetin. Het koningsdrama. Schoorl: Conserve, 2011.

Wie is de man toch die in Rusland nu al bijna twaalf jaar aan de macht is, en zich opmaakt om vandaag (met de verkiezingen voor de Doema) een nieuwe periode van nog eens twaalf jaar in te luiden die dan volgend jaar zou moeten beginnen? Wat drijft hem? Je weet het niet, en je komt er ook niet echt achter als je Peter d'Hamecourts informatieve boek Vladimir Poetin. Het koningsdrama leest. D'Hamecourt heeft, zonder overdrijving, geen goed woord over voor Poetin, maar eigenlijk ook niet heel veel slechte woorden. Ja, 'onbeschaafd' en 'meedogenloos', en vooral dat laatste is natuurlijk al erg genoeg voor de leider van een land. Verder duikt het beeld op van een man die weinig opheeft met het gedoe van democratie, die gemakkelijk is in de dagelijkse omgang, die van mooie kleren houdt. Maar wat drijft hem dan? Waarom wil hij zo graag zo absurd veel macht hebben? Ik krijg niet de indruk dat hij nu persoonlijk enorm bloeddorstig is - hij is toch vooral enigszins niet…

Robert Alter. The Five Books of Moses. New York / London: W.H. Norton, 2004.

Van de 'vijf boeken van Mozes' — het begin van de bijbel, de Pentateuch, de Torah — had ik alleen Genesis ooit helemaal gelezen. En dat dan meteen een paar keer, want Genesis, dat is voor mij het oude testament: vol wonderlijke verhalen over een tijd dat de gehele mensheid nog één familie is, die opgroeit in een wonderlijk verbond met een God die zij niet hebben uitgekozen maar die hen omgekeerd 'verkoren' heeft. De andere vier boeken Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, had ik nooit helemaal uitgelezen: te taai, met al die regels, die eindeloze beschouwing over hoe het Tabernakel volgens God gemaakt moet worden en daarna hoe het door de Joden wordt gemaakt (precies zoals God zei dat het moest). Wel kocht ik een jaar of zes geleden via internet deze Amerikaanse vertaling, die toen net verschenen was, omdat hij me ideaal leek: gemaakt door een echte geleerde, iemand die uitstekend Hebreeuws lijkt te kennen en tegelijkertijd een letterkundige is. En dan nog hee…