30.7.12

Karel van het Reve. Uren met Henk Broekhuis. Amsterdam: Amsterdam University Press, 2006 (1979)

De meeste Nederlandse schrijvers raken, zo wordt algemeen beweerd, na hun dood snel vergeten. Er is zeker de laatste jaren een soort explosie van openbaar verdriet en aanhankelijkheid vlak na hun sterven, en daarna wordt het werk opgeborgen in een bibliotheek, voortaan het domein van specialisten. Ik geloof dat dit niet aan de hand is met Karel van het Reve.

Sterker nog, bijna het omgekeerde lijkt te gebeuren. Van het Reve wordt omarmd in de kranten, hij wordt door hedendaagse schrijvers als Arnon Grunberg en columnisten als Theodor Holman genoemd als belangrijk voorbeeld. Het zou me niet verbazen als hij binnen een paar jaar beter gelezen wordt dan zijn broer Gerard die (ik zeg het er maar bij) tijdens hun beider leven zonder enige twijfel als de belangrijke schrijver werd gezien.

Ik ben bang dat dit komt doordat Van het Reve zo toegankelijk is en daarbij ook nog een aardige truc toepaste: hij beweerde dat toegankelijk schrijven vaak wordt misverstaan, dat mensen denken dat toegankelijkheid gebrek aan diepzinnigheid betekent, dat toegankelijk schrijven juist enorm moeilijk is, en nastrevenswaardig. Dat laatste is vast waar, maar met die eerste mededelingen wordt een valstrik neergezet: het wordt bijna onmogelijk om te zeggen dat Van het Reve inderdaad nogal oppervlakkig was.

Toch is dat volgens mij wel zo.

Een paar jaar geleden is zijn Uren met Henk Broekhuis opnieuw digitaal uitgegeven, een verzameling stukjes waarin hij zogenoemde opinions chics kritisch bespreekt - meningen die iedereen kritiekloos van elkaar overneemt, zoals dat schrijvers de taal verrijken of dat je iets pas echt begrijpt als je er de historische achtergrond van kent.

Mij valt in de eerste plaats de, al dan niet gespeelde, achteloosheid op als het gaat om feiten en bronnen. Voortdurend maakt de schrijver melding van het feit dat hij nu even niet meer weet van wie een bepaald citaat ook weer is, of hoe een bepaalde figuur ook weer heet. Het is een soort gespeelde nonchalance, maar natuurlijk ook een waar je echte nonchalance makkelijk achter kunt verbergen. Ik houd toch meer van stukken waarin het niet draait om de gespeelde onnozelheid van de auteur, maar je iets meer controleerbare eigenschappen krijgt voorgeschoteld. (Mijn favoriete voorbeeld: een artikel van een paar jaar geleden in de New Yorker, waarin de schrijver liet zien dat er geen enkele rationele reden is om te denken dat er een verband bestaat tussen het koud hebben en verkouden worden. Met zeer leesbare en goed geformuleerde samenvattingen van de wetenschappelijke literatuur. Ik weet niet meer wanneer het precies verscheen, dat moet u zelf maar opzoeken.)

Daar komt bij dat je met die opinions chics natuurlijk een makkelijke prooi hebt: het zijn weliswaar zaken die mensen min of meer geloven, maar waar niemand echt verantwoordelijkheid voor wil nemen en waarmee je de lezer, die het pas zelf nog dacht, dus makkelijk kunt laten lachen om de onnozelheid van al die mensen die zoiets geloven.

Ten slotte valt me op, hoeveel overbodigs er eigenlijk in die stukken staat. Vooral het aantal voorbeelden waarin een bepaalde opinion in het belachelijke wordt getrokken houdt maar niet op. 'Je kunt de feiten niet begrijpen als je de achtergronden niet kent.' Van het Reves bezwaar is dat je dan aan die achtergronden ook weer de achtergronden zou moeten kennen (alsof er geen verschil is tussen kennen en begrijpen, maar enfin.) En dan volgt er een eindeloze opsomming van feiten met achtergronden en de vraag wat de achtergronden zijn van die achtergronden.

Ja, zeggen nu de Revianen, maar het gaat om de kostelijke stijl waarin het verpakt is! Accoord, zeg ik, kostelijk, kostelijk, maar door die bijzonder levendige en begrijpelijke stijl moeten we niet gaan denken dat er iets diepzinnige werd gezegd.

29.7.12

Nikos Kazantzakis. Christ Recrucified. London: Faber and Faber, z.j. (1946)

Vertaling: Jonathan Griffin
In een Grieks dorp in Anatolië wordt iedere zeven jaar een passiespel gehouden. Ook voor dit jaar, vermoedelijk ergens in 1918 of 1919, hebben de notabelen van het dorp een selectie gemaakt van de dorpelingen die Jezus en de voornaamste apostelen (Johannes, Jacob, Petrus, Judas) mogen spelen. Ze drukken hun op het hart dat ze tot de volgende Pasen zich dan ook wel waardig moeten gedragen.
De jonge mannen die de opdracht krijgen, nemen hun taak echter serieuzer dan de bedoeling was. In plaats van braaf over de gebaande paden van de notabelen te wandelen, beginnen ze écht Jezus na te volgen - de revolutionaire Jezus, die opkomt voor de armen en de verdrukten, die zelf het wereldse verzaakt en niet bang is om zijn leven op het spel te zetten om anderen te redden. Langzaam maar zeker keren de notabelen, en dan vooral de lokale, volgevreten pope, zich tegen hen. Manolios, de man die Jezus zou spelen wordt voor bolsjewiek uitgemaakt, geëxcommuniceerd, en uiteindelijk door een door de pope opgehitste massa gelyncht.
Wat heb ik van dit boek genoten. Ik houd toch al veel van Kazantzakis (van wie ik eerder The last temptation, Zorba de Griek en Brief aan El Greco las), maar geen van die eerdere boeken maakte zoveel indruk op me als Christus Herkruisigd. Als ik het goed heb, worden Kazantzakis' boeken in het Nederlands allang niet meer gekocht. Wat is dat toch jammer, want wat gun ik veel lezers dit boek.
Weinig schrijvers hebben laten zien hoe verontrustend de christelijke boodschap eigenlijk nog steeds is, of een verhaal opgezet met zoveel lagen (je voelt bijvoorbeeld op de achtergrond ook nog eens de dreiging van de Turkse overheid die alle Grieken in de vroege jaren twintig het land uit gaat gooien, vandaar dat het verhaal zonder dat er een jaar genoemd wordt zo precies te plaatsen valt: ergens tussen de Russische Revolutie en Atatürk).
Het verhaal heeft bovendien een Shakespeareaanse verzameling karakters die je nooit zal vergeten: de vertegenwoordiger van het Turks gezag en zijn vriendje Youssefaki, de vrouw van de gierigaard die de moed maar heeft opgegeven om ooit nog iets tegen haar man te zeggen en daardoor alleen maar doods weet te breien, de weduwe die iedere man in het dorp die daar behoefte aan heeft ontvangt en daarom Maria Magdelana mag spelen. Zelfs Maniolos, de Jezus-figuur, krijgt zo reliëf.
Het wordt steeds moeilijker om volgende titels van Kazantzakis te vinden. In zijn tijd werd hij geprezen door mensen als Camus (die vond dat hij de Nobelprijs had moeten krijgen) en Thomas Mann (die op de achterflap van Christ Recrucified het boek de hemel in prijst), maar ook internationaal krijgt Kazantzakis lang niet de aandacht die hij, als een van de interessantste auteurs van de twintigste eeuw, verdient.