26.10.16

Julie Schumacher. Dear Committee Members. London: The Friday Project, 2015 (2014)

Het is een briljant idee: een roman in de vorm van aanbevelingsbrieven. Jay Fitger is een professor in creative writing aan een Amerikaanse universiteit ('Payne') en schrijft inmiddels meer van dat soort brieven – voor studenten, ex-studenten en collega's –dan dat hij aan zijn romans werkt. En dus volgen we zijn wederwaardigheden gedurende enkele maanden in 2009-2010 aan de hand van de brieven.

Het is voor het genre natuurlijk dan wel nodig dat die Fitger een enigszins excentrieke aanbevelingsbrievenschrijver is, die zijn epistels lardeert met allerlei persoonlijke ontboezemingen. Wat daarbij helpt is dat hij soms iemand moet aanbevelen bij zijn ex-vrouw, of bij de vrouw die hij ooit vreselijk beledigd heeft met zijn satirische debuutroman (een campus novel, natuurlijk), of dat hij omgekeerd een vrouw met wie hij een paar keer naar bed is geweest moet aanbevelen voor een baan bij een andere, volgens hem minder goede, universiteit.

Het is allemaal heel grappig en knap gedaan, maar uiteindelijk ontbreekt er toch een soort spanning. Die Jay is net niet gek genoeg, en de verhalen die er geweven worden door de geschiedenis net niet aangrijpend genoeg. Het zijn er twee: een van een protégé in wie Jay veel van zichzelf lijkt te herkennen en die hij steeds wanhopiger voor allerlei baantjes her en der aanbeveelt, omdat hij ooit zo'n groot romanschrijver zal worden (en die uiteindelijk op verdachte wijze om het leven komt). En een over een ex-medestudent die ook een veelbelovende schrijver was tot hij stilviel,

Maar geen van die verhalen is krachtig genoeg opgezet om een tegenwicht te kunnen bieden tegen klachten over de permanente overlast van verbouwingen die nodig zijn om de economen van de universiteit een nog betere werkplaats te bieden, Jays enorme afkeer van het bedrijfsleven en van de computerondersteuning op de universiteit, enz.

Die zijn allemaal grappig, het is allemaal heel slim gedaan, maar het is net te weinig voor 180 pagina's, voor mijn gevoel.


23.10.16

Ivan Jablonka. Laëtitia ou la fin des hommes. Paris: Éditions du Seuil, 2016.

In de nacht van 18 op 19 januari 2011 werd Laëtitia Perrais vermoord. Of ik daar in Nederland iets van heb meegekregen, kan ik niet eens meer zeggen. In Frankrijk leidde de moord een paar weken lang tot grote ophef, maar het is heel wel mogelijk dat het faits divers niet echt op mijn leestafel is gekomen. En zo wel, dat het mij dan is ontgaan.

In zijn nieuwe boek Laëtitia ou la fin des hommes doet de historicus en socioloog nu iets interessants en belangrijks: hij probeert Laetitia meer recht te doen dan het faits divers ooit deed, door niet alleen zo precies mogelijk te beschrijven wat er met haar gebeurd is, maar die gebeurtenissen ook in een sociologische context te plaatsen, nauwkeurig en kritisch te bezien wat een en ander ons zegt over de politiek, en het verhaal ook op zichzelf te betrekken.

Laëtitia was een meisje van negentien, die op een dag waarop ze zich net wat ongelukkig voelde een psychopaat van dertig tegenkwam, die haar een middag en een avond lang met lieve woordjes en attenties verraste, en haar in de erop volgende nacht vermoedelijk tot seks dwong en in ieder geval vermoordde en in stukken sneed.

Maar er was meer aan de hand, laat Jablonka zien. Laëtitia en haar moordenaar, Tony, deelden een zeer ongelukkige geschiedenis van geweld in het eigen gezin, eenzaamheid en andere ellende van de Franse (blanke) onderklasse. Laëtitia zat in een soort pleeggezin, samen met haar tweelingzus. Het leven van Laëtitia en van Tony was zo ongelooflijk anders dan dat van een Parijse hoogleraar als Jablonka dat het raar is om te beseffen dat ze in dezelfde tijd in hetzelfde land leefden.

Bovendien kreeg het verhaal al snel ook een politieke lading, omdat president Sarkozy al een paar dagen na het gebeurde impliceerde dat het de schuld was van de rechters die Tony te vroeg hadden vrijgelaten, hoewel deze tot dat moment nog geen aanrandingen of moorden had gepleegd (hij had in de gevangenis gezeten voor roof en diefstal). Hierop ontstond een enorm tumult in de samenleving, waarin ook Laëtitia’s pleegvader een belangrijke rol speelde. Die pleegvader werd een paar maanden later door enkele pleegkinderen, waaronder Laëtitia’s tweelingzus, ervan beschuldigd dat hij zich aan hen vergrepen had.

Laëtitia ou la fin des hommes is daarmee onder andere een interessant boek over populisme, over de tweedeling in de samenleving, over de manier waarop mannen met vrouwen omgaan en veel meer. Het laat daarmee goed zien wat Jablonka wil: dat academici iets bij te dragen hebben aan de samenleving, door de zaken net wat dieper uit te pluizen. Wij aan de ene kant van de maatschappelijke kloof weten steeds minder over hen aan de andere kant. We zien ze weleens voorbij komen in als fait divers (een van de ernstigste scheldwoorden die Jablonka kent) in het nieuws, waaruit ze na een paar weken weer verdwenen zijn. Laten we ons eens in wat van die levens verdiepen, bedenken wat het eigenlijk betekent over wie zij zijn, wie wij zijn. En een monument voor ze oprichten dat groter is en waardiger dan wat zij ooit voor zichzelf zouden bouwen, wat wij ooit voor onszelf zouden bouwen.


16.10.16

Ben Coates. Why the Dutch are different. Into the hidden heart of the Netherlands. London: Nicholas Brealy, 2016.

Boeken over landen zijn onzin. Een of andere buitenlander vestigt zich een tijdje in een land en beschrijft dan zijn ervaringen alsof die prototypisch zijn voor 'de' Griek of 'de' Panamees. Alsof zo iemand dat kan weten. Alsof zo'n 'de' inwoner van een land bestaat. Vaak ziet zo'n schrijver ook ieder verschil tussen gewoonten in zijn eigen land en die in het land waar hij is als kenmerkend voor de laatste (alsof het niet ook kenmerkend kan zijn voor zijn eigen land).

Om dat te beseffen moet je af en toe waarschijnlijk een boek lezen over je eigen land, zoals Why the Dutch are different van de Britse schrijver Ben Coates. Zo denkt Coates dat álle Nederlanders niets liever doen dan de hele tijd met vreemdelingen een praatje aanknopen. Verlegen Nederlanders bestaan niet, beweert hij. Tja. Laten we zeggen dat ik toch best wat verlegen mensen ken; dat ikzelf mijzelf als Nederlander beschouw, maar lang niet altijd verlegen zit om een praatje. En dat ik juist in Engeland soms verbaasd ben over hoe leuk Engelsen kletsen vinden.

Coates brengt het omdat het hem opvalt dat Nederland (hij woont er zelf, met een Nederlandse vrouw, over wie hij niet veel meer weet te vertellen dan dat ze 'mager' is) zo'n dichtbevolkt land is en de Nederlanders daar best mee kunnen leven. Dat is op zich ook al iets onzinnigs, voor iemand die uit Londen komt, dat nog veel dichtbevolkter is, zonder dat men er bij mijn weten de hele dag schermutselingen zijn. Nee, Londen is geen land. Nou, en?

Coates hanteert bovendien voor zijn boek een sjabloon dat heel gebruikelijk is in dit soort boeken: hij beschrijft hoe hij een reisje maakt – een wandeling door Dordrecht, een treinreis door Limburg en Brabant tijdens carnaval – en die beschrijving mixt hij dan met algemene beschouwingen over het land en geschiedenis. Die geschiedenis is overigens best aardig gedaan, het is het beste ingrediënt van het programma, maar die algemene beschouwingen zijn allemaal dus nogal overdreven – de lokale inwoners in zo'n boek moeten nu eenmaal excentriek zijn – en de kaderreisverhaaltjes zijn niet zo interessant omdat Coates eigenlijk echt individuele mensen beschrijft die hij tegenkomt of écht iets interessants of opvallends meemaakt.

Het is het soort boek dat je doet beseffen dat je dit soort boeken eigenlijk niet moet lezen.


8.10.16

Erik Jan Harmens & Ilja Leonard Pfeiffer. Duetten. Amsterdam: Lebowski, 2016.

Ik kan nog steeds slecht tegen wat taalkundigen code switching noemen: tijdens een gesprek, of zelfs binnen een zin ineens overschakelen van de ene naar de andere taal. Met de meeste mensen die ik ken en met wie ik verschillende talen deel vind ik het prettig als er een – meestal onuitgesproken – afspraak bestaat over welke taal we spreken, zodat daarover niet onderhandeld hoeft te worden en zodat we ook niet hoeven te wisselen. Ik heb trouwens het gevoel dat dit voor de meeste gesprekspartners ook geldt.

Met het lezen van correspondenties heb ik misschien om die reden al snel problemen. Ik schakel zelfs inhoudelijk liever niet al te vaak. Als een correspondentie uit lange brieven bestaat, gaat het: ik lees eerst een paar pagina's in deze stem, en dan een paar in die stem. Maar als er periodes zijn waarin korte berichten worden uitgewisseld, dan sla ik die over. Zo snel kan ik niet schakelen. Bij brievenromans heb ik dat probleem trouwens niet: dan weet ik dat er één auteur is en stoort mij al dat heen-en-weer niet.

Duetten, de gezamelijke bundel van Erik Jan Harmens en Ilja Leonard Pfeijffer, vind ik daarom moeilijk te lezen. Het zijn gedichten die volgens de verantwoording in e-mailcorrespondentie zijn ontstaan: de ene dichter stuurde de ander een paar regels, waar die ander dan weer op reageerde. Bovendien kiezen de dichters voor heel andere stijlen: Pfeijffer voor de gepaard rijmende alexandrijnen die hij bijna tot zijn handelsmerk lijkt te maken, Harmens tot een veel vrijer vers, dat een heel enkele keer zich een beetje aanpast aan die alexandrijnen (alsof iemand voor de vorm zijn Nederlands met een Engels accent begint te spreken), maar over het algemeen is hij veel, veel vrijer: regels van zeer wisselende lengte, zonder metrum en meestal zonder eindrijm.

En ik vind dat ontzettend moeilijk te lezen. De heren reageren op elkaar, laten merken dat ze zien wat de ander wil, of niet, dagen elkaar uit, beuren elkaar op; maar het blijven twee heren, die ieder in een eigen poëtisch universum zitten en het lukt mij nauwelijks of niet om de hele tijd te schakelen van de een naar de ander. Ik kan het daardoor alleen heel oppervlakkig lezen, als een spelletje, als een slam op papier. Er zit misschien meer in, maar door een beperking van mij (ongetwijfeld een beperking van mij), haal ik dat er niet uit.