18.2.17

Ilja Leonard Pfeijffer. Peachez, een romance. Amsterdam: De Arbeiderspers

Al het werk van Ilja Leonard Pfeijffer gaat over taal. Peachez is niet zijn eerste roman waar een botsing tussen werelden wordt vormgegeven als een botsing zonder taal: zijn Baggerboek is een eerder voorbeeld waar de taal van een geleerde wordt afgezet tegen de taal van een ongeschoolde.

Het gebeurt wel subtieler in Peachez. Beide schrijvers hebben een rijkere woordenschat en zijn ook psychologisch wat minder plat. De hooggeleerde verteller geeft weliswaar toe een groot deel van zijn leven een nogal armoedig gevoelsleven te hebben gehad – zelfs een glas wijn was een uitzondering – omdat hij altijd maar gebogen zat boven het gevoelsleven van dode Romeinen: meneer is classicus, en een heel beroemde. Maar hij heeft dan tenminste wel weet van het bestaan van gevoelslevens, en zijn eigen tekortschieten erin.

Zijn geliefde, Sarah, heeft daarentegen dan wel een wat platte manier van zich uitdrukken, en blijkt bovendien uiteindelijk nep te zijn, een fabricage van een internationale bende criminelen, maar weet ondertussen toch maar mooi haar kwetsbaarheid te tonen en wil vooral ook eigenlijk dolgraag wat leren.

De schrijver laat er tegelijkertijd geen enkele twijfel over bestaan dat beide personages, net als de criminelen die Sarah hebben verzonnen, uiteindelijk allemaal namaak zijn. Sarah Peachez heeft weliswaar de naam van een 'echt bestaande', althans googlebare pornoster, en leeft en werkt in plaatsen met reëel bestaande namen zoals Las Vegas en Curaçao, maar de hooggeleerde blijkt te wonen in een stad met een Murnon-boulevard en ook uit het werk van Murnon te kunnen citeren. Sins Brieven uit Genua weten we dat Murnon de schrijver is van het nationale epos van Mocanië. En dat Mocanië een fantasieland is dat Pfeijffer als kind bedacht.

De 'echte' persoon komt dus uit een niet bestaand land, de fantasiepersoon woont in een echt land. Voor zover Las Vegas echt kan worden genoemd.

Een opvallend aspect van Peachez is nog hoe de liefde met het geloof wordt vergeleken. En hoe gunstig het geloof er daardoor vanaf komt. Wie van iemand houdt, zegt de verteller en daarmee toch ook wel een beetje de schrijver, verzint voor een groot deel zijn geliefde. Ook als hij of zij echt bestaat, houd je uiteindelijk en onontkoombaar toch van het beeld dat je van die geliefde hebt. En daarom is die geliefde uiteindeijk niet nodig, zo min als God nodig is om in Hem te geloven.

Wie in de liefde gelooft, gelooft daarom ook in het geloof. Het verschil is er vooral een van medium. Waar de liefde nog gebruik maakt van op zijn minst het, al dan niet pornografische, beeld, is het geloof daar over het algemeen avers van. Daarvoor geldt alleen de taal.


Peter Singer. The Most Good You Can Do. How Effective Altruism Is Changing Ideas About Living Ethically. New Haven and London: Yale University Press, 2015.

Sommige Gutmenschen onder ons rommelen maar wat aan. Ze geven nu eens aan dit goede doel en dan aan dat. Ze schrijven vrome kreten op Twitter. Ze verspillen uren van hun tijd aan eindeloze vergaderingen om een bepaalde paragraaf in het verkiezingsprogramma van de Partij voor de Dieren juist te formuleren.


Zij zouden The Most Good You Can Do moeten lezen. Dat is een recent boek waarmee de Australische filosoof en dierenactivist Peter Singer onze manier van kijken naar 'het goede leven' radicaal wil veranderen.

Wie goed wil leven, zegt Singer, moet alles in dienst stellen van het opheffen van het lijden. En hij moet dat bovendien zo efficiënt doen, door bijvoorbeeld zo snel mogelijk carrière te maken bij een bank, en keihard te onderhandelen over een torenhoog salaris. En dan 80% van dat geld weg te geven, aan op een rationele manier gekozen goede doelen.

Roofkapitalistische bank

Stel, je hebt de keuze, zegt Singer. Je kunt bij een goededoelenorganisatie gaan werken of bij een bank. Bij die goededoelenclub kunnen ze vast iemand vinden die het werk ongeveer even goed doet als jij. Maar als je bij die bank gaat werken, kun je scheppen met geld verdienen waardoor de goededoelenclub uiteindelijk zelfs meer mensen zou kunnen aannemen. Singer bepleit met zijn boek, kortom, 'effectief altruïsme', een zo rationeel mogelijk je leven in dienst stellen van het op grote schaal verbeteren van de wereld. Het is een soort kapitalistische vorm van Gutmenschendom: alle middelen zijn veroorloofd om de wereld te verbeteren. Waar de meeste levensfilosofieën als primaire morele regel hebben 'Do no harm', stelt Singer dat daar een regel boven moet komen 'Do the most good'. Je kunt best bij een roofkapitalistische bank gaan werken die mensen uitbuit; zolang het goede dat je daardoor kunt doen het leed van die mensen maar overstijgt.

Je buurvrouw

Je moet kortom de hele tijd calculeren. Als ik 100.000 euro heb, kan ik dan beter 1000 blinden in de Derde Wereld genezen, of 100.000 malarianetten kopen en distribueren? (Dat je armen in het Westen eerst zou moeten helpen, vindt Singer sowieso sentimentele onzin. Die armen zijn veel te duur. Voor hetzelfde geld kun je de levens van zoveel mensen elders redden.) Daarvoor is dus nodig dat je op de een of andere manier het leed kunt kwantificeren. In de praktijk komt het er dus op neer dat je op de een of andere manier alles vertaalt in geldbedragen. "Effectieve altruïsten", schrijft Singer, "neigen ertoe om zaken als rechtvaardigheid, vrijheid, gelijkheid en kennis niet te zien als inherent goed, maar als goed vanwege het positieve effect dat ze hebben op sociaal welzijn." Dat lijkt me een kernzin, onder andere vanwege het 'inherente goed' dat sociaal welzijn kennelijk heeft. Singer bepleit een rationele vorm van ethiek. Een vorm waarbij het verstand (100 mensen redden die je niet kent) zegeviert boven het gevoel (je buurvrouw wat geld toestoppen zodat ze haar wasmachine kan laten repareren). Maar uiteindelijk valt natuurlijk niet te beredeneren dat het opheffen van het lijden meer waard is dan vrijheid.

Onze mond houden

Dat blijkt ook al uit het laatste hoofdstuk van The Most Good You Can Do, dat gaat over het afwenden van een wereldwijde catastrofe. Als het doel echt alleen maar het voorkomen van lijden is, zou je ook alle atoombommen die we als mensheid hebben allemaal tegelijkertijd over de hele wereld tot ontploffing brengen, zodat we collectief zelfmoord plegen en daarmee alle dieren die ook maar enigszins lijden zouden kunnen voelen met ons meenemen. Dan is dat probleem voor altijd opgelost. Tenzij er elders in het heelal intelligent leven ontstaat –maar dat moet dan maar voor zichzelf zorgen. Tegelijkertijd is zulke kritiek ook wel weer een beetje gemakkelijk. Singer schijnt wel min of meer naar de door hem gepredikte regels te leven en dus een groot deel van zijn salaris weg te geven aan goede doelen. Zolang onze eigen inzet niet is om onze eigen waarden zoveel mogelijk te verwerkelijken, moeten we waarschijnlijk onze mond houden.

5.2.17

Marjolijn Februari, De literaire kring. Amsterdam: Prometheus, 2007.

De literaire kring van M. Februari is een boek van voor de klap, een boek over onschuldiger tijden. Het verscheen tien jaar geleden, in 2007, en gaat over de nasleep van gebeurtenissen van nog eens tien jaar eerder. In 2007 was zo ongeveer iedereen het erover eens dat 'wij van de elite' in de tweede helft van de jaren negentig wel erg naïef waren geweest. Wat een hoerastemming had er geheerst over hoe goed Nederland het deed! Had premier Kok, het saggerijnige boegbeeld van die elite, op zeker moment niet in de Kamer voorgesteld om nu maar de wave te doen met zijn allen? En moest daarvoor niet onder allerlei tapijten worden geveegd wat een schandelijke uitwerking onze successen hadden op het leven daarbuiten? En had 9/11 ons niet sowieso wakker geschud?

Schandaal

De leden van de literaire kring waarover Februari's roman gaat verwijzen in ieder geval regelmatig naar 9/11. In de tijd die daarna komt moet je niet meer komen aanzetten met onbenullige niemendalletjes. Diepgravende boeken willen ze lezen. Boeken waarin je de mens in al zijn diepte leert kennen. Boeken die geëngageerd zijn en de grote problemen aangrijpen. Behalve, zo blijkt al betrekkelijk snel, als die grote problemen hen echt en persoonlijk betreffen – als het desbetreffende boek misschien weleens zou kunnen blootleggen hoe corrupt ze zelf tien jaar geleden zijn geweest, toen een lid van de leesclub zonder scrupules vervuilde glycerine aan Haïti verkocht zodat daar tientallen kinderen stierven na een hoestdrank te hebben genomen waarin die glycerine zat. Februari's boek is een interessante ideeënroman die onder andere gaat over de vraag wat literatuur eigenlijk betekent. Heeft het zin om schandalen in een boek aan de orde te stellen? Vooral als degenen die dat boek lezen hun literaire smaak vooral gebruiken om zichzelf en hun omgeving te bevestigen in hun goede smaak en hun morele kracht? En het boek stelt ook zelf een schandaal aan de orde.

Vloeiend

Tegelijkertijd is dit boek in het voorjaar van 2007 verschenen. Dat was voor de grote klappen op de beurs, die de corruptie van de elite pas echt voor iedereen in het westen – zelfs voor die elite zelf – voelbaar heeft gemaakt. We weten inmiddels ook dat zelfs dit nauwelijks tot ingrijpen heeft geleid in het bankwezen of andere corrupte groepen in de samenleving. Terwijl tegelijkertijd 'de elite' wel enorm verdacht is gemaakt door politici en bepaalde nieuwe media, waarbij geen verschil wordt gemaakt tussen economische en culturele elite. Die verdachtmakingen zijn niet eens helemaal onterecht, zoals dit boek laat zien. Iedereen die pretendeert alleen maar lid te zijn van de culturele elite, alleen maar kunstenaar en geen enkel deel te hebben aan de puissante rijkdommen van de Zuidas, bedriegt zichzelf. Die elites lopen wel degelijk vloeiend in elkaar over.

Vergiftigd

Maar Februari maakt, achteraf bezien, nog meer nuances zichtbaar. Dat het ook onzin is om te denken dat de opstand van de 'gewone man' tegen de elite er een is van het platteland tegen de verwende stadsbestuurder. De leden van de literaire kring wentelen zich juist behaaglijk in het dorpsleven in het midden van het land: op zaterdag lopen zij in hun dorpskern rond als gewone mannen, bij de bakker en de slager, met in hun binnenzak hun mobieltje (dit was de tijd van net voor de smartphone) dat hen met de hele wereld verbindt. Zoals ook de ware tragedie natuurlijk in dit boek verstopt is, een tragedie waar we misschien pas over tien jaar aan toe komen. Dat alle geklaag van PVV-stemmers en Nederlandse moslims en wie niet al over hoe verschrikkelijk ze achtergesteld worden bij de elites, uiteindelijk verbleken. Hoe al die PVV-stemmers en Nederlandse moslims uiteindelijk zelf net zo goed behoren bij de elites, vergeleken met degenen die op Haïti en elders wonen en die, wie weet, nog steeds vergiftigd worden door onze hoestdrank.