29.6.02

{P} Een menigte van talen. Vijfenveertig dichters voor Jozes Deleu. Tielt: Lannoo, 2002. Ik wou ineens dat ik Jozef Deleu was, want wat een geweldige bundel heeft die man gekregen! Vrijwel alle dichters die aan zijn feestbundel bijdroegen zijn zeer goed en groot, en vrijwel allemaal hebben ze hun beste beentje voorgezet, met interessante, inspirerende, ontroerende, fraaie gedichten over taal, over hun moedertaal. Zoals Piet Gerbrandy:

Memmen, verleer me de taal van uw hui
die niet botert met wrongel, verhaal
me hoe onder uw romige lommer

vandaan ik op jacht moest naar spraak
om het zijnde te schiften.

Werd huid schors, armen takking van deelzaam
geritsel en struikeling wekkende wortels,

vliegden wand voor mijn opper van blad,
plag, mos, waar ik snijdende lijnen kort
in mijn tors, tweevuldig de neg van mijn zakmes.

Stremde bloed, wat het zong was uw blauw.

Wordt rokopwaartse blok ooit gestuit, doe in tetragonale
arrondissementen vol jurisprudentie, perfect cycloïden
beschrijvende pendels, ik zaken met hektische vaders.

Vooralsnog stem ik in met uw tongen.

Zelden werd de schonkige schoonheid van onze taal zo grandioos gevierd en geëerd. Wat mij betreft, dan. Dat alles gebeurt bovendien ook nog eens in een zeer smaakvol uitgegeven boekje.

Henk te Velde. Stijlen van leiderschap. Persoon en politiek van Thorbecke tot Den Uyl. Amsterdam: Wereldbibliotheek, 2002.

{P} Henk te Velde. Stijlen van leiderschap. Persoon en politiek van Thorbecke tot Den Uyl. Amsterdam: Wereldbibliotheek, 2002. Te Velde kan aardig schrijven en dit boek is ook best leerzaam. Er worden allerlei dingen op een rijtje gezet die ik wel ongeveer wist, maar niet precies. Vooral over Kuyper en Colijn wist ik niet veel meer dan wat hun namen waren. Aan de andere kant zijn politici in Nederland nou kennelijk nooit écht meeslepende figuren geweest. De twee genoemde antirevolutionaire minister-presidenten waren kennelijk nog het spectaculairst. Over Colijn:
Colijns reputatie was echter juist ongewoon en daartoe gaf zijn verdere biografie ook alle aanleiding. Hij werd beroepsmilitair, werkte in Indië, werd directeur van een oliemaatschappij, speelde een belangrijke rol op internationale conferenties. In de hoogste regionen van de Nederlandse politiek kwam niemand in de buurt van deze ervaring.
. Tsja, dat zegt misschien meer over die hoogste regionen dan over Colijn.

Iets anders is dat een boek als dit toch ook wel weer laat voelen wat er voor mij mis is aan de geschiedsschrijving: het zijn heel aardige verhalen, maar ze leiden nauwelijks tot een algemene conclusie. Er valt eigenlijk maar weinig te leren, uit de geschiedenis.

27.6.02

{P} Herman Neubronner van der Tuuk. Een vorst onder de taalgeleerden. Taalafgevaardigde voor Indië van het Nederlandsch Bijbelgenootschap. Een bronnenpublicatie bezorgd door Kees Groeneboer. Leiden: KITLV Uitgeverij, 2002. Je hoort altijd dat die Van der Tuuk zo'n interessante persoon was, maar hier blijkt dat niet speciaal uit. Dat komt waarschijnlijk door de gebruikte bronnen, die meerendeels te maken hebben met zijn werk voor het Nederlandsch Bijbelgenootschap. Zijn brieven aan dat genootschap vanuit Indië zijn over het algemeen nogal zakelijk en behandelen allerlei praktische kwesties. In de langere periode dat Van der Tuuk, tussen twee verblijven in Indonesië door, in Nederland verbleef, werd hij meteen gegrepen door het nare gevoel dat het zo leuk en goed en mannelijk en interessant is om te polemiseren dat je associeert met Publieke werken van Thomas Rosenboom. Wat daar nu zo leuk en nuttig aan was, om sarcastisch/ironisch/opgewonden over Taco Roorda en zijn leerlingen te doen, wordt uit dit boek niet speciaal duidelijk.
{P} Tim Krabbé. Het gouden ei. Amsterdam: Bert Bakker, 1992 (1984). Geen van de twee films die er naar dit boekje gemaakt zijn, ooit gezien, het boekje zelf nooit gelezen: dat moest er maar eens van komen. Het viel me een beetje tegen, maar dat komt denk ik doordat mijn verwachtingen iets te hoog gespannen waren. Heel spannend is het niet. Ik geef wel toe, het is een zeer goed verhaal, dat in de New Yorker niet zou misstaan.
{P} Ankie Schol. Misdrijf in Formerum. Harlingen: Flevodruk, 2002. Het omslag van dit boek is duidelijk geïnspireerd op de boeken van Baantjer, en hoewel ik de laatste nooit gelezen heb, vermoed ik toch dat die iets beter is. Het verhaal is wel heel ingewikkeld en de ontknoping is wel erg vergezocht. Ik ben niet echt een groot liefhebber van misdaadromans, en al helemaal niet als de ontknoping gebaseerd is op iets (in dit geval de fysieke overeenkomst tussen twee personen) wat de lezer helemaal niet kan weten. De personages zijn bovendien niet erg levendig.

Toch vond ik het geen onsympathiek boek. En heb ik het helemaal uitgelezen, al was het maar om hetgeen waar het de meeste lezers wel om zal gaan -- de Terschellinger couleur locale.

18.6.02

{P} P.P.J. van Caspel. Experimenten op experimentelen. Amsterdam: Uitgeversmij. Holland, 1955. In dit boek uit 1955 beschrijft Van Caspel hoe hij enige fonetische en anderssoortige experimenten heeft uitgevoerd op de belangrijkste vijftigers (Elburg, Schierbeek, Kouwenaar, Lucebert, Hanlo, Campert). Bijvoorbeeld kregen ze een apaaraat omgord dat hun buik- en borstademhaling in kaart bracht, moesten ze binnen een minuut woorden opsommen (en werd o.a..gemeten ho lanmg hun pauzes waren), enz.

Dat woordenexperiment levert soms potsierlijke resultaten op. Zo telt Van Caspel welk percentage woorden uniek is voor een bepaalde spreker en kent dan een 'originaliteitsindex' toe. De dichters krijgen zo een gemiddelde originaliteitsindex van 80; een controlegroep van studenten komt niet verder dan 52. Maar er zijn ook resultaten die nadere bestudering behoeven. Lucebert noemde bijvoorbeeld de volgende woorden: rabarber, zout, hemelrijk, koevoet, lucht, patroon, ijs, muis, dirk, kabel, spel, licht, Grotewohl, tinctuur, marmer, balk (heel hoge originaliteitsindex, want alleen licht was ook door iemand anders genoemd, namelijk door Campert). Van Caspel laat dan zien dat veel van die woorden ook in gedichten van L. voorkomen. Maar hij zegt ook: ijs en muis worden na elkaar genoemd en L heeft sowieso de neiging om die klanken bij elkaar te plaatsen, en citeert dan: 'de kleine muizen uit het oor van de grote rat', 'en soms opzien de gespierde zon/zien stijgen en juichen of de ranke/maan naar de ruisende twijgen duiken', 'een muis tast naar een bijl', en nog zo enige bewijsplaatsen).

Dat alles schreeuwt natuurlijk om vervolgonderzoek. Nu het corpus Lucebert voltooid is kun je je bijvoorbeeld afvragen of de dichter in de loop van zijn carrière ook ALLE genoemde woorden heeft gebruikt. En of hij is door blijven gaan met significant vaker ij- en ui-klanken in elkaars buurt te zetten. Maar ook zou je een en ander kunnen herhalen bij modernere generaties dichters, die immers voor een deel ook weer meer lichamelijke dan cerebrale gedichten schrijven.

11.6.02

{P} Judith Koelemijer. Het zwijgen van Maria Zachea. Een ware familiegeschiedenis. Zutphen/Apeldoorn: Plataan, 2001. Het boek schijnt het goed te doen, en het is ook wel het soort boeken waar ik van houd (en waar men van houdt: in het voetspoor van Geert Mak): ware geschiedenis over 'gewone' mensen, dat wil zeggen mensen die nooit een boek schreven, een schilderij verfden, een grootse sportprestatie leverden. Ik heb het boek ook in een avond uitgelezen en me daarbij wel vermaakt en het een en ander opgestoken. Toch is het in sommige opzichten net niet wat het zou kunnen zijn. Het is soms een beetje flets. Judith Koelemeijer beschrijft het gezin van haar vader (die elf broers en zussen had), maar daarbij blijft ze zelf helemaal buiten beeld. En verder heeft de meerderheid van die mensen, het spijt me dat ik het zeggen moet, toch een enigszins saai leven geleid, met wel wat ergernisjes over vader en moeder, maar wel heel weinig drama. Ook de stijl is wel aardig en toegankelijk, maar nergens echt spetterend. "Een feest van herkenning" zegt 'Noord-Hollands Dagblad' op de flap. Dat zal het wel vooral zijn. Maar dit klinkt dan weer een beetje te negatief. Het is toch vooral ook een aardig boek, over de vorige generatie (Koelemijer is, net als ik, van 1967).

10.6.02

{P} Geert Buelens. De 100 beste gedichten van 2001.
Amsterdam: De Arbeiderspers/Stichting VSB Poëzieprijs, 2002. Was 2001 het jaar van de terugkeer van de experimentele dichtkunst? Of heeft de samensteller Geert Buelens hier heel duidelijk zijn eigen stempel op de keuze gedrukt? Het laatste natuurlijk, en dat is het goed recht van Buelens. Zelfs van toegankelijke dichters als Menkveld, Kuipers en Wigman heeft hij behoorlijk duistere gedichten gekozen en ze tot de beste van het vorig jaar verklaard. Ja, ja, ja, ja, ja, ja, ja, het mag. Maar voor mij wordt het boekje zo wel een beetje erg ondoordringbaar. Wel interessant om een keer te zien, maar niet zo dat ik er dolenthousiast van word.
{P} Wouter Godijn. Langzame nederlaag. Amsterdam/Antwerpen: Contact, 2002. Godijns roman Witte tongen had ik indertijd ook al gelezen. Ik vond er weinig aan: mat, tam, gezeur. Ik zou deze dichtbundel dan ook niet gelezen hebben als ik hem niet kreeg toegestuurd -- namens de Poëzieclub, als hun selectie van de afgelopen periode. Misschien ben ik bevooroordeeld sinds die roman, maar ook hier werd ik geslagen door de matheid, de keurigheid. Het doet een beetje denken aan Toon Tellegen, maar dan zonder spitsvondigheid. Aan Hans Faverey, maar dan zonder geheimzinnigheid.
{P} Bas Haring. Kaas & de evolutietheorie. Antwerpen: Houtekiet, 2001. Een aardig boekje, een poging om voor kinderen de evolutietheorie uit te leggen. Zelfs de moeilijkste vragen gaat Haring daarbij niet uit de weg: hoe zit dat met homoseksualiteit? Bestaat God? Die vragen beantwoordt hij eerlijk en openhartig. Wat een goed en gewaagd idee om nu juist dit onderwerp uit te kiezen. De stijl is ook heel goed, ik kan eigenlijk geen bezwaren tegen dit boekje bedenken. Nou ééntje dan: de illustraties vind ik niet zo leuk. Terwijl het omslag juist weer prachtig is. Zie ook de website.
{P} Nick Hornby. About a boy. London: Penguin Books, 2002 (1998). Er komt een film van dit boek, maar die hoef je niet meer te zien als je About a boy gelezen hebt; dat wordt een feelgood movie (Bridget Jones met een man)). Sterker, op het omslag van mijn exemplaar staat een foto van Hugh Grant, en de hoofdpersoon Will had de hele tijd dat ik het boek las zijn gezicht. Daar valt trouwens ook een hoop positiefs over te zeggen. Een film op papier, hij leest als een trein, een paar keer heb ik moeten lachen en geen moment heb ik me verveeld. (Ook de personen die niet op de voorkant staan afgebeeld, zie je levendig voor je; sterker, op de voorkant staat ook een foto van een jongetje, maar 'mijn' Marcus zag er heel anders uit. Zo goed is de schrijver dan ook weer wel.)

5.6.02

{P} Louis Couperus. Noodlot. Utrecht/Antwerpen: Veen, 1990 (1890). Lange tijd had ik geen Couperus meer gelezen, en wat een gemis. Hij is toch wel een schrijver waar bijna alles goed aan is, wat mij betreft toch op zijn minst de beste Nederlandstalige romanschrijver. Die stijl!

Zij bleef hem aanzien, hem niet begrijpend. Hij zat in-een gedoken, het hoofd op de borst, zijn oogen starend voor zich uit, en zijn dun bruin haar, dat een weinig op zijn voorhoofd neêrkrulde, scheen te plakken aan zijne slapen, in enkele pareltjes zweet. Hij was blijkbaar zeer ontroerd. Hij wist niet waarop dit gesprek zoû uitloopen, maar hij gevoelde toch, dat zijn toon zeer ernstig was geweest, dat die eerste zinnen de prelude van een belangrijk onderhoud zouden kunnen worden. Hij gevoelde, dat dit oogenblik bestemd was een kostbaren schakel aan zijne levensketting vast te klinken en hij wachtte, fatalistisch geduldig, op de gedachten, die in zijn brein zouden ontluiken, op de woorden, die van zijn tong af zouden glijden. Hij sloeg zichzelven in zichzelven gade, en tevens omwikkelde hij Eve in een windsel, zoo als eene spin een vlieg omwindt in den draad, die zij uitweeft.

Maar vooral ook: die Shakespeareaanse psychologie! Je kunt elke persoon op wel minstens vijf verschillende manieren begrijpen. Het einde van het boek is eigenlijk te dramatisch om waar te zijn, meer iets voor een Italiaanse opera dan voor een roman. En toch was ik gisteren even treurig toen ik het uithad.


4.6.02

{P} Ton van Strien en Kees van der Leer. Hofwijck. Het gedicht en de buitenplaats van Constantijn Huygens. Zutphen: Walburg Pers, 2002. Wat een geweldig uitgevoerd boek, met die consciëntieuze (lichte) hertaling van het gedicht en een zeer interessant uitgebreid artikel over de geschiedenis van Hofwijck vanaf Constantijn en Christiaen Huygens tot en met de restauraties in de loop van de twintigste eeuw. Het is heel aardig om via één pand een doorkijkje te krijgen in de geschiedenis van de Gouden Eeuw tot nu. En over het algemeen allemaal heel goed gedaan, ide belangwekkende dingen worden verteld in een zakelijke, toegankelijke stijl. Je krijgt sympathie voor die club, de Vrienden van Hofwijck.

3.6.02

P William H. Calvin en Derek Bickerton. Lingua ex Machina. Reconciling Darwin and Chomsky with the Human Brain. Cambridge, MA: The MIT Press, 2001 (2000). Het boek is misschien wat te snel geschreven (er zitten feitelijke foutjes in, zoals dat er over Christiaen Huygens geschreven wordt als ware hij een Deen) en zou misschien wat beter uitgewerkt kunnen worden (het lijkt nu net alsof het taalvermogen voor een belangrijk deel gebaseerd zou zijn op het vermogen om nauwkeurig voorwerpen te kunnen gooien). Maar in de kern hebben de heren wel gelijk – namelijk dat het onzinnig is om net te doen alsof Darwinisme en Chomskyanisme niet met elkaar te verenigen zouden zijn – en het is interessant dat ze laten zien dat het zeker met het minimalisme wel kan. Dat idee had ik altijd al, en volgens mij de meeste van mijn collega's ook, maar het is aardig om dat eens een keer uitgewerkt te zien door twee intelligente schrijvers. En bovendien kun je dit soort wilde ideeën misschien het best op een dergelijke snelle manier brengen zonder je in eerste instantie veel te bekommeren om de empirie. Bovendien doet Bickerton zijn best aan het eind van het boek het minimalisme nog eens te herformuleren volgens principes die compatibel zouden zijn met de bevindingen elders in het boek. (Al begrijp ik dat niet helemaal: wat zijn nu precies de evolutionaire argumenten tegen 'Larsonian shells'?).