29.10.07

Philip Roth. Exit Ghost. New York: Houghton Mifflin Books, 2007.

Nathan Zuckerman, de schrijver, trekt na de laatste elf jaar van zijn leven in vrijwel totale afzondering te hebben doorgebracht, ergens in de Berkshires, terug naar de stad, terug naar New York. Hij is oud, en incontinent, en impotent. In de stad wordt hij meteen belaagd door de plagen van het moderne leven: iedereen loopt met een mobiele telefoon, iedereen doet alsof het vreselijk belangrijk is als George W. Bush in 2004 voor de tweede keer de verkiezingen wint, en niemand leest nog een boek. Bovendien wordt hij, de oude, zieke man, verliefd op een jonge vrouw van dertig. En krijgt hij het aan de stok met een ex-vriendje van haar, die de aandacht wil vestigen op een alweer vergeten schrijver van vroeger, iemand die ooit Zuckermans held was. Maar dat vestigen van de aandacht kan alleen door een schandaal uit het leven van die schrijver op te dissen.

Wat is het aandeel van fictie in het leven? Zuckerman wil niet dat de aandacht op zijn lievelingsschrijver wordt gevestigd door 'waargebeurde' schandalen. Tegelijkertijd probeert hij van zijn hopeloze verliefdheid fictie te maken: hij schrijft dialogen met zijn geliefde die nooit echt zijn gevoerd. De vorm van die dialogen is gebaseerd op een verhaal van Tsjechov, ook al weet hij niet meer waar dat verhaal overgaat. Enzovoort.

Er is geen schrijver die beter over het mannelijk lichaam weet te schrijven dan Roth, in dit geval dan vooral het heel oude, het aftakelende mannelijk lichaam. Er rest hem eigenlijk geen manier meer om die aftakeling te overstijgen dan door fictie, dan door in de huid te kruipen van iemand die op hem lijkt, van Nathan Zuckerman. Maar dit is Roths laatste Zuckerman-boek, aan het eind gaat de schrijver dood. Hoe nu verder?

(Eerder schreef ik hier over Portnoy's complaint, American pastoral, Everyman, The dying animal en The plot against America.)

13.10.07

Michael Gil. How Starbucks Saved My Life . London: Harper Collins, 2007.

Michael Gil is een zoon van een journalist bij de New Yorker en gemaakt voor het succes. Hij heeft dan ook een mooie loopbaan in de reclame, tot hij ineens op straat wordt gezet: te oud voor het vak, en te weinig omhooggeklommen in de loop der jaren. Dan wil zijn vrouw hem niet meer, omdat hij een buitenechtelijke verhouding heeft en een kind, maar zijn vriendin wil hem ook niet meer. Hij glijdt langzaam naar beneden, tot hij op een dag een Starbucks binnenloopt, waar hem een baan wordt aangeboden in een koffietentje in het noorden van Manhattan.

Een nieuwe wereld gaat voor hem open, Michael Gil kan niet ophouden te jubelen over hoe geweldig Starbucks is, hoe goed men er voor zijn medewerkers zorgt, hoe aardig de medewerkers zijn tegen elkaar, en tegen de klanten, hoe aardig de klanten zijn tegen de medewerkers, hoe fijn het is om de vloer te schrobben, en hoeveel hij en iedereen van koffie houdt. Hij schrijft zelfs gedichten voor zijn klanten: Your wonderful smile / When you walk in the door / Helps to make / Our spirits soar. / You make sure to ask / Just how we are / When we see you at the register / Or at the bar. (enz.) Ook dat soort gedichten schijnt iedereen prachtig te vinden.

Er zijn twee problemen met dit boek: die jubeltoon, en het gebrek aan enig journalistiek verlangen bij de auteur. Zelfs als hij zo ongecontroleerd had willen jubelen, was het bijvoorbeeld aardig geweest om wat achtergrondinformatie te geven, om bijvoorbeeld de ongetwijfeld boeiende levensverhalen van zijn mede-'Partners' iets meer te achterhalen en te belichten. Allemaal gemiste kansen; een slecht boek.