23.6.12

John E. Joseph. Saussure. Oxford: Oxford University Press.

Wie was Ferdinand de Saussure? De vader van de twintigste-eeuwse taalwetenschap, de man die na briljant werk als student in de beste tradities van de negentiende eeuw rond zijn vijftigste een nieuwe visie op het vak zou definiëren die het tot de op dag van vandaag mede zou bepalen? Een calvinistische aristocraat uit Genève die zijn leven lang afstand hield van mensen die hij niet persoonlijk kende? Een professor Sanskriet die maar een paar studenten per jaar had en daarom werd aangevallen toen men in Genève ook een business school wilde instellen?

Saussure was hoe dan ook een intrigerende figuur. Het is jammer dat hij intellectueel gezien in zulke bedenkelijke handen is gevallen. Aan het eind van zijn 650 pagina's tellende biografie (voetnoten en literatuurverwijzingen niet meegerekend) klaagt John E. Joseph, taalkundige in Edinburgh, alvast over een toekomstige Franse biografie waarin een verband wordt gelegd tussen een fonologische theorie van Saussure en biseksualiteit. Maar zelf brengt hij het er niet veel beter vanaf.

Zijn biografie is in de eerste plaats volkomen vormeloos. Aan het begin en het einde staan pathetische uithalen die eerder uit een slechte negentiende-eeuwse biografie van Beethoven of een ander 'genie' lijken te stammen. Zo begint het boek met een beschrijving van de manier waarop Zwitserland is ontstaan, alsmede hoe het geslacht Saussure daar in de zestiende eeuw vanuit Frankrijk naartoe trok. En aan het eind, bij de dood, wordt ongegeneerd geschmierd:
And then his body failed, followed by his spirit, until that winter night when he closed his eyes, and all the hidden patterns he had sought revealed themselves to him in a burst of shining splendour.
Affijn, de persoonlijke passages begon ik al snel over te slaan, ook al omdat je over de persoon Ferdinand de Saussure weinig te weten komt, en zijn broer René me eigenlijk interessanter begon te lijken: uitvinder van een universele munteenheid, architect, wiskundige, bijna-uitvinder van de relativiteitstheorie, esperantist,... over hém zou ik wel een boek willen lezen, al moest dat dan niet door John E. Joseph geschreven zijn.

Ook een biografie over Ferdinand zou natuurlijk interessant kunnen zijn, al is het maar literair. Een belangrijke filosofische vraag op de achtergrond van zijn leven was: je kunt een ontwikkeling van een taal uiteindelijk alleen begrijpen als je begrijpt dat er geen individuele elementen veranderen, maar dat alles uiteindelijk in een systeem moet passen: Saussure was de vader van het 'structuralisme'. Die relatie tussen verandering van een element en aanpassingen in het 'systeem' zou je ook kunnen onderzoeken in de levensbeschrijving van een individu. In plaats daarvan kiest Joseph voor een levensbeschrijving waarin uiteindelijk niets belangrijk is, er is geen prisma – de familiegeschiedenis, de wetenschappelijke geschiedenis, alles staat naast elkaar en niets grijpt op elkaar in, zonder dat op zijn beurt een thema is.

De stukken over de ontwikkeling van Saussures intellectuele, taalkundige, ontwikkeling vond ik alles bij elkaar het interessantst, al zijn de meeste details daarvan wel bekend. Hoe hij gaandeweg in de gaten kreeg, bijvoorbeeld, dat de negentiende-eeuwse taalkunde, met al zijn successen, op drijfzand was gebouwd omdat hij gebaseerd was op een heel vage en op de keper beschouwde definitie van taal (namelijk als een 'levend organisme' dat los staat van de sprekers) en vervolgens probeerde om taal goed te plaatsen op de spanningsboog van enerzijds de individuele taalgebruiker en anderzijds de gemeenschap die een taal in bezit heeft.

In de taalwetenschap volgens Saussure komen allerlei klassieke problemen samen: hoe bestudeer je iets dat constant in beweging is? Hoe kan het dat talen van elkaar verschillen? En hoe kan het dat er zelden of nooit twee grenzen die dialectverschillen beschrijven echt samenvallen? Je zou alle romantische onzin over de grootse familie Saussure en het miskende genie weg moeten gooien. Dan houd je een handzame inleiding op het werk van een van de interessantste denkers van de vorige eeuw over.

10.6.12

Koen Haegens. Neem de tijd. Overleven in de to go maatschappij. Amsterdam: Ambo, 2012.

We leven in een tijd waarin werk en privé-leven steeds meer in elkaar schuiven: de laptop gaat ook mee op vakantie en via de mobiele telefoon zijn we altijd bereikbaar voor van alles en nog wat. We hebben misschien meer vrije uren dan onze grootouders, maar ondertussen heeft het werk zich in die uren ingevreten. Bovendien is het arbeidsethos totaal in onze geest ingevreten: we hebben, zegt Koen Haegens in Neem de tijd de prikklok geïnternaliseerd. Althans, wij, de elite, heeft dat gedaan. De mensen die achtergebleven zijn, die nog niet dag en nacht werken, die noemen wij de onderklasse.

Het komt allemaal door een monsterverbond van het neoliberalisme, dat uit alle macht alles uit ons wil persen wat erin zit, en het hippiedom, dat ons heeft doen geloven dat werk fijn is als je jezelf erin kunt ontplooien.

Dit alles is een interessant betoog, maar ik weet niet of Haegens er per se een boek over had moeten schrijven. De kern van dit betoog publiceerde hij enkele maanden geleden in De Groene Amsterdammer en heel veel meer dan dat staat er niet in dit boek, wat mij betreft. Het staat er alleen allemaal wat uitgebreider en af en toe gelardeerd met dingen die er weinig mee te maken hebben. (Zo beweert Haegens dat het leven ook nog eens sneller geworden is, dat we sneller zouden zijn gaan lopen en praten. Met bewijzen voor die stellingen komt hij niet, en wat precies het verband is met die hoofdlijn, is mij niet duidelijk.)

Ik werd ook een beetje opstandig van dit verhaal. Jazeker, kapitalisme is heel slecht, en het zit ook in onszelf, en we doen eraan mee, en we krijgen het steeds drukker en zo gaan we er met zijn allen nog eens aan onderdoor. Maar wat nu precies de gevaren zijn, dat vertelt Haegens uiteindelijk niet: het blijft bij wat incidenten her en der — een aantal zelfmoorden onder medewerkers van een Frans bedrijf, op zichzelf treurig genoeg, maar niet per se een teken des tijds.

Je zou een en ander bovendien allemaal ook juist heel positief kunnen duiden. De mensen krijgen inderdaad meer kansen om zich te ontplooien, percentueel gezien doen meer mensen dan ooit in de westerse wereld dingen die ze zo interessant vinden dat de grens tussen privé en werk ze niet meer zo heel erg interesseert. En mensen hebben dan misschien minder tijd 'voor zichzelf', de individuele mens verliest op dat vlak misschien iets, maar voor het collectief levert dat misschien wel meer op.

Die gedachten waren misschien wat te dwars voor Haegens, die schijnt te menen dat het vanzelf spreekt dat de ontwikkelingen die hij beschrijft per se en ontegenzeggelijk negatief zijn. Het was volgens mij spannender geweest als hij ook de andere kant had bekeken.