17.3.13

Alexandr Poesjkin. Jevgeni Onegin. Roman in verzen. Amsterdam: Athenaeum - Polak & Van Gennep, 2012 (1833)

Vertaling: Hans Boland

Alexandr Poesjkin, dat is ook weer iemand die zo groot is dat ik nog nooit echt iets van hem gelezen had. En daar dan weer van de ondersoort waarvan ik nu ik hem wél gelezen heb, nooit zal begrijpen wat me eigenlijk ooit heeft tegengehouden.

Want waarom zou iemand níét Jevgeni Onegin lezen – de eerste roman ooit die de toon heeft waar je een beetje warm en zelfs vrolijk wordt, hoe koud en treurig de beschreven omstandigheden ook zijn, omdat de schrijver dingen weet te treffen waar je nooit eerder over nadacht. Zoals in dit geval de verliefdheid van Onegin: het gevoel dat de held treft omdat hij het meisje dat hij ooit o zo vriendelijk en begripvol afwees ineens als een sterke en trotse vrouw ziet, waardoor hij beseft hoeveel ze voor hem betekent.

En het feit dat de bovenstaande samenvatting absoluut geen recht doet aan de subtiliteit van het gevoel, dat je het eigenlijk alleen kunt uitdrukken zoals Poesjkin het in zijn meesterwerk deed. Althans, wat daarvan doorschemert in de mooie vertaling die Hans Boland gemaakt heeft.

Volgens de nogal curieuze noten die Boland aan deze vertaling toevoegde is het overigens niet moeilijk te begrijpen waarom ik nooit eerder aan Onegin begon: de eerdere Nederlandse vertalers brouwden er echt helemaal niks van. Op een bepaald moment citeert hij een heel couplet om uitgebreid kritiek te kunnen leveren op ritme en rijmschema. Trouwens, ook Nabokov krijgt het er in de voetnoten herhaaldelijk van langs: die heeft het hele meesterwerk niet begrepen, onder andere omdat hij in Tatjana een soort Lolita zag.

Dat zou eigenlijk vreselijk irritant moeten zijn, al die sneren tegen collega's, die deels ook nog eens nergens op slaan. Ik zie bijvoorbeeld helemaal geen argument voor die vereenzelviging van Tatjana met Lolita – Nabokov heeft toch ook nog wel wat anders geschreven (Pale Fire bijvoorbeeld, een roman in voetnoten, waarin de voetnotenschrijver zich niet kan beheren, ongeveer zoals Boland dus.) Maar op de een of andere manier werkt het wel charmant, net als de wat kinderlijke trots waarop de vertaler in zijn voetnoten af en toe wijst op een rijmtechnisch hoogstandje.

En de vertaling is ook mooi – hij vindt precies het juiste evenwicht tussen luchtigheid en precisie, en dat in inderdaad vlekkeloze jambische tetrameter en met mooi gevonden rijm. Ik hoop dat ik Onegin nog eens mag lezen.


A.H.J. Dautzenberg. Rafelranden van de moraal. Amsterdam: Atlas Contact, 2013.

Volgens A.H.J. Dautzenberg leven we in een tijd van herlevende braafheid en conformisme. Schrijvers kleuren netjes binnen de lijntjes (dat is een uitdrukking die Dautzenberg regelmatig gebruikt, binnen de lijntjes kleuren) en niemand durft nog aan de moraal te morrelen.

Dautzenberg durft dat zelf wel en heeft de afgelopen jaar ook naam gemaakt met een aantal tamelijk spectaculaire acties. In Rafelranden van de moraal bericht hij er zelf over: de fake-interviews met onder andere Arnon Grunberg die hij hield voor de VPRO-gids en een boekje over economie, zijn lidmaatschap van pedofielenvereniging Martijn, zijn 'polemiek' tegen de overleden zoon van A.F.Th. van der Heijden die eigenlijk een polemiek was tegen de brave polemiek 'binnen de lijntjes'.

Nu moet ik toegeven dat mij niet helemaal duidelijk is wat deze kwesties precies verbindt, behalve dat ze volgens het achterflap 'veel stof deden opwaaien'. Het valt een beetje tegen dat Dautzenberg daar zelf ook weinig over reflecteert. Wat heeft hij eigenlijk willen bereiken? En waarom deed het zoveel stof opwaaien? Zijn theorie dat er sprake is van een Nieuwe Braafheid en dat die veroorzaakt is door de economische crisis en de onzekerheid van na 11/9 is, wat zal ik zeggen, nu niet erg sprankelend.

Hij lijkt me ook niet per se juist. Zo suggereert Dautzenberg dat er in de jaren tachtig een heel ander klimaat heerste over pedofilie – politieke partijen stonden er positiever tegenover en popsterren lieten zich met 13-jarige meisjes fotograferen. Nu kan ik me alleen maar herinneren – ik ben ongeveer even oud als de schrijver – dat 'de gewone man', voor zover die zich in mijn blikveld alleen maar fulmineerde tegen 'die viezeriken'. Een deel van het verschil kan dus zijn dat die gewone man het meer voor het zeggen heeft gekregen in een het publieke debat waar Dautzenberg op let. Maar de schrijver verklaart alleen maar dat hij niet aan Twitter en Facebook doet.

Overigens is de Martijn-kwestie verreweg de interessantste. Het namaakinterview met Grunberg vind ik vrijwel onleesbaar en erg flauw, en ook bij de polemiek rondom Tonio lijkt me de sop de kool niet waard. Rondom Martijn is Dautzenberg het sterkst, misschien omdat hij daar ondanks zichzelf toch ook een moralist kan zijn. Hij lijkt daar te handelen uit morele verontwaardiging, omdat hier een groepje mensen die volgens Dautzenberg geen vlieg kwaad doen, maar met hun gevoelens worstelen, door een volksgericht worden belaagd.

Dautzenberg vindt dat een schande en is het er niet mee eens. Het doet er eigenlijk niet eens toe of hij daar gelijk in heeft of ongelijk; wat het laat zien, is dat Dautzenberg eigenlijk niet kan ontsnappen aan het spel van binnen de lijntjes kleuren. Hooguit wil hij de lijntjes ergens anders leggen.

11.3.13

Rob Wijnberg. De nieuwsfabriek. Hoe media ons wereldbeeld vervormen. Amsterdam: De Bezige Bij, 2013.

We zijn verslaafd aan nieuws, zegt Rob Wijnberg, de jonge ex-hoofdredacteur van nrc.next. We merken het misschien niet, dat het een verslaving is, er wordt bijzonder weinig over de verslaving geschreven, maar ondertussen nemen heel veel mensen toch maar iedere dag vele uren van nieuws tot zich: korte, kleine, geselecteerde berichtjes over dingen die er 'gebeurd' zijn (een politicus heeft zich versproken in de media, een beroemdheid is uit mekaar met een andere beroemdheid, ergens wordt een besluit genomen op een conferentie) en die samen pretenderen de wereld te weerspiegelen.

Die ongebreidelde nieuwsconsumptie is om een aantal redenen ook nog slecht voor ons. Nieuws geeft een vertekend beeld van de werkelijkheid omdat het zich noodzakelijkerwijs concentreert op negatieve incidenten en de grote lijnen buiten beschouwing laat. Op een zeker moment vergelijkt Wijnberg het met snoep: bommetjes van 'lege' calorieën die snel in het bloed worden opgenomen en je daardoor een lekker gevoel geven maar uiteindelijk niet gezond zijn.

Dat is allemaal heel interessant en het is ook allemaal heel prettig opgeschreven, zoals alles wat van Wijnberg komt. Het is tegelijk ook wel erg duidelijk geschreven vanuit het perspectief van de producent van al dat lekkers: het standpunt van de consument – dat Wijnberg toch ook moet kennen – wordt nauwelijks toegelicht. Waarom is dat nieuws dan precies zo verslavend? Wat is er zo lekker aan een knuistjevol weetjes over wat er in Syrië gebeurd en wat Jan Smit daar precies van vindt? Kijk, dát vind ik nou een interessante vraag. (Ik kijk helaas nooit naar Pauw & Witteman, maar de beschrijvingen die Wijnberg ervan maakt, vind ik afschrikwekkend genoeg. Waarom trekt dat dan toch zoveel kijkers?)

Bovendien eindigt Wijnberg zijn boek met een serie ideeën over hoe het nieuws precies beter gemaakt kan worden, interessanter, serieuzer. Dat klinkt toch vooral als de chips-fabrikant die ontdekt heeft dat de mensen dik worden van zijn chips. Omdat het buiten zijn wereldbeeld of mogelijkheden valt om dan maar helemaal op te houden met het produceren van dikmakers, in plaats daarvan het idee krijgt dat je ook biologische aardappelen kunt nemen en die op een verantwoorde manier kunt schillen en snijden en de schijfjes in gezonde olie kunt bakken en het geheel overdekken met, niet te veel, zeezout. Dat zal wel wat duurder zijn en daardoor misschien maar een kleine groep liefhebbers van de betere snack trekken, maar dat moet dan maar.

Maar wat zou mensen bewegen om een gezondere snack te willen eten?

7.3.13

Jonathan Franzen. Freedom. Farrar, Straus and Giroux, 2010.

Toen ik ongeveer op tweederde van Freedom was, maakte ik een vergissing: ik las online enkele van de recensies die er over dit boek verschenen zijn. En die hebben het plezier in het boek bijna bedorven.

Bijna alle recensenten gaven toe dat ze het een mooi boek vonden, maar sommigen klaagden dat het toch echt geen Great American Novel, toch echt geen literatuur was. Daarvoor zijn de gedachten niet diep genoeg en vooral: daarvoor is het boek te realistisch. En het realisme is nu eenmaal al sinds de negentiende eeuw dood.

Nu is Freedom inderdaad misschien niet zo diep. Ik heb er in ieder geval weinig nieuwe ideeën door gekregen over wat vrijheid is. Je ziet wel hoe allerlei mogelijke beperkingen worden afgewerkt: je bent minder vrij door de relaties die je aangaat, door de gevoelens die je voor mensen ontwikkelt, door je eigen karakter en wat je misschien van je familie hebt meegekregen. Dat zijn natuurlijk ook precies de thema's van het 19e-eeuwse realisme: de manier waarop de menselijke natuur bijna wetenschappelijk kan worden verklaard uit allerlei omgevingsfactoren. En wat dat betreft is Freedom niet veel opgeschoten. (Sommige critici zeggen dat het eigenlijk een soort modern Middlemarch is, en dat lijkt me een heel prettig verwijt om te krijgen voor een romanschrijver.)

Maar het is ook wel een beetje een raar soort zorg om te hebben, of dit of dat boek wel literair genoeg is, en of het de tand des tijds wel zal overleven. Wie zal het allemaal zeggen – en alle recensenten die ik las zijn het erover eens dat het een mooi boek is.

Toch zat het me even dwars bij het zevende achtste van dit boek. Een recensent meende bijvoorbeeld dat satire 'niet Franzen sterkste kant was'. Was het eigenlijk wel grappig genoeg?

Maar gelukkig dook er op dat moment een nieuw bijpersonage op, een zekere Linda, die grappiger is dan alle andere personen in elkaar (misschien de enige echt grappige, dat geef ik toe). Linda is een wat dommige evangelische christen die de hele tijd haar eigen domheid en haar gelovigheid weet in te zetten om de dingen voor zichzelf goed te praten. 

Zij is een tijdje de grote vijand van hoofdpersoon Walter die zich boos en verdrietig heeft teruggetrokken in een bos waar ook Linda's villa staat.  Het probleem is: Linda's kat vermoordt de hele tijd vogeltjes, terwijl er een regel is die verbiedt dat huisdieren vrij rondlopen in de natuur. Walter gaat zijn beklag doen en dan volgt een gesprek tussen doven. Linda legt bijvoorbeeld uit dat haar poes nu eenmaal graag naar buiten wil. "Maar hoe kun je dat nu weten?" vraagt Walter. "Kun je soms met je poes praten?" Linda maakt daar dan onmiddellijk in haar verslag aan anderen van dat die zonderling denkt dat je alleen een huisdier mag hebben als je ermee kunt praten. 

Nou ja, je moet het zelf leven. Grote literatuur? Wat kan mij het schelen. Mag realisme nog? Alles mag wat fijn is. Een lekker leesboek, dat mag zeker.

2.3.13

Maxim Februari. De maakbare man. Amsterdam: Prometheus, 2013.

M. Februari heeft altijd een spel met identiteiten gespeeld. Hij heeft een periode gehad dat hij een andere naam gebruikte voor wetenschappelijk werk (M. Drenth) dan voor literair werk (M. Februari). Hij heeft een proefschrift geschreven onder beide namen. Hij heeft op verzoek van de Volkskrant van het initiaal M ooit de voornaam Marjolijn gemaakt, en die naam meegenomen naar NRC Handelsblad. En nu heeft hij ervoor gekozen om een man te zijn en zich Max te noemen.

M. Februari is een van de interessantste schrijvers van ons land, onder andere vanwege zijn ernst en zijn verwondering – de interessante combinatie van filosofische reflectie en nuchtere alledaagsheid. Dat alles zet hij ook in dit boek in, De maakbare man, een kort en kraakhelder boek over zijn besluit om testosteron tot zich te nemen en dus (nog meer) man te worden.

Toch valt het boek een beetje tegen. Het is erg duidelijk dat Februari eigenlijk niet al te veel over de zaak wil zeggen en zich niet al te veel wil uitspreken. Hij wil niet de rest van zijn leven een transgender zijn, of een woordvoerder van de transgenders. Hij weet dat er nu allemaal vragen gesteld gaan worden, en De maakbare man is een soort FAQ, een lijst met korte antwoorden op de meest gestelde vragen.

Dat is misschien nodig voor Februari zelf, om te voorkomen dat hij al die antwoorden op soms onbeleefde vragen steeds moet geven; hij heeft nooit gehouden van het prijsgeven al te veel private details (hij heeft ook nooit verteld hoe het kan dat zijn officiële naam 'Drenth von Februar' was, terwijl hij van huis uit Drenth heet). De maakbare man lijkt me ook een heel prettig boek voor mensen die zelf met hun sekse-identiteit worstelen, vanwege de nuchtere toon en het gebrek aan zelfmedelijden.

Voor andere lezers is het wel een beetje jammer. Hét fascinerende aan mensen die zo'n transitie meemaken is – Februari noemt het wel even – dat die mensen het leven lijken te hebben meegemaakt aan twee kanten van de grootste kloof die er door de mensheid heen gaan; dat ze de wereld kennen als man én als vrouw. Februari raakt dat wel even aan, maar moet dan weer snel door naar een verhandelingetje over de vraag waar de testosteron eigenlijk vandaan komt die hij moet slikken.

De paar stukjes die hij wel aan de kwestie wijdt, vind ik het interessantst en trouwens ook het bizarst. Zo blijken allerlei mannen hem allerlei klachten over het man-zijn te hebben toegestuurd waar ik me niets bij kan voorstellen. Dat je je iedere dag moet scheren bijvoorbeeld – ik zou er niet eens opkomen, die paar minuten per dag, die ook niet per se onprettig zijn, als een enorm ongemak aan te wijzen. Een andere klacht: dat vrouwen je zo onheus en vijandig bejegenen en dat mannen je met zoveel aggressie aankijken. Ik weet er allemaal niets van, het heeft met mijn mannelijkheid te maken.

Hij is een interessante denker, maar denkt hier eigenlijk niet zo graag over na.Ik begrijp ook wel waarom: hij vindt dat hij de wereld niet van twee kanten heeft meegemaakt, hij is nu eenmaal een man, zij het een 'met een verleden', dus ook hij weet eigenlijk niet zit met die twee kanten van de kloof. Het ligt misschien aan mij, misschien was mijn verwachting te hoog gespannen, maar ik had gehopen toch wat meer over de kloof te lezen.


Noam Chomsky. The Essential Chomsky. The New Press, New York. (2008)

Er zijn weinig levende mensen die ik zo bewonder als Noam Chomsky, de intellectueel, de taalkundige, de politiek denker. Niet omdat ik vind dat hij nu altijd gelijk heeft, want dat vind ik zelden – al kom ik er vaak ook achteraf achter dat hij dat achteraf misschien wel had, en ik niet. Maar omdat hij zo duidelijk strijdt voor zijn mensbeeld, zo onvermoeibaar nu nog steeds ondanks zijn toch al gevorderde leeftijd opkomt tegen wat hij als onrecht ziet.

En dan is er zijn verpletterende werk over taal en taalwetenschap, waarvoor ook weer geldt dat ik de dingen niet noodzakelijkerwijs zo zie als hij, maar waar hij de mensheid wel een rijk oeuvre heeft gegeven vol met volkomen nieuwe inzichten, puzzels, vragen, antwoorden, manieren om die antwoorden in twijfel te trekken, enzovoort.

Hoe kan iemand dat allemaal bij elkaar bedenken en dan ondertussen ook nog tienduizenden lezingen geven over de hele wereld, honderden e-mails per dag beantwoorden (de paar keer dat ik naar hem schreef, kreeg ik altijd binnen een paar dagen antwoord), en een leven leiden.

Ik heb een stuk of twintig van Chomsky's boeken – dat is slechts een fractie van wat hij geschreven heeft, en bovendien heb ik al een aantal jaar afgezien van een enkel los stuk in een tijdschrift, niet veel meer van hem gelezen. The Essential Chomsky beloofde een overzicht te geven van al het werk van de grote man in een pagina of 400 en bevat inderdaad klassiekers als de vernietigende aanval uit 1957 op Skinner's taalpsychologie en essays over de verantwoordelijkheid van intellectuelen voor wat hun regering allemaal verkeerd doet.

Mijn bewondering voor deze enorme geest is niet afgenomen, al lijkt me The Essential Chomsky toch niet de definitieve bundel die de tijd zal doorstaan. Met name de politieke essays, met name die van het begin, heb ik toch af en toe nu al meer doorgebladerd dan gelezen. Chomsky toont zich in zijn argumentatie altijd een meester van het detail: enorme bergen gegevens worden er opgediept uit allerlei bronnen om te bewijzen dat hij gelijk heeft; en het is af en toe moeilijk om nu nog zoveel interesse op te brengen voor allerlei details uit de oorlog in Vietnam. Er moet ooit een bloemlezing komen die wat tijdlozer is, waarin de belangrijkste inzichten uit Chomsky's werk ook toegankelijk worden gemaakt voor mensen uit de 21e eeuw.

In het algemeen reist bij het doorlezen van deze bundel af en toe de vraag: waarom heeft Chomsky eigenlijk altijd zo véél geschreven? Ook in de taalfilosofische stukken (zijn technische taalkundige werk is in deze bundel helemaal niet opgenomen) vind je nu al eigenlijk meer herhaling dan goed is. Waarom heeft hij dezelfde voorbeelden een aantal keer op min of meer dezelfde manier – nooit precies hetzelfde, altijd net ietsje anders – beschreven? Ook zonder al die gedeeltelijke herhalingen zou het werk al omvangrijk geweest zijn; nu is het feitelijk een oerwoud waardoor je je nauwelijks een weg kunt banen.

Misschien heeft het wel iets te maken met de kern van Chomsky's taalfilosofie. Een belangrijk punt voor hem is dat taal niet primair een communicatiemiddel is, maar een manier om gedachten te uiten en vorm te geven: language is audible thought. Hij wijst er ook heel vaak op dat 'de meeste taal' bestaat uit innerlijke monologen. Ik geloof dat veel mensen dit een moeilijk te accepteren observatie van hem vinden, en ik heb zelf ook niet zo'n duidelijk gevoel dat ik de hele tijd in mezelf aan het praten ben.

Hoe dat ook zij, ik denk dat we Chomsky's observatie in ieder geval voor hemzelf wel serieus moeten nemen: in zijn hoofd vormen zich kennelijk continu zinnen en al die lezingen en geschriften zijn vooral manieren om daar een hoorbare of leesbare vorm aan te geven. Vandaar die herhalingen: af en toe herneemt hij een gedachte, denkt daar opnieuw over na, breidt hem mogelijk een klein beetje uit. En geeft de wereld weer een klein inkijkje in dat wonderbaarlijke hoofd van hem.