30.4.13

Jutta Chorus. Beatrix. Dwars door alle weerstand heen. Contact, 2013.

Ooit was de geschiedenis van pakweg een land in de eerste plaats: de geschiedenis van de koning. Over de onderdanen van laten we zeggen koning Filips II wist niemand iets. En wat er toevallig wel bekend was, interesseerde niemand. Wat die Filips allemaal deed en niet deed, dat was waar het eigenlijk om ging. Bij Shakespeare heet de koning van Frankrijk meestal France: de koning en zijn land waren één.

Niet zo in onze tijd. Terwijl je zou denken en ook wel hoort beweren dat alles nu om de persoonlijkheid draait, is het oude instituut waarin persoonlijkheden zo belangrijk waren, steeds meer in zichzelf gekeerd.

Wie was bijvoorbeeld Beatrix, tot vanochtend nog de koningin van Nederland? Dat is maar moeilijk te achterhalen. Leest ze weleens een Nederlandse roman? Als ze naar de tv kijkt, waar kijkt ze dan naar? Wat is haar mening over, pakweg, het programma De rijdende rechter? Ik zou het niet durven zeggen. Het schijnt bij het koningsschap te horen dat ongeveer alles in nevelen gehuld is: niet alleen de politieke opstelling, maar alles waar de koning een keuze zou kunnen maken die eventueel anders zou kunnen zijn dan die van anderen.

Natuurlijk weten we wel wat van Beatrix. Bijvoorbeeld dat ze houdt van moderne beeldende kunst – wat nu eerlijk gezegd niet speciaal het gebied is waarop ik op grote kennis of zelfs belangstelling kan bogen. In haar biografie Beatrix. Dwars door alle weerstand heen beschrijft Jutta Chorus hoe de koningin een jaar of 13 geleden een tentoonstelling maakte voor het Stedelijk en hoe ontdaan ze was dat die door de Volkskrant werd afgemaakt, hoewel de krant eigenlijk met onzinnige verwijten kwam (het kwam er eigenlijk op neer dat er te weinig seks en drugs in voorkwam – alsof je alleen van moderne kunst kunt houden als je een flinke porties dildo's tolereert).

Ook door Chorus' boek komt de vrouw die prinses Beatrix is niet heel uitgesproken naar voren. Ja, ze is een perfectionist, wat betekent dat ze altijd idioot hard werkte. Zelfs al betwijfelden mensen of dat werk wel zin had: waarom zou een koningin alle stukken moeten lezen die zelfs ministers negeren, wanneer ze uiteindelijk niet veel meer kan doen dan alles tekenen? Volgens Chorus zette de prinses zich daarmee af tegen de chaos die er heerste onder haar ouders – haar kon noch de wat zweverige en al te 'gewone' kant van Juliana noch de onbetrouwbaarheid van Bernhard uiteindelijk bekoren. Een omgekeerde generatiekloof leek zich weer voor te doen bij Willem-Alexander, die ook weer wat volkser is of wil zijn.

De vorst is een lege huls geworden, waarover je geen geschiedenis kan schrijven. Hij of zij moet een beetje persoonlijkheid hebben omdat de mensen het anders niet vertrouwen, maar niet zoveel dat grote groepen mensen zich er niet meer in zouden herkennen. Een koning die zijn felle fandom voor Marco Borsato uitdraagt is evenmin acceptabel als een koning waarvan iedereen weet dat hij eigenlijk het liefst Guy de Maupassant zou lezen. Vroeger waren koningen de enige spelers op het toneel. Zij hadden de macht en dus keek iedereen naar hen. Nu moeten ze, zo lijkt het wel, vooral hun best doen niemand te irriteren.

Chorus' boek zet wat we weten over Beatrix goed en leesbaar op een rijtje; maar er is enorm veel wat we niet weten en ook niet kunnen of zelfs mogen weten. Ja, de prinses is gevormd door haar eigenaardige opvoeding en daar als een eigenaardige persoon uit naar voren gekomen. Haar achtergrond en geschiedenis zijn met niemand te vergelijken. Dat maakt het eigenlijk moeilijk om een moderne biografie te schrijven, waarin je uiteindelijk altijd iemands gedrag 'verklaart' door deze volgens algemeen-menselijke wetten te laten volgen uit haar opvoeding en omstandigheden.

Je krijgt uit een boek vooral een indruk van wat een enorme paradox het koningsschap is – hoe het moet leiden tot ongeluk. Dat het vraagt van mensen om zich als lege hulsen te gedragen en dat dit een offer is dat je eigenlijk niet vragen mag.

27.4.13

Nick Hornby. Juliet, Naked. Riverhead books, 2009.

Nick Hornby is het duidelijkste voorbeeld van een feel good-schrijver. De strekking van Juliet, naked is bijvoorbeeld niet speciaal opwekkend – het boek laat toch vooral zien hoe vergeefs ons aller streven is en het happy end is wel het allerongeloofwaardigste deel van het boek. En toch knapt de lezer enorm op van dit boek, zoals van al Hornby's boeken.

Dat komt natuurlijk door Hornby's tomeloze enthousiasme. Het boek gaat deels over een fan, een Engelse man die een groot deel van zijn leven heeft gewijd aan een Amerikaanse rockster die ermee opgehouden is (voor een ander deel gaat het over die rockster, en voor nog weer een ander deel over de vrouw van de fan die een relatie begint met de rockster). Met die fan wordt weliswaar de spot gedreven – hij zoekt van alles achter het werk dat er helemaal niet in blijkt te zitten – maar tegelijkertijd is Hornby zelf ook in alles wat hij doet een fan. Hij houdt van Charles Dickens en dus leest de rockster Charles Dickens.

Je hoeft die voorkeuren helemaal niet te delen. Ik houd niet speciaal van voetbal of rockmuziek en ben in ieder geval niet geobsedeerd door Charles Dickes; en door Hornby te lezen is mijn liefde ook niet groter geworden. Maar je raakt door het redeloze enthousiasme zelf aangeraakt, en door de Britse relativerende humor.

Het leven, ach, het leven. We moeten er ons maar doorheen slaan en vooral beseffen dat er allerlei prachtige dingen zijn die ons helpen bij dat ons erdoorheen slaan. Mooie boeken, bijvoorbeeld.





21.4.13

Hal Weitzman. Latin lessons: How South America Stopped Listening to the U.S. and Started Prospering. Chicago: Home Room, 2012

Hugo Chávez is dood, dat weet u ook wel. Hal Weitzman wist het nog niet toen hij zijn boek Latin lessons publiceerde. Het lijkt me desondanks nog steeds een nuttig boek voor iedereen die iets wil begrijpen over wat er in Latijns Amerika is gebeurd in de afgelopen tien of vijftien jaar – hoe daar enkele linkspopulisten de macht hebben kunnen krijgen en deze bovendien hebben kunnen aanwenden om het continent een flink stuk sterker te maken.

De belangrijkste oorzaak was volgens Weitzman: dat ze niet maar de Verenigde Staten luisterden. Ze konden zich dat onder andere permitteren doordat de VS minder belang was gaan hechten in wat er allemaal in de 'achtertuin' gebeurde, maar bovendien was de wrevel over Noord-Amerika in de loop van de tijd terecht of onterecht ook zo groot geworden dat men besloot zich te richten op andere partners dan alleen maar het noorden – op China bijvoorbeeld.

Chávez was van die politiek misschien het meest uitgesproken gezicht en ook vermoedelijk (ik ben het niet gaan tellen) de politicus die Weitzman het vaakst noemt in Latin Lessons; maar Correa in Ecuador is een ander voorbeeld. Het waren en zijn populisten in de goede en de slechte zin van het woord: de goede zin is dat ze voor het eerst oor hadden voor de massa's van armen in hun land; de slechte dat ze meenden dat zij persoonlijk die meerderheid vertegenwoordigen en dat er naar minderheden minder geluisterd hoeft te worden.

Weitzman legt die complexe materie met bewonderenswaardige helderheid uit. Allerlei kanten worden genuanceerd belicht (de titel van het boek is provocatief, maar uit de tekst krijg je nauwelijks de indruk van partijdigheid). Ik heb het luisterboek de afgelopen weken beluisterd terwijl ik 's ochtends en 's avonds van en naar het station fietste, en werd zo ineens een stuk wijzer over de politiek en de economie van een heel continent.

Amos Oz en Fania Oz-Salzberger. Jews and words. New Haven & London: Yale University Press, 2012.

Wat is een jood? Op de een na laatste bladzijde van Jews and words komen de Israëlische romanschrijver Amos Oz en zijn dochter, de historica Fania Oz-Salzberger, ineens met een definitie:

Who is a Jew? Whoever is wrestling with the question 'Who is a Jew?' Here is our personal definition: any human being crazy enough to call himself a Jew is a Jew. 

Een opvallend woord in deze korte passage is het woord personal: hoe kunnen twee auteurs samen een persoonlijke definitie geven van een woord?

We zitten daarmee precies middenin de complexe materie die Oz en Oz in dit boek behandelen.

In de eerste plaats is er de doorlopende spanning van de traditie. De Joodse traditie is er volgens Oz en Oz vooral een van leraar en leerling: een eindeloze, zij het soms misschien onderbroken rij van enkele duizenden jaren van leraren en studenten, die met elkaar discussiëren, die met elkaar bekvechten, maar die er uiteindelijk voor zorgen dat de traditie niet alleen wordt doorgegeven maar ook doorlopend verrijkt.

Die relatie tussen leraar en leerling heeft overeenkomsten met die tussen ouder en kind, zeggen Oz en Oz, al hoeft natuurlijk lang niet iedere leerling een biologisch kind te zijn van iedere ouder. De Joodse traditie is niet per se een biologische, het is er vooral een van het almaar doorgegeven woord.

Dat woord – bijvoorbeeld het woord Jood – wordt dus almaar opnieuw gedefinieerd, en die definitie gebeurt in de traditie, in de voortdurende discussie tussen leraar en leerling. Die kunnen dus best samen tot een persoonlijke definitie komen. Als de leerling ooit leraar wordt, kan hij die weer veranderen.

Zoals uit die kleine passage ook al blijkt, is de logische consequentie hiervan dat je het Jodendom eigenlijk helemaal opengooit. Het Jodendom is een kwestie van woorden: Joden praten volgens Oz & Oz graag, en veel: ze ruzieën, maken grappen en argumenteren, zelfs tegen God. Een biologische factor kan niet echt een rol spelen en religieus dogma eigenlijk ook niet – iedereen die aan het spel van het doorgeven van de traditie wil deelnemen en daarbij 'gek' genoeg is, kan zich Jood noemen. Zoals Joden zich omgekeerd vrij voelen om auteurs van buiten het Jodendom in hun traditie op te nemen.

Op de allerlaatste pagina merken Oz en Oz op:

Often, in this essay and out there in the world, the Jews are not the Jews. They are all of mankind ad it comes to grips with story, meaning, and law, laid down in writing. Try to replace the word Jew in this book with reader. In many places you'd be surprised how well it works.

Je kunt je dan alleen afvragen hoe het Jodendom ervoor staat, nu over de hele wereld de geleerdheid in een steeds verdachter daglicht komt te staan. Er zijn natuurlijk nog wel allerlei wetenschappers die allerlei ontdekkingen doen, maar geleerden die de traditie bestuderen en doorgeven, daar lijkt steeds minder behoefte aan. Oz en Oz zeggen er weinig over, maar volgens hun redeneringen zijn alle zorgen die je kunt hebben over het voortbestaan van de lezer dus ook zorgen over het voortbestaan van de Jood.

8.4.13

Chrétien Breukers. Het eerste gedicht. Over het lezen van poëzie.Varik: De Weideblik, 2013

"Was ik een recensent," schrijft Chrétien Breukers in zijn nieuwe boek Het eerste gedicht, "dan zou ik zeggen dat Van Daalen een 'intrigerend en verontrustend spel van literatuur en leven speelt. Nu zeg ik: 'zelden een meer levende knekel gezien.'"

Breukers is geen recensent, in dit boek. Hij bespreekt het eerste gedicht van tientallen in de afgelopen jaren geschreven bundels, maar hij wil daarbij geen recensent zijn. Dat gaat hem geloof ik vooral om het taalgebruik van recensenten; daar zet hij zich regelmatig tegen af, tegen die taal, net als tegen de taal van jyury's en flapteksten. Want Breukers is ook geen jurylid en geen flaptekstenschrijver.

Maar behalve die dingen is hij verder van alles en nog wat in het Nederlandse dichtwereldje van het begin van de 21e eeuw: uitgever, dichter, beheerder van een weblog dat allerwegen wordt geroemd als hét podium voor poëzienieuws, De Contrabas. En dat laatste is hij in Het eerste gedicht nog het meest, een weblogger: iemand die dagelijks journaal houdt, die je kunt volgen in de dagelijkse worsteling met de vraag wat er nu precies de moeite waard is, aan die poëzie.

Ik lees De Contrabas bijna elke dag en ik kende de meeste stukken in deze bundel dus al. Het is raar hoe dat werkt: ik heb Breukers nog nooit ontmoet, maar door zo'n blog krijg je het gevoel dat je de auteur kent, veel meer dan het geval is dan bij een essaybundel.

Ik denk dat het bloggen eigenlijk de beste nieuwe vorm van literatuurkritiek is. Je bent een lezer die zich door de enorme rijstebrijberg aan te lezen materiaal heen eet. Steeds verschijnen er weer nieuwe boeken op je pad waarvan je vermoedt dat je ze moet lezen, omdat ze fijn zijn om te lezen of omdat je er iets aan gaat hebben. Een blogger is een andere lezer die ergens anders aan de rijstebrijberg knaagt, en die je een beetje leert kennen, of denkt te leren kennen, en met wie je gaat meelezen en van wie je af en toe een titel oppikt die je ook weleens zou kunnen lezen.

 En nu staan de stukken toch bij elkaar in een bundel, en daar staan ze ook goed. Het lijkt me een handzame kennismaking met de complexe persoon die Breukers is – complex omdat hij nu eenmaal een levende knekel is, alle levende knekels zijn complex –, een Contrabas voor beginners: wanneer je voor het eerst op zo'n website komt, weet je er misschien niet meteen de weg.

Ook na dit boek zou ik geloof ik nog steeds niet goed durven raden wat Breukers over een nog niet besproken boek gaat vinden. Het eerste gedicht begint met een soort manifest, een klacht over de staat van de poëzie: de vraag hoe het komt dat uitgevers hun dichtbundels niet aan de straatstenen niet kwijt kunnen. Zijn conclusie is dat het aan de dichters ligt, aan het feit dat ze zo in zichzelf gekeerd zijn, dat ze alle poëzie geschreven lijkt te zijn voor een klein groepje ingewijden.

Je zou dan kunnen denken dat hieruit volgt dat hij in zijn individuele besprekingen wel flink tekeer zou gaan tegen dichters die duister zijn, maar meestal is hij dat helemaal niet. Zijn methode is er juist een van heel zorgvuldig proberen uit te pluizen wat er staat. Hij laat zich ergens ontvallen dat hij een student van Kees Fens is geweest, en de houding van Fens lijkt hij zich te hebben eigengemaakt.

Dat je afzetten tegen het elitaire en het onbegrijpelijke, en tegelijkertijd bereid zijn ieder gedicht serieus te nemen laat zich moeilijk rijmen – ik zou nooit hebben durven voorspellen dat Breukers iets positiefs zou zeggen over de nieuwe bundel van Charlotte Mutsaers, maar dat doet hij dus wel.

Maar juist dat onvoorspelbare maakt de charme uit van De Contrabas, en van deze bundeling. Hier is iemand van dag tot dag aan het worstelen met de materie, met de vloed aan bundels die over hem wordt uitgestort en met de vraag hoe het allemaal verder moet. Was ik een recensent, ik zou zeggen: Lees die man. Maar ik ben een blogger en ik zeg: wat een levende knekel.