31.12.13

Guus Kuijer. De Bijbel voor ongelovigen 2. De uittocht en de intocht. Exodus, Jozua, Rechters. Amsterdam: Athenaeum - Polak & Van Gennep, 2013.

Het mooiste heb ik dit jaar voor het laatst bewaard: vanmiddag las ik deel twee uit van Guus Kuijers Bijbel voor ongelovigen. Het eerste deel vond ik vorig jaar al indrukwekkend, dit tweede deel is zo mogelijk nog beter. Ik geloof niet dat Kuijer tot nu toe veel prijzen voor dit werk gekregen heeft, maar ik verwacht eigenlijk dat voor hij bij de Apocolyps is aanbeland allerwege erkend zal worden dat hier een van de belangrijkste literaire prestaties in ons taalgebied van deze jaren geleverd is.

Want wat vertelt hij de verhalen – in dit deel die van Mozes tot en met die van Simson (en Delila) met smaak, met verve, met talent. Wat komen al die bijbelse personages tot leven. Ik vond bij deel 1 al dat de titel 'voor ongelovigen' iets teveel nadruk legde op het atheïsme van de auteur, die dat eigenlijk in dit boek steeds overstijgt. Ik geloof dat menige gelovige net zo veel kan beleven aan dit boek als menige ongelovige.

Bijbel voor mensen zou een betere titel zijn, want daar is het de schrijver om te doen: de mens beschrijven, de mens en zijn geloof, en zijn wanhoop, en zijn drang naar menselijkheid.

Een centraal thema in dit boek is de strijd tussen groepen mensen die, door hun godsdienst daartoe aangespoord, elkaar op een vreselijke manier naar het leven kunnen staan: de Hebreeën tegenover de Egyptenaren, de Filistijnen tegenover de Israëli's. Diep van binnen bewonderen ze elkaar, maar vanwege hun geloof in het goede, het enige goede, doen ze elkaar vervolgens de vreselijkste dingen aan.

Er staan drie grote verhalen in het boek: dat van Bitja, de (Egyptische) moeder van Mozes, die het verhaal over de uittocht in Egypte vertelt; dat van Mered, haar minnaar op latere leeftijd, een ongelovige Hebreeër die het verhaal van Jozua vertelt; en dat van Jaël, de juist zeer gelovige Keneniet, die een aantal verhalen uit het boek Rechters vertelt. Het zijn alledrie, en ieder op de eigen manier, relatieve buitenstaanders in de grote conflicten die in deze bijbelboeken beschreven worden. Kuijer heeft ze alledrie een hart gegeven, en een stem.

Terwijl ik de verhalen uit Genesis, die in deel 1 werden naverteld, redelijk goed kende, vond ik Rechters tot nu toe altijd een nogal onoverzienbare wanboel aan gebeurtenissen. Dat is het bij Kuijer ook – het is nu eenmaal een samenvatting van honderden jaren zeer ingewikkeld samenleven van allerlei volkeren in het kleine Beloofde Land – maar ik zie de kracht van die verhalen nu ook in. Kuijer maakt van de bijbel nu, aan het begin van de 21e eeuw, springlevende literatuur.

Die man moet hier belangrijke literaire prijzen voor krijgen.


30.12.13

Ilja Leonard Pfeijffer. La superba. Amsterdam: De Arbeiderspers, 2013.

La superba was het boek van 2013, in ieder geval in Leiden, de vroegere thuisbasis van de beroemde eminente schrijver Ilja Leonard Pfeijffer. Iedereen was het deze zomer aan het lezen, iedereen had het erover. En ik liep daar natuurlijk weer zo'n beetje achteraan en las het boek pas in de kerstvakantie.

Het is inderdaad een interessant boek, een grote stap op weg naar het meesterschap van Pfeijffer. Want er was altijd iets vreemds aan hem, als schrijver. Hij moest het lange tijd in zijn literaire werk hebben van grootspraak, hoogmoed, hyperbolen. Zijn poëzie, vooral zijn vroegste poëzie, is soms een beetje veel vuurwerk voor een niet altijd even rijke inhoud. En tegelijk was het duidelijk voor iedereen die hem een beetje kende – ik ken hem maar heel, heel oppervlakkig, ik ken hem zoals een gemiddelde inwoner van Leiden van de afgelopen twintig jaar hem kent – dat er daarbinnen minstens twee inhouden zaten. Die van een beminnelijke, gevoelige jongen, die bijvoorbeeld in De filosofie van de heuvel met zijn grote lijf in een klein bedje gaat liggen omdat zijn kleine vriendin alleen in het tweepersoonsbed op de hotelkamer wil slapen. En die van een sociaal bewogen man, die bijvoorbeeld de afgelopen jaren columns en opiniestukken in de NRC schreef.

In La superba ontmoeten die drie elkaar, en eigenlijk ook onder drie namen: Ilja, Leonardo en Ilja Leonard Pfeijffer. De bravoure is er nog, maar de gevoeligheid én de sociale betrokkenheid zijn geïntegreerd. Het zijn vast allemaal maskers, dat wordt ook regelmatig uitgelegd in het boek, ja hoor, het zijn allemaal maskers. Je kunt denk ik ook al honderd jaar geen literatuur meer schrijven zonder af en toe te benadrukken dat de eerlijkheid ook een masker is.

Maar ondertussen speelt die Ilja, die Leonardo, die Ilja Leonard Pfeijffer, wel een knap spel met vervreemding en vreemdeling zijn, met de vraag hoe het nu eigenlijk allemaal verder moet met hem en de wereld. Het is een boek waar je tijdens het lezen af en toe beschaafd van kunt gruwelen (er komen een paar onsmakelijke scenes in voor, dat is deel van de bravoure, hè, want ik geloof er niet echt in), maar waar je na afloop nog een tijd over na blijft denken.


29.12.13

Halldor Laxness. Independent people. London: Random House, 2004 (1934-35)

Het leven in IJsland aan het begin van de twintigste eeuw, dat was een grote worsteling met de elementen en tussen de mensen onderling. En dan kwam ook de moderne tijd er tussendoor.

Hoe deden die knoestige mensen dat? Die mensen uit een stuk, die vergroeid waren met hun stukje grond, die door enorme ijselijke omstandigheden op zoek gingen naar een schaap dat verdwaald was? Die niet van praten hielden maar wel degelijk wat voelden?

Ik ben denk ik wel honderd keer opnieuw begonnen in Independent people van de Nobelprijswinnaar Halldor Laxness. Ik heb het jaren geleden gekocht omdat het nu eenmaal op de lijst met de beste honderd boeken aller tijden stond die ik nog steeds moet aflezen. En ik wilde het lezen, maar kwam steeds niet door het mythologische deel heen.

Tot ik dan tijdens deze kerstvakantie de tanden op elkaar zette en eindelijk aanbelandde in het deel dat speelt in onze huidige tijd (en dat begint op ongeveer een tiende van het boek). Ha, echte mensen! Maar eerlijk gezegd vond ik het ook hier allemaal teveel naar aarde en zand ruiken, en de heroiek van de boer die strijd voor zijn onafhankelijkheid.

Het is vast zo gegaan, er zijn vast zulke mannen geweest: grote klompen ijs waarbinnen heel diep toch een soort hart groeide. (Vrouwen zijn in Independent people helemaal onbegrijpelijke, licht hysterische en onbetrouwbare wezens.) Waarom kan ik daar dan niet een grote roman over lezen?

Ik kan zelfs zien dat het een meesterwerk is: in deze vertaling glanzen de zinnen, de schrijver weet steeds allerlei mooie details naar boven te halen. Bovendien is de psychologie van sommige andere van de beste honderd boeken aller tijden (laten we zeggen, de Odyssee), nu ook niet altijd zo subtiel.

Het is misschien gewoon te koud voor mij, in de wereld van Laxness.