9.8.14

Tim Parks. Italian ways. On and off the rails from Milan to Palerma. London: Vintage, 2014 (2013)

Bijna aan het eind van Italian ways voert Tim Parks een discussie met een paar vrienden in het zuiden van Italië. Zij snappen niet waarom hij Italië wil uitleggen aan de hand van treinreizen 'van Milaan naar Palermo'. Parks probeert ze duidelijk te maken dat je de 'geest' van een land alleen kunt pakken wanneer je een bepaald detail eruit licht: in een goed gekozen detail vind je die geest helemaal terug. Toch snappen ze het nog steeds niet: zij gaan nooit met de trein. Kan hij niet beter schrijven over de prachtige goedkope luchtvaartmaatschappij die ze op Sicilië hebben?

Parks is een Britse schrijver die al dertig jaar in Italië woont. Hij spreekt vloeiend Italiaans, hij begrijpt de cultuur vast even goed als willekeurig welke Italiaan, maar hij blijft een buitenstaander – al is het maar doordat mensen als ze hem zien meteen zien dat hij een buitenlander is, en Engels met hem praten, en vragen waar hij vandaan komt.

Italian ways is een amusant boek wanneer je Italië en zijn spoorwegen een beetje kent. De mensen worden liefdevol beschreven, de eigenaardigheden van het systeem – de neiging rare Engelse namen te gebruiken om indruk te maken, de reclameborden overal, het soms bizar bureaucratische gedrag van de conducteurs, het geschreeuw van de reiziger die zonder kaartje reist. Sommige van die dingen (de sluipende overname door de commercie, en zelfs de neiging van reizigers om een roltrap helemaal te bezetten en niet één kant vrij te laten zodat mensen kunnen doorlopen) zijn natuurlijk niet speciaal Italiaans, maar meer anders dan Engeland dertig jaar geleden was. Maar dat maakt het niet aardiger.

Tegelijkertijd hadden die vrienden in het zuiden ook wel een beetje gelijk. In dat zuiden ontdekt Parks dat er nauwelijks een functionerend treinsysteem is: in het noorden rijden allerlei supersnelle en luxueuze treinen, maar in het uiterste zuiden zijn er alleen wat stoptreintjes die een keer per dag rijden en dan ongeveer een uur doen over 25 kilometer. En waar niemand in zit: daar vang je Italië dus niet mee.

Waarbij de vraag dan ook nog is: kun je de 'geest' van een land vangen? Heeft Italië een 'geest'? Zijn de verschillen tussen noord en zuid er niet minstens even groot als die tussen het noorden van Italië en Engeland? En zijn zelfs de verschillen tussen de mensen die bijvoorbeeld in het zuiden wonen niet nog veel groter?

Aan de andere kant: de ervaring dat je nog zo je best kunt doen, en nog zo goed Italiaans kunt leren, maar dat je toch altijd een buitenstaander zult blijven, die kent iedere noordeling die zich met het land heeft bemoeit. Misschien valt er toch wel iets over die geest te zeggen, en heeft Parks daar iets van onder woorden gebracht.

8.8.14

Uwe Timm. Vogelweide. Random House, 2013.

Ik weet het wel: dit boek zal de Duitse literatuurgeschiedenis niet ingaan. Het is een boek over de liefde, maar het gaat daarbij voor veel lezers teveel over het idee liefde. Allerlei aspecten van de liefde worden erin belicht: van internet-daten tot en met de middeleeuwse hoofse liefde, van het heilig idee van het huwelijk tot en met de one-night stand.

Vogelweide is het verhaal van een man, Eschenbach, die een buitenechtelijke relatie begint met de vrouw van een bevriend echtpaar en daarbij alles verliest: niet alleen zijn vrouw, en de minnares, maar ook zijn bedrijf, zijn huis. Alleen de vriend van het bevriende echtpaar verliest hij ironischerwijs niet, die vriend probeert hem zelfs te helpen op een manier die me aan Grunberg doet denken, al kan ik niet goed uitleggen: hij biedt Eschenbach aan om zijn Saab te kopen om hem deze dan in permanente bruikleen te geven. Uiteindelijk neemt Eschenbach echter een baantje aan op een Rottumerplaat-achtig, onbewoond Waddeneiland, als vogelwacht.

Daar komt de vriendin van eertijds hem opzoeken: dat is het raam van de vertelling, dat wordt ingevuld met herinneringen aan de eerdere liefdes en aan allerlei overwegingen. Die het boek dus zelfs voor de o zo serieuze Duitse literaire kritiek te intellectueel maken. De personages zijn te bleek, te veel ondergeschikt aan het boek.

Maar toch, maar toch.

Mij ontroerde het verhaal – vooral de laatste bladzijden – enorm. Misschien omdat verhalen over verloren liefdes mij toch al ontroeren en om de een of andere reden (een rare kronkel in mijn autobiografie die nauwelijks valt uit te leggen, iets van lang geleden; nee, niet wat u nu denkt) verhalen over verloren liefdes in het Duits nog veel meer. Dat de personages inderdaad wat bleek zijn – Berlijnse gegoede middenklasse, meer kom je eigenlijk niet te weten – helpt zelfs juist: zo kun je projecteren wat je wil. Bij te uitgewerkte personages begin je je toch altijd een beetje af te vragen hoe iemand daar nu op kan vallen.

En bovendien wordt het zo een beetje een Elkerlyk-verhaal: wat tobt de mens, wat tobben wij allen toch met de liefde, met dat uiterst wonderlijke mengeling van gevoelens met allerlei ideeën over hoe het hoort en hoe het juist is. Over die explosieve mengeling van ideeën en gevoelens gaat Vogelweide volgens mij: hoe onze ideeën over de ware en over trouw, en over hoe het allemaal hoort te zijn, het uiteindelijk soms totaal verpesten. En dat het ook geen oplossing is om dan maar alleen 'je gevoelens te volgen'.

Ik ben bang dat de critici daarvan alleen de ideeën hebben gezien. Ik hoop dat het boek er niet om vergeten wordt.

 

7.8.14

Aletta H. Jacobs. Herinneringen van Aletta H. Jacobs. Amsterdam: Holkema en Warendorf, 1924. (DBNL)

Herinneringen van Aletta H. Jacobs, dat is nu een boek dat – in verkorte vorm – op iedere school verplicht zou moeten worden gesteld. Uit je hoofd leren, jongens en meisjes, om te begrijpen wat het is om mens te zijn.

Wat een verhaal! In 1854 geboren in Sappemeer, wordt Aletta op haar veertiende van school gehaald omdat er voor meisjes geen vervolgopleidingen zijn – de HBS is alleen voor jongens. Zij ziet echter niets in een leven dat alleen bestaat uit huishouden, leert Frans en Duits en loopt daarna de hele tijd met Duitse boeken rond, ook tijdens het stoffen, zodat ze de hele tijd van alles omgooit. Haar vader, die volgens Jacobs' herinneringen heel betrokken was bij al zijn kinderen, merkt dat op, en probeert met haar een oplossing te vinden: wat zelfstudie, een toehoorderschap op de HBS.

Voor Aletta is het echter duidelijk: ze wil leren! Ze moet leren! Ze zal leren! En dus wordt ze de eerste Nederlandse vrouw die een universitaire opleiding afmaakt, de eerste vrouwelijke arts, en een belangrijk strijdster voor vrouwenrechten in ons land, die zich vooral inzet voor het vrouwenkiesrecht, maar ook tegen prostitutie, vóór betere arbeidsomstandigheden van vrouwelijke winkelbedienden, en dat alles met grote onverstoorbaarheid.

De herinneringen schreef ze toen ze net zeventig was geworden, en in een bijzonder leesbare, levendige stijl, zonder enige literaire pretentie, zodat het gespeend is van allerlei fraaiigheden die veel andere boeken van 90 jaar geleden nu moeilijk te verteren maken. Het is een heerlijk boek vooral doordat je het idee hebt dat Aletta met je praat, en Aletta moet een geweldig mens zijn geweest: onverstoorbaar, met een grootse zin voor ontwikkeling en studie, en een diep ontwikkeld gevoel voor rechtvaardigheid. Ach, het idealisme van honderdvijftig tot honderd jaar geleden, waar is het gebleven! Je leven zo vanzelfsprekend inzetten om onrecht op te lossen en de wereld beter te maken, hoe kan dat in het cynisme zijn ten onder gegaan.

De reden waarom het boek wel wat korter kan is door de enorme gedetailleerde aandacht die Jacobs had voor de details van alle reizen die ze heeft gemaakt. Nu heeft ze ongetwijfeld ook enorm veel gereisd, naar alle delen van de wereld – heel Europa, Amerika, Afrika, Azië – omdat ze ervan overtuigd was dat de vrouwenstrijd een internationale strijd was. Maar tegelijkertijd waren dat natuurlijk wel overwegend reizen in min of meer westerse (koloniale) of anderszins verwesterde kring – dus zo avontuurlijk was het allemaal niet.

Tegelijkertijd heeft die enorme aandacht voor die reizen ook wel iets charmants. Je ziet de 70-jarige ongedwongen terugkijken op haar leven en opschrijven wat ze zich herinnert. Hoewel ze helemaal niet overdreven bescheiden is over wat ze heeft bereikt (integendeel, ze heeft dat vrij precies ingezien), waren die reizen voor haarzelf natuurlijk het kleurrijkst en meest exotisch. Dus heeft ze daar zo uitgebreid over geschreven. Dat dit 90 jaar later niet meer zo heel interessant zou zijn, dat is ze daarbij vergeten, want ze schreef natuurlijk niet voor 90 jaar later.

Hoe goed ze zichzelf ook zag, ik denk niet dat ze kon zien hoe inspirerend ze na zoveel tijd nog zou kunnen zijn.