20.11.14

Christiaan Weijts. De linkshandigen. Amsterdam: De Arbeiderspers, 2014.

Tegen het eind van De linkshandigen duikt er ineens een nieuw personage op: I'm a friend of Emma's. Quinten. Hij is iemand die alles blijkt te weten van het geheim van Simon, het centrale personage van het boek, en die hem toch geen kwaad wil doen.

Iedere Nederlandse lezer moet bij die naam natuurlijk even aan Harry Mulisch denken: het is de voornaam van centrale figuur in De ontdekking van de hemel, degene om wie de schrijver zorgvuldig een wereld heeft opgebouwd waarin hij, de schrijver, niets aan het toeval heeft overgelaten. Het is volkomen duidelijk wie er de baas is – de schrijver – en dat vooral Quinten uiteindelijk een pion is die precies wordt gevormd om te doen wat nodig is: de hemel ontdekken nu de mensen onder andere door hun gehechtheid aan de techniek zijn kwijtgeraakt.

Het is inmiddels 22 jaar later. De linkshandigen lijkt me in allerlei opzichten een vervolg op De ontdekking van de hemel.

Wat Mulisch niet kon voorzien: dat de (communicatie)techniek zich zo zou ontwikkelen dat bedrijven evenveel greep zouden krijgen op reële mensen als Mulisch op zijn personages. In De linkshandigen is het een telefoonbedrijf, S&M, dat zoveel weet van alle gebruikers dat het iedereen volkomen in zijn greep heeft: eerst de werknemers van het bedrijf, en gaandeweg ook de klanten. Dat Simon eens min of meer per ongeluk een werknemer van het bedrijf heeft gedood, daarvan is geen bewijs, behalve een tekening die hij nooit aan iemand heeft laten zien. En die het bedrijf desalniettemin in zijn bezit lijkt te hebben, zoals hij voor werknemers van het bedrijf ook na ingewikkelde zwerftochten makkelijk te zien lijkt te zijn.

Tegelijkertijd is de wereld met de nieuwe meesters – niet langer de god-kunstenaar, maar het bedrijf – er niet ordelijker op geworden. Waar in Mulisch' roman nog geen boom kan omvallen of het is wel deel van een ingewikkeld, de kosmos omspannend plan, daar zitten in Weijts boek allerlei heel opvallende draden expres los: in het eerste deel van het boek wordt ter sprake gebracht dat er langs de snelweg allerlei losgehakte lichaamsdelen worden gevonden, en wordt gesuggereerd dat Simons reisgenote Katherina misschien iets te maken kan hebben met die moord of moorden, maar op een bepaald moment blijkt het een onbekend iemand anders geweest te zijn. Die afgehakte lichaamsdelen dienden geen enkel plan.

Die chaos heerst ook niet alleen in de buitenwereld, maar ook in de binnenwereld, waar de linkerhand niet alleen niet weet wat de rechter doet, maar zelfs af en toe iets geheel anders doet. Het spelletje dat Weijts speelt met de al dan niet aangenomen linkshandigheid van zijn personages is ook nogal Mulischiaans – inclusief de gymnasiale gelijkstelling van linkshandig en sinister. Alleen is het volkomen duidelijk dat de schrijver bij Weijts het allemaal niet meer in de hand heeft – dat zijn de bedrijven.

Zo zijn er veel meer kleine verbanden aan te wijzen: de cello die in beide boeken een rol speelt, de euthanasie die een eind maakt aan het leven van de celliste. Ik wil daarmee niet zeggen dat je De linkshandigen alleen kunt lezen als je De ontdekking van de hemel kent – het lijkt mij dat je ook zonder Mulisch een mooi, spannend, bedachtzaam boek in handen hebt. Maar het contrast met het nog niet eens zoveel oudere boek van de betreurde meester, maakt De linkshandigen nog net wat melancholieker.

18.11.14

James Wood. How Fiction Works. Cape, 2008.

Wat is deskundigheid toch iets moois! Vooral deskundigheid over dingen die overal om je heen zijn. Ik herinner me dat ik als kind ooit een rondleiding in een oude boerderij meemaakte en dat de gids over ieder klompje stof dat op tafel lag met gemak een half uur kon vertellen, en dat je door dat vertellen voor je ogen dat klompje stof in een amulet ziet veranderen.

Dat heb ik altijd gewild, van iets alledaags alles weten. En dat fascineert me nog steeds – iemand tegenkomen die me van alles kan laten zien in dingen die ik al zo vaak heb gezien.

Zoals James Wood doet met de roman in How fiction works. Er zijn heel veel boeken over romanschrijven, maar ik heb er nog nooit een gelezen dat zo duidelijk leert om goede romanschrijvers beter te lezen – beter te begrijpen wat ze met hun stijl kunnen doen, en hoe in ieder geval een bepaald, klassiek, post-Flaubertiaans type schrijver een roman maakt.

De kern van een goede roman voor Wood is psychologie, het opbouwen van een geloofwaardig en interessant karakter. Dat hoeft niet per se een 'rond' karakter te zijn, wanneer het maar minstens één verrassing veroorzaakt, en wanneer de schrijver in zijn beschrijving maar rekening houdt met de wereld waarin dat karakter leeft. Ook, of juist, in de vrije indirecte rede zou bijna ieder woord dat de schrijver kiest als het ware ook door het karakter gekozen kunnen zijn, en is iedere beeldspraak gekozen uit de wereld waarin zo'n karakter leeft.

Een sleutelwoord in de vorige zin is dan wel ook nog bijna, want door af en toe een draaitje te geven en nét een ander woord te kiezen dan het karakter zou doen, kan de schrijver de zaak ook nog een ironische draai geven en daar houdt Wood ook van.

Daarmee worden natuurlijk heel veel boeken overgeslagen – boeken waarin de karakters niet zo duidelijk zijn, bijvoorbeeld, of waarin vooral een heleboel gebeurt, of zelfs waarin het verhaal door een ik-figuur wordt verteld.

Maar dat doet er niet toe. Heel, heel, heel (heel) veel goede romans hebben op zijn minst deze component en door zijn eigen prachtige stijl en zijn goedgekozen voorbeelden en de precisie waarmee hij deze analyseert, ga je die beter zien; en bovendien leer je er – of: leerde ik er – ook echt beter van lezen, en kreeg ik zin om stof van allerlei oude boeken af te blazen om er de amulet onder te zien.