30.3.15

Michel Houellebecq. Soumission. Paris: Flammarion, 2015.

Er bestaat geen treuriger beschrijving van Parijse winkelcentra zoals dat aan de Place de Italie dan in het werk van Michel Houellebecq. Ah, Parijs! Oh la la! Nee, in het werk van Houellebecq is het van een verstikkende, neerdrukkende, dodelijke normaliteit: een leven van ergens snel een blikje drinken halen, of een 'prikkelende' onderbroek. Alles is zinloos en treurig en plat.

Door die wereld loopt François rond, een kenner van het werk van de negentiende-eeuwse schrijver Huysmans. Hij is alleen, hij eet 's avonds sushi of thuisbezorgd eten van de Libanees. Af en toe heeft hij een vriendin, onveranderlijk een studente die hem even onveranderlijk na verloop van tijd meedeelt dat ze "iemand is tegengekomen" en dat de relatie daarom voorbij is.

En in die wereld – die zich afspeelt in 2022 – zijn er verkiezingen en bij die verkiezingen wordt de intelligente, betrouwbare kandidaat van de Moslimbroederschap de nieuwe president. Hij biedt het land hoop: hoop op orde, op structuur, op hernieuwde trots op Frankrijk (wanneer Marokko en Algerije toetreden tot de EU, wordt het Frans vanzelf belangrijker). Zoals ook de islam zelf hoop en structuur blijkt te bieden in deze zinloze wereld. Aan het eind van het boek staat François op het punt zich te bekeren.

Veel boeken van Houellebecq zijn indrukwekkend, ik vind hem op afstand de interessantste Franse schrijver van dit moment. Dit boek hoort daar zeker bij: het zet drie nieuwe stappen in het inmiddels o zo sleetse zogenoemde 'islamdebat' dat tot nu toe vooral bestaat uit 'islamcritici' die tekeergaan over hoe vreselijk dat geloof is tegenover de mensen die vinden dat we toch vooral 'respect' moeten hebben voor de mensen uit vreemde culturen. Nog nooit heeft iemand zo overtuigend laten zien dat de islam juist ook voor West-Europeanen ineens heel aantrekkelijk kan worden, althans als ze bereid zijn om er bijvoorbeeld de aantrekkelijkheid van te zien dat de vrouw zich onderwerpt aan de man, zoals de man aan Allah.

Soumission is niet eens in alle opzichten zo'n geslaagd boek. Soms onderbreken de exposés over de politiek van de nieuwe regering het betoog wel heel erg – zelfs waar het niet over de islam gaat (de niewe regering wil een tussenweg tussen kapitalisme en socialisme, ja, nou en?) Bovendien is de plaatsing in zelfs de nabije toekomst een beetje wereldvreemd: je wordt geacht te geloven dat het een teken van de enorme moderniteit is van de nieuwe islamitische rector van de Sorbonne-universiteit dat hij drie faxen heeft. Faxen!

Maar die rafelranden horen juist ook bij het boek; ze geven er de persoonlijke touch aan. Het boek is natuurlijk geen geloofwaardige toekomstroman, het is een reflectie, een lang essay aan de hand van een verhaal: je wordt er niet zozeer binnengeleid in de wereld van ene François als wel in die van die rare, smoezelige, maar razendscherpzinnige Houellebecq.

22.3.15

François-Henri Désérable.Évariste. Paris: Gallimard, 2015.

Évariste Galois, dat is zo iemand over wiens leven je een film zou kunnen maken: een jonge man die leefde in het woelige Parijs van de vroege negentiende eeuw, een genie dat als kind al een soort magisch inzicht in de wiskunde leek te hebben, een jongen die zich mee liet slepen een duel in, dat duel niet overleefde, maar wel de nacht ervoor nog al zijn inzichten neerkrabbelde in notities die wiskundigen nog steeds inspireren.

Het is bijna te mooi om je voor te stellen.

Wat een prachtig onderwerp voor een film. En wat een mislukt onderwerp voor een geromantiseerde biografie door een jonge Franse schrijver.

Het is alsof François-Henri Désérable geen weg wist met zijn materiaal. Hij heeft geen voeling voor de wiskunde, hij heeft geen echte voeling met de tijd, hij weet Galois niet dichterbij te brengen hoe vaak hij hem ook bij de voornaam noemt. En dus maakt hij dat ongemak maar tot het onderwerp van de roman, die ook verder regelmatig de mengeling van feit en fictie tot een soort onderwerp verheft: Désérable zegt de ene bladzijde gerust dat hij niet precies weet op welke dag iets gebeurde, om op de volgende onbekommerd uiteen te zetten wat 'Évariste' zoal dacht. Ondertussen richt hij zich dan af en toe koket tot een lezeres.

Dit boek heeft me, kortom, hopeloos geïrriteerd. Het was dat het weken lang in mijn tas zat en ik af en toe dan maar wat in dat boek las omdat ik verder niet bij me had – anders had ik het nooit uitgelezen.




16.3.15

Ian McEwan. The Children Act. London: Jonathan Cape, 2014

Een rechter wordt geprezen om de elegante stijl waarmee ze vonnissen schrijft, haar logica, haar schranderheid. Maar in haar eigen leven bakt ze er minder van. Haar man begint een zeer kortstondige affaire met een jonge vrouw — iets waar de rechter op zijn zachtst gezegd autistisch op reageert. En zelf laat ze zich op een onbewaakt moment meeslepen door een 18-jarige voormalige Jehovah's Getuige te zoenen.

The Children Act is zelf vooral heel elegant geschreven. De rechter speelt ook piano, Debussy, en dat is ook de sfeer van het boek: tegelijk precies en dromerig. Meerdere van de zaken waar Fiona over moet oordelen worden in detail beschreven, maar ook haar eigen handel en wandel wordt allemaal in een even fraai en elegant Engels te boek gesteld.

Alleen had ik, net als bij eerdere boeken van McEwan die ik las, uiteindelijk te veel afstand. Er valt een dode in het boek — de jonge Jehovah's Getuige —, maar zelfs dat deed me niet zoveel. Het is allemaal wat te knap, te precies, te Engels misschien ook wel om mij echt aan te spreken.

Daarmee heb ik dus dezelfde kritiek op McEwan die je ook op Fiona zou kunnen hebben. Ze zijn allebei vakmensen, ze drukken zich allebei heel elegant uit, maar het is net alsof ze niet tegen het leven kunnen.

11.3.15

Arnon Grunberg. Het bestand. Amsterdam: Nijgh en Van Ditmar, 2015.

De recensies die ik van Arnon Grunbergs novelle Het bestand heb geschreven zijn over het algemeen niet heel positief: er gebeuren te veel dingen, die dingen zijn te heftig en te onsamenhangend. Het zou te veel op het effect geschreven zijn, misschien wel met het (onzinnige) experiment in gedachten dat er zou worden uitgevoerd: de opgewekte emoties bij lezers zijn met een hersenscan gemeten.

Maar ik vind het een fraaie novelle, over iemand die steeds dieper een nestwerk van hersenspinsels wordt ingezogen, tot ineens de dierenvriend al zijn katten blijkt te hebben afgeslacht omdat hij zeker wist dat ze hem bespionneerden. Een wereld waarin inderdaad allerlei onlogische sprongen worden gemaakt (de vader van Lianne lijkt soms wel en soms niet dood, een USB-stick duikt helemaal aan het eind op ineens op in iemand anders handen).

Maar dat hoort er allemaal bij, het is de logica en het geknetter van een nachtmerrie. Ik geloof nooit dat je dat op de hersenscans zult kunnen zien – zoveel weten we niet van het brein, dit soort metingen heeft geen enkele zin –, maar je kunt het er wel in lezen.

Je kunt natuurlijk zeggen: maar ik vind nachtmerries geen literatuur, ik vind dat literatuur kalm moet zijn, niet heftig, en logisch opgebouwd en strak en zonder vreemde gebeurtenissen. De hoofdpersoon in dit boek maakt ook geen duidelijke ontwikkeling door – ze begint raar en ze blijft raar. Het is dan ook geen roman, het is een lang verhaal, zo moet je het zien, vind ik. En Grunberg is een meester in de verhalen, en een grootmeester in de nachtmerrie.

8.3.15

Joris Luyendijk. Dit kan niet waar zijn. Onder bankiers. Amsterdam: Atlas Contact, 2015.

Joris Luyendijk laat al jaren zien dat antropologie heel goede journalistiek kan opleveren en de beste antropologie misschien wel journalistiek is. Terecht merkt hij in dit boek, over de tweeënhalf jaar die hij in de nog altijd durende nasleep van 2008 doorbracht in de City, op dat economen eigenlijk nooit veldwerk doen.

Economen zitten in een model van de wetenschap die veldwerk eigenlijk niet toelaat, al zegt Luyendijk dat er niet bij: te arbeidsintensief, het levert te weinig 'harde' data op waarop je echte statistiek kunt doen, dat op zijn beurt weer leidt tot publicatie in de prestigieuze tijdschrifte. Economen zijn niet zo geïnteresseerd in de menselijke factor. En de meeste economisch journalisten zijn economen.

Luyendijk schrijft sowieso weinig over economen: hij sprak 200 mensen die vooral voor banken werken, maar hij schetst daarmee een treffend portret van hoe het mis kon gaan. Het cliché-beeld van de grote graaiers klopt niet – zo iemand komt in het boek eigenlijk niet voor. Het is erger. Wanneer het over een aantal graaiers ging, kon je die eruit gooien en verder gaan. Luyendijk beschrijft een systeem waarin ambitie en hard werken en willen winnen en geen grenzen kennen een keer is dolgedraaid en ons allen op de rand van de afgrond heeft doen balanceren. En nog altijd voortbestaat.

Door zijn beschrijvingen kun je je heel goed voorstellen hoe het gaat. Je komt in een club van heel slimme, hardwerkende mensen, in een wereld waar je kunt bewijzen wat je waard bent, hoe goed je bent. Het geld is wel belangrijk, maar vooral als teken dat je als mens echt iets waard bent. En je laat je erin meeslepen, je bedenkt knappe 'financiële producten', en bent intelligent genoeg om de controles te omzeilen terwijl je nog wel binnen de grenzen van de wet werkt. Mij lijkt dat op een bepaalde manier allemaal best aantrekkelijk: ik houd ook van hard werken en iets laten zien, al ben ik blij dat ik het niet op die manier hoef te doen.

Ik heb door een kronkel op mijn levenspad in 2006-7, vlak voor de bubbel barstte, ook wel wat van die mensen leren kennen, en gezien wat de aantrekkingskracht ervan was, al bleef ik altijd trots op mijn geesteswetenschappelijke achtergrond waarvan die mensen vonden 'dat het niets bijdroeg aan de maatschappij', terwijl je nu zou zeggen dat het tenminste ook geen schade toebracht.

Luyendijk brengt zijn boek ook als een waarschuwing: er is aan het syteem te weinig wezenlijk veranderd, het probleem wordt nog altijd te weinig serieus genomen. Door de menselijke factor blijft die dreiging wel een beetje op de achtergrond, vind ik. Je snapt wel dat het een groot probleem is, maar doordat de meeste van die bankiers in essentie toch allemaal aardige mensen blijken, zie je de ernst van een en ander gemakkelijk over het hoofd.

5.3.15

Sofokles. Oidipous, Antigone. Athenaeum-Polak en Van Gennep, 2008 (5e eeuw v. Chr.).

(Vertaling: Gerard Koolschijn)

Griekse tragedies zoals Oidipous en Antigone zijn in vertaling tegelijk begrijpelijk en onbegrijpelijk. Ze zijn beter te volgen dan menig toneelstuk uit de barok – zo ingewikkeld zijn de verhalen niet, ze worden bovendien vrij rechtlijnig verteld en een moderne vertaler, zoals Gerard Koolschijn, doet er alles aan om de tekst zo glad mogelijk te laten lopen – in dit boek in vijf- of zesvoetige jamben.

Tegelijk is er iets intens onbegrijpelijks aan de verhalen – een wereldbeeld dat net niet helemaal het onze is, een omgang met zieners bijvoorbeeld die ik eigenlijk alleen ironisch kan lezen, je kunt je nauwelijks voorstellen dat mensen dat geloven. (Nou ja, tegelijkertijd weet ik natuurlijk ook wel dat Ronald Reagan ook een sterrenwichelaar raadpleegde.) In Antigone staan twee partijen tegenover elkaar die allebei een opvatting huldigen die wij niet meer huldigen; je moet daar dan van abstraheren (het gaat om 'de wet van de staat' tegenover 'de wet van de natuur (of van God)'). Dat abstraheren kun je natuurlijk wel doen, maar het gevoel is dan natuurlijk toch anders dan voor de eerste de beste Athener.

Tegelijkertijd was het voor die Athener natuurlijk ook vreemd. Ik ben in mijn lezen van dit boek sterk beïnvloed door een boek dat ik onlangs gelezen heb over Harry Mulisch, waarin diens belangstelling voor de Griekse mythen wordt gezien als een belangstelling voor het tot bloedens toe schuren tussen de eindige, tijdelijke mens en de grootse, eeuwige ambities van ideologie of techniek. Piet Gerbrandy noemt dat trouwens ook in zijn nawoord, dat schuren, maar dan zonder Harry Mulisch erbij.

En we zijn als mensen gewoon nog geen stap verder, noch is er enig vooruitzicht dat we ooit verder zullen komen. We weten niets – dat is de kortste samenvatting van Oidipous – en toch stellen we elkaar op een onzinnige manier de wet – dat is de kortste samenvatting van Antigone.

(Ik las deze vertaling ook in maart 2008)




2.3.15

Willem Otterspeer. De zanger van de wrok. Willem Frederik Hermans. Biografie 2 (1953-1995). Amsterdam: De Bezige Bij, 2015.

Je zou dit boek nauwkeurig van voor naar achter kunnen lezen. Dan is het een slecht boek. Je raakt verstrikt in allerlei details uit het leven van iemand die zeker de laatste twintig jaar niet zoveel meemaakte, je krijgt allerlei navertelde romans en korte verhalen voor je kiezen, allerlei eigenaardige, min of meer misplaatste oordelen over het werk van de hoofdpersoon én van allerlei anderen (wat heb ik er voor boodschap aan dat Willem Otterspeer Rudy Kousbroek enorm bewondert, maar weinig waardering kan opbrengen voor Hermans' Uit talloos veel miljoenen: voor één hoofdstuk uit dat boek geef ik het verzameld werk van Kousbroek cadeau, en nu Otterspeer weer.)

Je kunt het ook lezen zoals het geschreven lijkt: gehaast, af en toe wat doorbladerend. Dan is het een ontroerend boek met het treurige verhaal van een man die zijn leven lang het onmogelijke eist van zichzelf en anderen en dan verbitterd en eenzaam sterft.

Is dat erg, dat je af en toe wat moet bladeren? Had het boek daarom dunner gekund? Van mij had het niet gehoeven.

Vooral het verhaal van hoe Hermans zich ondanks zijn successen toch volkomen mislukt kon voelen (er was immers van alles wat hij níet had bereikt, zoals een carrière als fotograaf of een doorbraak in het buitenland) grijpt de lezer aan. En hoe hij zich gaandeweg steeds meer opsluit, al zijn vrienden van zich vervreemdt, zelfs op zijn vrouw neerkijkt hoewel hij niet zonder haar kan. De sterfscène — hij kiest voor euthanasie en keert zich na de dodelijke injectie op zijn zij, weg van zijn vrouw en zoon — zal ik nooit vergeten. Ik haal dat als lezer ook zonder probleem zelf wel op onder de documenten.

Mijn kritiek op het boek is wel dat Otterspeer zoveel kritiek heeft op het latere werk van Hermans. Als biograaf moet je toch ook in het werk zo goed mogelijk doordringen, vind ik, en dat lukt niet goed als je het allemaal maar gezeur vindt. Ook Otterspeers verklaring voor jet afnemende niveau vind ik dubieus: zou het echt komen doordat Hermans na zijn gelijk in de Weinreb-zaak zijn zelfkritiek verloor? Werd hij niet gewoon oud en zuur en eenzaam?