13.3.16

Mark Boog. De rotonde. Amsterdam: Cossee, 2015

Zelden werd in een roman de ontknoping zo vroeg weggegeven als in deze 'roman in verzen' van Mark Boog. Wanneer een man een heel lang boek onderweg is naar een kruispunt waar hij iemand (de duivel) gaat ontmoeten, en die roman heet 'de rotonde', kun je niet echt zeggen dat het als een verrassing komt dat men op het bedoelde kruispunt rondjes draait. Al helemaal niet als op het achterflap wordt gemeld dat 'het kruispunt – dat zul je altijd zien – verandert in een rotonde'.

Van de ondraaglijke spanning moet deze roman het dan ook niet hebben, ook al klinkt er iedere drie kwatrijnen een refrein dat (met variaties) zo klinkt:

Hij ziet de weg.
Hij buigt het hoofd.
Het onweert in de verte.

Van Dam wil in dit lange gedicht de duivel ontmoeten om zijn ziel te verkopen. Alleen op die manier kan hij misschien nog iets interessants maken van zijn leven, waar hij zich duidelijke halverwege bevindt (er zijn op strategische plaatsen wat verwijzingen naar Inferno). Althans, wat is halverwege op een rotonde?

Hij draait dan ook duidelijk de hele tijd in rondjes rond: het onweer blijft in zekere zin altijd op de verte, want waar Van Dam is, daar is het onweer niet.

Boog heeft heel goede dichtbundels én intrigerende romans geschreven, dus als er iemand bij wijze van experiment zo'n lang gedicht zou moeten kunnen schrijven, is hij het. Het is een wonderlijk boek: het is te lang voor lyriek, zelfs van de wonderlijke Boogiaanse soort, en hoewel er wat aardige bon mots inzitten ('de duivel is een manager' ga ik de komende tijd als mijn motto voeren) gaat het hier duidelijk niet om de individuele sterke regel. Aan de andere kant ontbreekt dus vrijwel iedere spanningsboog – de rotonde doet in die zin wel wat denken aan een roman van Beckett voor de eenentwintigste: een met een refrein, waarbij je kunt zingen.

Esther Gerritzen. Broer. Breda: De Geus, 2016

In het eerste boekenweekgeschenk dat sinds 14 jaar door een vrouw geschreven is, worden de rollen omgedraaid. Het verhaal gaat over een vrouw met een midlife-crisis: ze komt erachter dat ze haar carrière altijd te belangrijk heeft gevonden, dat ze te weinig aandacht heeft gegeven aan haar familie. Alle mannen rondom Olivia kunnen beter met hun gevoelens omgaan dan zijzelf.

Ik vind Esther Gerritsen een briljante schrijver. Haar stijl is niet eens zo bijzonder, althans het is eerder theater dan proza: de dialogen zijn ook in Broer ijzersterk en dragen het boek, het decor is vooral decor: een grootwinkelbedrijf in handen van een familie voor wie Olivia komt werken, haar eigen veel te grote appartement, een ziekenhuis, een revalidatiecentrum. Het zijn grootse ruimtes waarin de mensen hun onderhuids al even grote emoties in doodgewone woorden bespreken.

Er is wel iets met de namen. De familie van het familiebedrijf heet Kyvon en zoiets leidt mij dan vreselijk af. Wat betekent dat? Er is in de Nederlandse cultuur natuurlijk maar één Kyvon, en dat is André van Duin (die trouwens nog oorspronkelijker André Kloot heette, tot zijn vader de eerste verandering doorvoerde, naar Kyvon – nog steeds Van Duins officiële naam). Je kunt zo'n naam, lijkt mij, in de vroege 21e eeuw niet zomaar gebruiken, vind ik. Maar ik zie niet wat er zo komisch of tragisch is aan de familie Kyvon in dit boek. Dat intrigeert mij dan.

Jelle Brandt Corstius. As in tas. Das Mag Uitgevers, 2016.

Volgens Jelle Brandt Corstius hadden woorden voor zijn vader geen betekenis. Vandaar dat hij van alles en nog wat loog, vandaar dat hij naar hartelust mensen beledigde, ook in het gewone leven, vandaar dat hij zich opsloot op zijn werkkamer om eindeloos betekenisloze spelletjes te doen met taal.

In dit boekje beschrijft Jelle Brandt Corstius een laatste reis die hij met zijn vader maakte. Die laatste was inmiddels dood, maar Jelle borg een deel van zijn as op in zijn tasje en fietste van Amsterdam naar de Middellandse zee om daar het zakje leeg te kieperen. Naar de Middellandse zee hebben Jelle en Hugo overigens nooit samen gefietst: ze trokken er wel af en toe samen een paar dagen op uit, maar die tripjes duurden al niet lang genoeg om zo ver te komen – de irritatie van Jelle over zijn horkerige, volkomen excentrieke vader waren na twee dagen al veel te scherp geworden.

Nu fietst hij dus moederziel alleen – hij heeft geen vriendin, hij wordt slechts een keer door een mens aangeraakt op deze reis, een dorpsprostituée die hem over zijn bolletje aait – door de Ardennen, door het kale Franse land, over de Alpen en denkt aan die vreemde vader over wie hij eigenlijk alleen sterke verhalen kent – verhalen die vaak door Hugo zelf werden opgehangen.

Goed kent Jelle het werk van zijn vader naar mijn indruk niet, of althans, je krijgt de indruk dat hij denkt dat het overwegend uit scheldpartijen en rare taalspelletjes bestaat en dat is een nogal karikaturaal beeld. Voor Hugo hadden woorden natuurlijk wel degelijk betekenis – hij hield van literatuur, ook als die meer was van spel en schreef ook zelf mooie beschouwingen en verhalen.

Alleen de sociale betekenis leek bijna helemaal te ontbreken; maar dat gold dan niet alleen voor taal, maar al zijn onaangepaste gedrag. Wat dat betreft is het natuurlijk passend dat Jelle er alleen op uittrok en dat hij onderweg een aantal nogal bizarre figuren tegenkomt. Heel diep gaat het allemaal niet in dit boekje, maar het geeft een aardig portret van twee onaangepaste mannen, een vader en een zoon.

2.3.16

Ilja Leonoard Pfeijffer. Brieven uit Genua. Amsterdam-Antwerpen: De Arbeiderspers, 2016

Zelden een eenzamer boek gelezen dan Brieven uit Genua, een boek waarin Ilja Leonard Pfeijffer wel héél vaak zegt dat hij nu eens niet gaat liegen en alles eerlijk opschrijven zoals het echt gebeurd is, en dat in brieven die écht verstuurd zijn. Ik heb het gisterenavond in een keer uitgelezen – al kwam dat ook doordat ik te laat nog koffie had gedronken.

Ja, echt verstuurd. Behalve dat een hele stapel brieven geschreven is aan een zekere Ilja Leonard Pfeijffer uit het verleden en de schrijver in geen enkele andere brief ingaat op wat de correspondentievriendin zelf eventueel te berde heeft gebracht tussen twee epistels door: zelfs Gerard Reve besteedde nog wel eens een zinnetje aan wat de ander had geschreven, maar hier is daar geen sprake van. Ook als Ilja aan zijn moeder schrijft, of aan een zeer goede vriendin, praat hij tegen zichzelf.

Hij verklaart zelf in zijn boek, zelfs een aantal maal, dat de steeds onduidelijker wordende lijn tussen fictie en werkelijkheid een van zijn grote thema's is. In deze tijden van sociale media waarin mensen hun leven aanpassen om een mooier statusprofiel te hebben, wordt dat thema steeds urgenter.