17.6.16

Daniela Tasca. 1001 Italianen. Vijf eeuwen immigratie in de Nederlanden. Amsterdam: Athenaeum, 2014.

Al (minstens) vijfhonderd jaar komen er Italianen naar Nederland – meestal om te werken. Het waren er niet gigantisch veel – andere landen zijn populairder bij de Italianen, Nederland trekt meer mensen van andere nationaliteiten –, maar momenteel zijn er alles bij elkaar toch nog zo'n 80.000 Italianen gevestigd in Nederland, schat Daniela Tasca.

Zij is zelf ooit van Sicilië naar Nederland gekomen en heeft zich verdiept in dit interessante kleine draadje in de geschiedenis van twee nationaliteiten. En zoals dat vaak gaat bij geschiedenissen: als je het juiste kleine draadje te pakken hebt kun je aan de hand daarvan een groot stuk van het weefsel laten zien.

Het beeld van 'de Italiaan' is in Nederland een aantal keer gekanteld, en dat had veel te maken met het soort redenen waarom Italianen naar ons toetrokken. In de zeventiende eeuw werden zij getrokken door de enorme welvaart die hier heerste en de mogelijkheid om banken te beginnen of andere bedrijven op te richten. De mensen die toen kwamen waren dus over het algemeen beter gesitueerd en hadden een goede reputatie. Daarna volgde een lange periode waarin de Italianen die hier naartoe kwamen vaklui waren, maar wel wat minder rijk: schoorsteenvegers, terrazzo-werkers. Dit culmineerde uiteindelijk in de jaren vijftig en zestig uit een kleine stroom Italianen die hier als de eerste gastarbeiders kwamen werken: jonge mannen die in fabrieken kwamen werken, geen vrouwen bij zich hadden, en soms als lastig werden ervaren (al was het maar omdat ze zo onweerstaanbaar waren voor sommige Hollandse meisjes). Zij aten rare dingen als knoflook en spaghetti en er werd op hen neergekeken.

Maar inmiddels leven we weer in een periode waarin Italië op allerlei manieren in hoog aanzien staat: als een land van mode, van het goede leven, van lekker eten (knoflook! spaghetti!) en van cultuur. De Italianen die nu komen zijn over het algemeen geloof ik dan ook juist weer hoog opgeleid – een onderdeel van de Italiaanse braindrain. Er wordt nu nog nauwelijks neergekeken op de Italianen, zegt Tasca. (Misschien wat optimistisch – wat ik als man-van opmerk is dat Nederlanders soms toch wel wat vrolijk zijn over de veronderstelde geringe eerlijkheid van de Italianen, alsmede over bijvoorbeeld de mafia.)

Het is een interessante geschiedenis. Door te begrijpen om welke redenen welke groepen Italianen in een bepaalde periode naar de regen en de mist en de aardappelen en boter kwamen, leer je iets begrijpen over de geschiedenis van de twee landen: dat was kennelijk een techniekdie de Italianen op zeker moment ontwikkeld waren en dat was kennelijk waar Nederland toen behoefte aan had. Je snapt daarmee weer een stukje van de legpuzzel beter die ons rare continent is.



14.6.16

Pauline Slot. Dood van een thrillerschrijfster. Amsterdam: De Arbeiderspers, 2016.

Er zijn te veel schrijvers in de wereld, en te weinig lezers. Zo zit het in ieder geval in de wereld van Pauline Slots nieuwe roman Dood van een thrillerschrijfster. In het hele boek komt er, afgezien van een enkele Griek, slechts één persoon voor die niet schrijft maar leest – al lijkt zelfs deze Stephen even te flirten met de gedachte dat hij weleens een kookboek zou willen maken.

Het boek speelt zich af in een schrijversretraitecentrum in Griekenland dat gedreven wordt door een Nederlandse schrijfster en haar Canadese man (de lezer). Een paar weken per jaar stellen zij hun huis open voor Nederlands- en Engelstaligen die er aan hun boek werken.

Waarom willen al die mensen schrijven? Vooral om schrijver te zijn. Waarom willen ze schrijver zijn? Dat wordt niet helemaal duidelijk, al gaat het er bij de meesten vooral om dat ze rijk en beroemd willen worden. (Er zijn er ook die een intrigerende dichtbundel schrijven of een proefschrift, maar zij zijn in de minderheid.)

Dood van een thrillerschrijfster is licht satirisch. Vooral de literaire thriller moet het ontgelden, en dan eigenlijk weer vooral Saskia Noort die nauwelijks verhuld een belangrijke rol in het boek speelt als een cynische formuleschrijfster naar wie iedereen opziet en wiens dood een verrassende rol speelt in Slots boek. (Ik wil niks verklappen, maar tot de laatste bladzijden vraag je je af hoe Slot die dood nu tot een goed einde gaat brengen, en dan word je ineens verrast.)

Het aardige van dit boek is verder dat het zich dan wel afzet tegen de commercialisering van het literaire bedrijf, maar dat het niet betekent dat het pleit voor loodzware literatuur. Dat kan ook niet, want Dood is zelf allesbehalve lichtzwaar. Integendeel, het is een voorbeeld van het soort boeken dat in de vaderlandse letteren lang heeft ontbroken: dat van het goed geschreven maar niet al te pretentieuze fijne boek. Dood is daarmee zo ongeveer het omgekeerde van 'literaire thriller' dat juist uit pretentieus (want 'literair') slecht geschreven boeken lijkt te bestaan.

Het schrijf- en leesplezier spat van dit boek af, het speelt zich af in het mooiste land ter wereld, er valt te lachen en af en toe wat na te denken. Het maakt het onderscheid tussen zomer- en winterboeken belachelijk en stelt op een heel onnadrukkelijke manier onze verwende manier van leven met de problemen in Griekenland en de gebieden die maar een klein beetje oostelijker liggen aan de orde. Leve de Dood! Hét zomerboek voor 2016!