29.1.17

Jeroen Brouwers: Het verzonkene. Amsterdam: Arbeiderspers, 1979

Niets kan een mens nostalgischer maken, dan literair gescheld uit de jaren zeventig. Een tijd waarin een schrijver nog op zoek moest gaan naar onderwerpen om over te schelden, omdat hij dat zo fraai kon! De wanhoop die erachter voelt: wat nu als het er allemaal niet meer toe doet omdat de wereld al eigenlijk volmaakt was?

Heerlijke tijden.

"Het verzonkene" schrijft Brouwers in de aantekeningen achterin dit boekje, "is mijn reactie op (ander andere, maar wel in hoofdzaak) het artikel Panoptikum. Het subjektivistiese proza van de jaren zeventig door Anthony Mertens." En dit nadat hij 144 pagina's tekeer is gegaan tegen dat 'subjektivistiese proza' in dan weer een heel andere vorm van proza, die Brouwers zelf vast heel mooi vond.

Het subjektistiese proza werd ook wel 'ander proza' genoemd; het was experimenteel van opzet, en het is om die reden eigenlijk nooit echt gelezen. Het was niet begrijpelijk genoeg. Waarom iemand, een andere schrijver, zich daar dan vreselijk over zou moeten opwinden, dat maakt Brouwers eigenlijk nooit duidelijk. Zijn voornaamste bezwaar was, geloof ik, dat dit 'andere proza' anders was dan dat van hem. "'Ban verswolm garnaal, mielt verteken mijn zwal", zo parodieert hij het andere proza ergens, om erop te laten volgen:
Zo, dus, schrijf ik niet, hoezeer ook dit 'een meer objektiverende manier van schrijven' wordt genoemd. Want verspilling vind ik het, zo te schrijven: verspilling van mijn taal nu ik al tot de minderheid in dit land behoor die de taal nog beheerst, verspilling ook van de kans die ik als voorlopig vrije, onbedreigde schrijver nog heb om neer te schrijven wat er aan de hand is, of, meer subjektivisties, wat er met mij aan de hand is, mij dunkt, dat komt op hetzelfde neer. Ik, een schrijver. Niet een stamelaar ben ik, en niet een misbruiker van wellicht vooralsnog de laatste mogelijkheid tot schrijven van het wezenlijke, het eerlijke, het woedendmakende, vordat het licht, opeens, van de ene seconde op de andere, uitflapt.
Het is allemaal heel paradoxaal, kunnen we nu wel constateren, nu het licht écht aan het 'uitflapperen' is, want wat heeft al dat 'wezenlijke' en 'eerlijke' en 'woedendmakende' opgelicht? Een fraai door de Arbeiderspers uitgegeven pamflet tegen het 'eerlijk proza'.

De schrijver verwijt zijn tegenstanders dat ze maar een beetje met taal spelen zonder dat het ergens over gaat. Hij doet dat in proza dat ook niet veel meer is dan een taalspel, en dat alleen gaat over zijn woede over dat andere proza. Ja, hij beweert daarbij dat hij behoort tot een 'minderheid' 'die de taal nog beheerst', maar dat klinkt nogal puberaal, al past het ook in een Nederlandse traditie: die van de schrijver die een enorm goede stijl suggereert door wat maniertjes, een overvloed aan komma's en de met veel aplomb gebrachte claim dat hij de enige is die de taal beheerst (W.F. Hermans en Rudy Kousbroek hoorden in de jaren zeventig ook tot die traditie).

Ook met dat machteloze gescheld op onbeduidende tegenstanders schaarde Brouwers zich trouwens in een traditie, waarvan Lodewijk van Deyssel de beroemdste voorman was (en W.F. Hermans en Gerrit Komrij ook voorbeelden). Wat de lol ervan is, was in de jaren zeventig al duidelijk.

Het genre is inmiddels geloof ik ook uitgestorven, misschien omdat er nu over serieuzere onderwerpen gescholden, pardon, 'gepolemiseerd' kan worden. Brouwers schreef nog: "Ik zal schrijven: onze huidige minister-president is een zak met windkloten" (nee, ik weet ook niet wat dat zijn, hoor, windkloten, maar ik beheers het Nederlands ook niet, en het zal dus wel literatuur zijn). Dat ging over Dries van Agt.

Inmiddels is er waarschijnlijk niemand meer die niet terugverlangt naar de tijd van Van Agt. Maar Jeroen Brouwers is uitgeschreven en boekjes als De verzonkene liggen gratis op het Centraal Station in Utrecht.

Kon nog maar iemand zich boos maken over 'ander proza'.

22.1.17

Eva Rovers. Boud. Het verzameld leven van Boudewijn Büch. Amsterdam, Prometheus, 2016.

Toen Boudewijn Büch overleed, was ik hem eigenlijk al een beetje uit het oog verloren. Ik heb geen enkel van zijn optredens bij Barend & Van Dorp ooit gezien, maar ook de laatste jaren van De wereld van Boudewijn Büch heb ik gemist, ik las over het algemeen de bladen niet waar hij columns in schreef en nu ik Eva Rovers' biografie lees merk ik dat ik eigenlijk alleen de boeken ken van rond het midden van de jaren tachtig.

De tijd dat ik zelf voor het eerst enorme stapels boeken begon te verslinden.

De laatste jaren kom ik hem weleens tegen. Hij heeft nog steeds een enorme naam onder met name tv-makers als hét voorbeeld van een popularisator van cultuur en van wetenschap, vanwege zijn enthousiamse, vanwege zijn mooie verhalen. Zo moet het eigenlijk, hoor ik die tv-makers zeggen.

Als je dit boek leest, denk je: ja, zo moet het misschien voor de televisie; maar zo moet het misschien niet voor de mens.

Wat vooral opvalt, bij Büch, is hoe oppervlakkig alles was in allerlei opzichten. Ja, het waren briljante, mooie verhalen en hij schreef er ook leuke stukjes over; maar tot een echt nieuw inzicht, of een groot boek kwam het niet. Zelfs, schrijft Rovers, wist hij mensen misschien wel te enthousiasmeren voor, pakweg, Goethe, maar zonder echt uit te leggen wat er zo goed was voor dat werk (en, zou ik willen toevoegen, zonder dat Nederlanders aantoonbaar Goethe zijn gaan lezen).

Dat valt allemaal nog te behapstukken, maar het was ook emotioneel oppervlakkig. Niemand kwam ooit echt dicht bij Boudewijn (de intieme titel Boud is in dat opzicht een beetje misplaatst, al zijn er natuurlijk ook andere betekenissen.) Hij stootte iedereen af die te nabij kwam. Hij verstopte zich, achter een facade van wat Rovers autobiografictie noemt, en uiteindelijk in zijn boekenpaleisje in de grachtengordel.

De tv maakte van Büch precies wat de tv van mensen maakt: een spetterende buitenkant met een onbekende binnenkant. Want zelfs dat verzamelen had uiteindelijk geen duidelijke kern – afgezien van de collectie oude reisboeken was het vooral véél.

Ik ben hem door Boud weer een stuk sympathieker gaan vinden, Büch, een man die uit alle macht iets probeerde, al wist hij zelf vermoedelijk niet wat. De man die grote liefde projecteerde op dodo's, Mick Jagger en Goethe en daar inderdaad heel fascinerend en amusant over wist te vertellen. En die verslaafd raakte aan het medium dat hem aandacht gaf en zorgde voor geld waarmee hij 'spulletjes' kon kopen. Die volgens tv-makers liet zien hoe het hoorde en daar zelf door werd verscheurd.

8.1.17

Camille Paglia. Break, Blow, Burn. New York: Pantheon Books, 2005

Ik heb iets waarover ik nog nooit bij iemand anders heb gelezen: ik kan geen poëzie in vreemde talen lezen.

Ik houd enorm van gedichten, ik kan me uren verstoppen in een dichtbundel, als ik 's nachts niet slapen kan, zeg ik gerust een heel repertoire aan gedichten op voor mezelf. Maar allemaal in het Nederlands.

Ik lees ook heus wel andere talen: kranten, tijdschriften, essays, romans, allemaal met veel genoegen en veel plezier. Wanneer een boek geschreven is in een taal die ik voldoende beheers, ben ik doorgaans snobistisch genoeg om mijn neus op te halen voor het origineel.

Maar gedichten in een andere taal dan het Nederlands? Nee. Zelfs in het Engels niet, wat toch een van mijn sterkere talen. Ik kan heus wel de belangrijkste namen uit de traditie opsommen, en ik kan ook wel de klassiekers uit die traditie herkennen. Maar om nu te zeggen dat ik ooit voor mijn genoegen zo'n dichter ga lezen.

Op mijn oude dag wilde ik daar nog eens wat aan veranderen. Een tijdje geleden hoorde ik een paar lezingen van en interviews met Camille Paglia, en zij lijk me een interessante denker, dus kocht ik deze bundel met essays waarin ze telkens één gedicht bespreekt. Ze doet dat in dit boek ook competent, wat klassieker en in zekere zin braver dan ik had verwacht. Het zijn een soort lesjes in het lezen van gedichten zoals je die aan eerstejaarsstudenten zou kunnen geven.

Het is allemaal heel duidelijk en goed gedaan. Maar ik heb geen lesjes in het lezen van gedichten nodig, ik zou iemand nodig hebben die het Engels bij mij dezelfde emotionele snaren doet aanraken als het Nederlands doet. En zo iemand bestaat niet.

Het heeft er misschien mee te maken dat je een gedicht met je hele inzet leest, met alle associaties die ieder woord, die iedere klank in je losmaakt. De rijkdom aan herinneringen aan hoe dat woord eerder werd gebruikt, aan hoe het nu in het dagelijks leven klinkt, aan hoe het woord zich sinds de dichter gebruikte verder heeft ontwikkeld.

Dat bestaat misschien niet voor andere talen. Waarom hoor je daar dan nooit iemand over? Zou het echt iets zijn van mij alleen?