27.2.02

{P} Barber van de Pol. Lieve Erasmus. Verkeren met een denker. Athenaeum - Polak & Van Gennep, 2002. Dit boek wil een liefdesverklaring zijn, van de schrijfster aan haar onderwerp, maar ik weet niet of er iemand blij zou zijn met een dergelijke liefdesverklaring. Het boek gaat meer over mevrouw Van de Pol dan over Erasmus. Waarom ze nu precies zoveel van Desiderius E. houdt, blijft onduidelijk, ja omdat hij zo mooi schrijft, hoewel soms ook wel een beetje saai. Over zijn stijl leer je verder bijna niks, ze probeert hem voor zover ik kan zien nergens te vertalen, er staan geen lyrische passages in over de vraag hoe hij de dingen zegt. (Alleen over Lof der Zotheid gaat het wat dat betreft op een paar plaatsen in meer detail: dat het boek misschien beter Zotheids Lof kon heten, of wie weet, Dwaasheids Lof) Je gaat bijna een beetje gemeen denken dat het een opgelegde liefde is, een vormpje. Over een verondersteld liefdesgedicht schrijft Van de Pol zelf (blz. 67):
Je kunt uw gedicht ook minder beladen lezen. (...) Zelfs Quevedo, een Spanjaard van die tijd, die heel veel lelijks heeft opgeschreven over de koppelneigingen en verdoezelende poedertjes van de vrouw, kortom een vrouwenhater, richtte smachtende sonnetten aan een, of liever dé vrouw. Pure retoriek dus.

Je moet dit boek dus misschien ook wel zien als 'pure' retoriek, en eerder lezen als een persoonlijk essay van een vrouw uit het begin van de eenentwintigste eeuw dan als een boek over een denker uit de zestiende. Als zodanig is het best de moeite waard, je krijgt een inkijkje in Amsterdamse kringen, waar men denkt dat Amsterdam een grote stad is, waar men altijd maar op zoek is naar een geliefde, waar men denkt dat de vrouwenemancipatie bij 'ons' voltooid is, maar elders nog ernstig achterblijft. Ik zal me niet veel van dit boek blijven herinneren, maar ik heb me er een paar uur mee geamuseerd.

26.2.02

{P} Anna Enquist. Het geheim. De Arbeiderspers. Ik heb geloof ik wel eens een stuk gelezen waarin de eerste zin van dit boek belachelijk werd gemaakt. Maar als die eerste zin er niet was geweest, had ik dit een waardeloos boek gevonden, want na de eerste alinea stort het boek helemaal in. Die eerste alinea gaat zo:
De vleugel hing in de lucht en tekende zich als een geblakerde karbonade af tegen de besneeuwde bergtoppen. Tussen het zwartgelakte hout en de kabels die het instrument omklemden, was een grijze deken geschoven. De gele hijskraan torende als een eenarmige, stijve reus boven het huis uit en begon langzaam zijn last neer te laten. Vlak boven het balkon bleef de piano zweven en bewoog zachtjes heen en weer. De kabels kraakten licht, het elektrische hefwerktuig zoemde en de zon brandde.

Ik houd van de dichteres Anna Enquist, en zal ze schrijft zoals in deze eerste alinea, zou ze prachtige romans kunnen schrijven. Maar tot mijn verdriet wordt het hierna al snel gezeur van iemand die op het gymnasium heeft gezeten en mooi piano kan spelen maar toch een groot Verdriet in zich meedraagt vanwege de Oorlog. En dat alles helaas juist in een kinderachtige stijl, met veel te korte zinnen. Ik heb het boek niet uitgelezen, maar wel een cd-tje gekocht, waarin Enquist een paar fragmenten uit het boek voorleest en Ivo Janssen verder op de piano van alles laat horen dat kennelijk in de roman genoemd wordt.