28.9.04

Arnon Grunberg. De joodse messias

Arnon Grunberg. De joodse messias. Amsterdam: Vassalucci, 2004.

Wat een huiveringwekkend, wat een adembenemend boek is dit! En wat wordt het door sommige mensen toch totaal anders gelezen dan hoe ik het begrijp. In Het Parool las ik dat dit boek een grote grap was. En ook in Trouw stond helaas een stukje vol van onbegrip, of wanbegrip, of hoe noem je dat.

Natuurlijk, ik zie ook wel dat er een aantal heel grappige zinnen in staan (op bladzijde 462 zegt zijn joodse minnaar tegen de hoofdpersoon, die inmiddels premier van Israël geworden is: 'Xavier, rustig nou. Die meneer van de Hamas is niet geïnteresseerd in de Rietveld Academie, die meneer is hier gekomen om over een bestand te praten.') Maar ik vond het boek als geheel nauwelijks een grap, zoals veel van de recensenten, laat staan een mislukte. Ik vond het om te huilen en om te gruwelen en om over na te denken.

In veel recensies, zowel positieve als negatieve, wordt Grunberg met allerlei andere schrijvers vergeleken: W.F. Hermans, Michel Houellebecq, Edgar Hilsenrath, enz. Ik miste een vergelijking die volgens mij ook voor de hand ligt: met Frans Kellendonk, en dan vooral natuurlijk met diens boek Mystiek lichaam. Het gaat er niet alleen om dat ook dat boek door recensenten allerlei vreemde dingen werd aangewreven omdat het een spel speelde met clichés over joden. Het gaat er vooral om dat Grunberg in De joodse messias helemaal geen stelling neemt, maar zijn hoofdpersonen allerlei extreme standpunten laat uitkramen -- en dat de muziek van die extreme meningen de muziek van het boek is. Over een paar jaar ga ik dit boek nog eens lezen, dat weet ik zeker. En dan na een paar jaar nog eens. En nog eens.

Misschien komt het misverstand wel in de wereld doordat Grunberg in reclames optreedt, en in interviews altijd over van alles en nog wat zit te lachen, en ook met zijn eerste boeken nogal de vervelende puber uithing. Ik kan dat eigenlijk ook allemaal niet rijmen met zijn laatste paar boeken; maar mij zal hij daarover niet om advies vragen.

26.9.04

K. Michel. Kleur de schaduwen

K. Michel. Kleur de schaduwen. Amsterdam/Antwerpen: Augustus, 2004.

Er zijn maar weinig dichters die ik zo volg, dat ik speciaal naar de boekwinkel ga als er een nieuwe bundel van is. K. Michel is er wel een van. Ik las in de krant een interview met Michel verschenen was, en sindsdien ben ik zelfs een paar keer naar de boekwinkel gegaan om te kijken tot ik het uiteindelijk mee naar huis kon nemen.

En daar raakte ik een beetje teleurgesteld, maar dat is achteraf vooral omdat ik enkele van de beste gedichten al kende, omdat ze al her en der verschenen waren (bijvoorbeeld in de bundel over de hofvijver). Maar bij nadere beschouwing staan er toch ook wel een paar nieuwe gedichten in. Vooral de prozagedichten vind ik goed: 'Als bootjes in het donker' bijvoorbeeld.

Sommige gedichten zijn trouwens wat flauw. vind ik. Er staan wat 'ready-mades' in, en ik houd geloof ik niet zo van ready-mades (daarvan zijn er op internet al genoeg). Maar een flauw gedicht vind ik dan toch wel weer erg grappig:

Onderweg (naar Jandl)

bent een ei
ja
bent een ei
ja ja
heel erg ei

bent ook een ei
ja
ben ook een ei
jaja maar

wil geen ei meer zijn
ben al veel te
wil ook geen ei
ben al heel

(...)

lange ei
kan
ja lange ei
kan
en wei
ja
wei kan ook
jaja
ook

(PS: aangezien té nooit goed is
een taxi gebeld en deze regels
ter evaluatie voorgelegd aan
de chauffeur: 'Krijg nou tieten')

Volgens het colofon is dit een vrije bewerking naar een gedicht van Jandl, en het grootste deel van het gedicht lijkt ook duidelijk op een op het web terugvindbaar gedicht gebaseerd. Het commentaar zou je op het eerste gezicht als een flauwe grap kunnen zien; maar je kunt niet om het gevoel heen dat er meer achter zit -- al valt nauwelijks te omschrijven wat.

20.9.04

Martin Walser. Tod eines Kritikers

Martin Walser. Tod eines Kritikers. List: 2003 (2002).

Een beroemde Duitse literair criticus wordt vermoord nadat hij eerder op de avond in zijn populaire tv-programma een boek van een schrijver afgekraakt heeft. Die schrijver wordt verdacht, maar een andere schrijver probeert zijn onschuld te bewijzen. Tot blijkt dat de criticus helemaal niet vermoord is, maar zich een tijdje heeft teruggetrokken met een geliefde. Dan blijken de twee schrijvers ook nog eens één en dezelfde persoon te zijn.

Een aardig boek over de machteloze woede die je kunt voelen als je als schrijver na jarenlang werk om showtechnische redenen op de tv wordt afgebrand, zou je kunnen zeggen. Dat is het ook, al wordt er wel erg veel geleuterd, en worden er soms om mij niet helemaal begrijpelijke redenen ineens weer nieuwe personages ingevoerd. (De verdachte schrijver eindigt in het gekkenhuis. Daar ontmoet hij een gek, Mani Mani. Van die gek krijgen we vervolgens een pagina's lange monoloog te lezen. Waarom?)

Ik meende me te herinneren dat er bij het verschijnen van dit boek in Duitsland rumoer ontstond. In de 'vermoorde' criticus is ook wel heel makkelijk Marcel Reich-Ranicki te herkennen. Men meende dat het boek 'dus' antisemitisch was. Dat leek me eigenlijk onzin: aan die criticus worden allerlei slechte eigenschappen toegekend, dat is nogal logisch, hij wordt namelijk gehaat door de personages. Ik vond niet eens dat de criticus in het boek er nu zo slecht vanaf kwam, ik had niet eens het gevoel dat de schrijver de criticus net zo haatte als sommige personages. Het is meer een spel met die woede, die inderdaad een beetje delicaat is omdat hij zich richt van een Duitser op een jood; maar dat komt in het boek ook aan de orde. Toch, is als je de recensies leest wel wat anders aan de hand; er worden wel wat steken onder de gordel gegeven, zo van 'die man heeft nooit iets ergs meegemaakt' en 'die man kan ook niet vermoord worden' -- tiens.

17.9.04

Rudie Kagie. Boudewijn Büch. Verslag van een mystificatie

Rudie Kagie. Boudewijn Büch. Verslag van een mystificatie. Amsterdam: Prometheus, 2004.

Boudewijn Büch heeft zijn hele leven verzonnen. Hij vertelde zijn beste vrienden dat hij een zoontje had dat op zesjarige leeftijd was overleden; dat hij twee keer was afgestudeerd, of drie keer; dat zijn vader in de oorlog gevlucht was uit Duitsland, of Polen, of Rusland. De 'biografische schets' van Rudie Kagie gaat dan ook meer over wat Büch niet heeft meegemaakt dan over wat hem wel is overkomen. Dat laatste was ook iets minder spectaculair: schrijven, schrijven, schrijven, tot je er bij neervalt. En vriendschappen opzeggen, en onmogelijk zijn. Ondanks al zijn charmes was Boudewijn Büch volgens dit boek een onaardige man, die zeker de laatste jaren alleen nog geïnteresseerd was in geld om zijn verzameling uit te breiden. (Ik weet nog dat een kennis me een jaar of acht geleden vertelde dat hij Büch had gevraagd om iets te presenteren voor een sympathiek project om de klassieke Nederlandse literatuur aan de man te brengen; en dat hij was geschrokken van het waanzinnige bedrag dat Büch voor zijn bijdrage vroeg.)

De drukte die er nu ontstaat over die verzinsels, lijkt me een beetje overdreven. Ik dacht eigenlijk dat iedereen wel wist dat er gerede twijfel was of Büch wel ooit een zoontje had gehad, en zo ja, of het overleden was, of hij ooit een universiteit van binnen had gezien, enz. Het enige dat nieuw is, is dat hij deze dingen ook aan zijn beste vrienden vertelde.

Het aardige van dit boek is dat niet wordt geprobeerd een echt antwoord te geven op de vraag waarom Büch het nodig vond al die rampen te bedenken die hem steeds maar moesten overkomen, waarom hij moest rondstrooien dat hij homo- of pedoseksueel was, terwijl hij uiteindelijk alleen minnaressen gehad heeft, enz. Een deel van het antwoord op die vraag ligt misschien ook wel in het feit dat iedereen altijd maar die waaromvraag stelt. Als je je ongelukkig voelt, kan dat niet komen doordat je doodgewone Wassenaarse vader onlangs is overleden, dat moet wel te maken hebben met de dood van een zoontje. En als je van die vader hield, was hij de oorlog natuurlijk niet als een tamelijk kleurloze vaderlander doorgekomen, maar als een slachtoffer én een held. Als overal verklaringen voor moeten bestaan, moet je die desnoods zelf verzinnen. Er blijkt trouwens niet uit dit boek dat veel mensen dat nu zo erg vonden; veel mensen hadden wel door dat het allemaal niet zo klopte, maar vonden het ook niet nodig om dat na te gaan.

Een modernere vorm van verklaring is een medische, en die duikt af en toe ook op, in de vorm van de term pseudologia fantastica: die 'drang' om dingen te verzinnen, dat is duidelijk een aandoening. Nou, daar had Büch zelf ook wel van alles op geweten, want hij was immers een tijdje als 'psychofarmacohistoricus' aangesteld aan de Universiteit Utrecht. Zei hij.

Ben Elton. Popcorn

Ben Elton. Popcorn. London: Black Swan, 2003 (1996).

Een filmregisseur krijgt een Oscar voor films waarin bij wijze van semi-kunstzinnig amusement op een bloemrijke manier gemoord en gemarteld wordt. In de nacht die daarop volgt wordt hij ineens geconfronteerd met twee mensen die fan zijn van zijn films en zelf inmiddels ook al tientallen mensen op een willekeurige manier van het leven hebben beroofd. En ze willen dat hij op de tv gaat uitleggen dat dit allemaal zijn schuld is!

Dit is een amusementsboek zoals een amusementsboek hoort te zijn: grappig (hoewel niet 'hilarious' zoals het omslag beweert) en strak. En tegelijkertijd wordt je aan het denken gezet over een op het eerste gezicht volkomen uitgekauwd onderwerp als: hoe lollig is al dat geweld in de films van, zeg, Quentin Tarantino? Waarom wil iedereen zo graag slachtoffer zijn en wil niemand de verantwoordelijkheid nemen voor zijn daden? En als iemand op de tv zou zeggen: als binnen 90 seconden niet iedereen de tv heeft uitgezet, schiet ik iemand dood, zou jij dan binnen 90 seconden de tv uitzetten? En zou je achteraf de tv-maatschappijen aanklagen als bleek dat de moord inderdaad gepleegd werd, vanwege het verschrikkelijke morele dilemma waar je voor gesteld was?

13.9.04

Frédéric Beigbeder. Windows on the World

Frédéric Beigbeder. Windows on the World. Paris: Bernard Grasset, 2003.

Wat is er gebeurd in de 'eerste toren' van het New Yorkse WTC tijdens de ongeveer twee uur tussen het moment dat het vliegtuig ernaar binnen vloog en het moment dat die toren instortte? Niemand weet het precies, want niemand kan het navertellen. In Windows on the World, genoemd naar het restaurant dat bovenin de toren gevestigd was, probeert Frédéric Beigbeder het zich voor te stellen. Het boek bestaat uit 120 hoofdstukjes die allemaal als titel een minuut hebben tussen 8:30 en 10:29. In de even hoofdstukjes is een (verzonnen) jonge, gescheiden Texaanse vader aan het woord die met zijn zoontjes in de toren was gaan ontbijten. In de even hoofdstukken een schrijver Beigbeder die dit allemaal probeert te bedenken en te begrijpen. Het einde staat vanaf het begin vast: de vader en zijn zoontjes gaat het niet overleven, want niemand heeft het overleefd. En de schrijver wordt een gelouterder mens.

'J'ignore vraiment pourquoi j'ai écrit ce livre', schrijft Beigbeder in een van die oneven hoofdstukken, bijna op het eind. En helaas is het mij ook niet helemaal duidelijk geworden. Hij geeft een vrij bizar, eenzijdig beeld van de gebeurtenissen die hij (waarschijnlijk zelfs met opzet) beschrijft in de traditie van de Amerikaanse rampenfilm (Titanic). Wat die mensen is overkomen is in de allereerste plaats iets gruwelijks en onbegrijpelijks. De daders komen slechts één keer ter sprake, en dan slechts zijdelings. Nu is het natuurlijk waar dat de slachtoffers zelf nooit zullen hebben geweten wat er gebeurd is, en waarom. En dat het henzelf niet veel zal hebben geïnteresseerd. Maar de schrijver wil duidelijk maken dat 11 september 2001 een Groot Keerpunt in de westerse samenleving is geweest. Waarom een betrekkelijk willekeurige 'ramp' die rol vervuld heeft, wordt mij niet duidelijk. Het boek was veel gruwelijker geworden, volgens mij, als bijvoorbeeld gepoogd was ook een willekeurige dader te volgen.

Van Beigbeder had ik eerder al zijn boek 99 francs gelezen, over zijn leven in de reclame. Hij zegt daarin die oppervlakkige wereld vaarwel, maar het boek eindigt mistroostig, want wat is er nog anders dan die oppervlakkigheid? Als je gemeen bent, lijkt het net alsof de schrijver zich daarna (dat vorige boek verscheen in het jaar 2000) heeft vastgeklampt aan die elfde september als Echt Iets Heel Ergs dat wij, van onze generatie, toch maar hebben meegemaakt. Maar hij komt er vervolgens niet echt uit, wat hij ook probeert, het lukt hem niet om aan die gevreesde oppervlakkigheid te ontstijgen. Een aantal thema's worden wel aangeraakt: de vrijheid om te leven hoe je wilt, het einde van het grote kapitalisme dat gesymboliseerd wordt door het ineenzijgen van die gebouwen, de verwantschap die er ondanks alle strubbelingen bestaat tussen Frankrijk en de VS. Maar ook die essayistische stukjes leiden nergens naartoe, je wordt er niet echt wijzer van.

10.9.04

Maarten 't Hart. Lotte Weeda

Maarten 't Hart. Lotte Weeda. Amsterdam/Antwerpen: Arbeiderspers.

Ik weet niet wat er in me gevaren is, maar ook dit boek was weer 'spannend', hoewel de spanning nu ook weer niet echt om te snijden is. De recensenten die ik over dit boek gelezen heb, waren het allemaal met elkaar eens: dit boek zit goed in elkaar, Maarten 't Hart drijft een beetje de spot met zichzelf (door van zijn hoofdpersoon een soort karikatuur-Maarten te maken, met zijn obsessies voor vreemde plantennamen, het calvinisme, vrouwelijk schoon en wat niet al). En daar hebben die recensenten dan gelijk in. Het boek heeft trouwens nog wel iets gemeen met al die andere spannende boeken die ik de laatste tijd gelezen heb: dat ze gaan over de spanning tussen waan en werkelijkheid. Maar misschien is dat ook wel de definitie van 'spannend'.

6.9.04

Kees 't Hart. Ter navolging

Kees 't Hart. Ter navolging. Amsterdam: Querido, 2004.

Een jonge promovendus wil in zijn onderzoek het werk van zijn vader overdoen. Die vader wilde in de jaren vijftig een roman schrijven over Betje Wolff en Aagje Deken. De zoon wil dat aan het begin van de eenentwintigste eeuw overdoen door een 'netwerk'-studie te doen naar de achtergronden van de schrijfsters. Hij denkt daarbij te stuiten op allerlei merkwaardige praktijken waar die ogenschijnlijk zo brave dames zich mee bezighielden: pornografie, revolutie, aardappelsmokkel, illegale loterijen. Ondertussen heeft hij nog van alles aan de hand met de dochter van zijn promotor; binnen twee maanden wordt hij zeer verliefd op haar én bedriegt hij haar. Het boek heeft in alle opzichten een happy end.

Als ik een beetje smokkel was dit niet zo'n spannend boek hoor. De eventuele misdrijven zijn in ieder geval heel onschuldig: vervalsing in archieven, overspel, dat soort werk. Maar wat een boek! Bij tijd en wijle is het heel grappig (de satire op de manier waarop in een gemeenteraad wordt vergaderd over een literair evenement, de manier waarop in geleerde kringen wordt vergaderd over de vraag welk project wordt uitgevoerd), maar vooral is het een adembenemend spel, met de romanschrijfkunst, met de geschiedenis, met de verschillen tussen man en vrouw, met van alles en nog wat. Er komen werkelijk bestaande personen in voor, niet alleen uit het verleden (Wolff en Deken) maar ook uit het heden (Buijnsters, Van Oostrom). Je kunt niet echt zeggen dat het moeilijk is om werkelijkheid en fictie te scheiden, want het is allemaal duidelijk verzonnen. Het boek lijkt onder andere 't Harts manier om het tweehonderdjarig bestaan van de romankunst in Nederland te vieren -- althans, het feit dat Wolff en Deken in 1804 begraven werden op de Haagse begraafplaats Ter Navolging speelt nogal een belangrijke rol in het boek.

Het boek heeft wel een paar dingen gemeen met dat van Pfeijffer, zoals dat verschillende personen in een eigen schrijfstijl aan het woord komen -- het boek is een brievenroman, net als Sara Burgerhart. Bij 't Hart zijn de stilistische verschillen wel wat subtieler, zoals ook het spel met 'de mensen zijn niet wat ze lijken' wat subtieler gespeeld wordt. Aan het eind lijken een aantal dingen waarvan langzaamaan bleek dat ze niet waar waren ineens toch weer wel waar. Het is een rijk boek, dat ik nog weleens vaker ga lezen.

4.9.04

I.L. Pfeijffer. Het grote baggerboek

Ilja Leonard Pfeijffer. Het grote baggerboek. Amsterdam: De Arbeiderspers, 2004.

Alweer een spannend boek! Het houdt ook maar niet op met de moord en doodslag in de letterkunde. En ook deze keer is de werkelijke dader uiteindelijk weer een intellectueel natuurlijk, een 'professorandus' volgens zijn slachtoffer, een baggeraar die zelf juist verdacht wordt van misdrijven, die zich uit in een wonderlijk taaltje -- een vleugje Rotterdams vermengd met veel verhaspelde staande uitdrukkingen. Ook de psychiater is vooral een taalspel, iemand die zich dan juist weer heel erg dor weet uit te drukken. En alles bij elkaar is het dan ook meer een lang gedicht van Ilja Pfeijffer dan een spannend boek. Ook in zijn gedichten experimenteert Pfeijffer regelmatig met de taal van Haagse Harry, van de mannen met de gouden kettingen en het weelderige borsthaar. Gek genoeg is hij de enige schrijver die ik ken die op zo'n schaal probeert iets met die taal te doen in de literatuur. Terwijl dat wel zou moeten, vind ik, want het is een mooie taal. Het baggerboek is daar een eerste stap naartoe. (Mooiste verhaspelde uitdrukking: 'Jan met de korte lul'.) De thematiek (geleerde mensen zijn soms slechter dan niet geleerde mensen, schijn bedriegt) aan de andere kant... ach, die nemen we dan maar op de koop toe.