15.1.05

H.M. van Randwijk. Burgers in nood.

H.M. van Randwijk. Burgers in nood. Nijkerk: Callenbach, 1936.

70 jaar geleden moet dit boek een enorm succes geweest zijn: twintigduizend exemplaren zijn er toen van verkocht, als ik het goed heb opgezocht. Dit jaar ben ik misschien wel de enige (of de eerste) die het gelezen heeft. En dat dan nog niet eens helemaal, want uiteindelijk boeide me het toch niet genoeg: na ongeveer driekwart heb ik het een paar weken geleden opgegeven, en inmiddels ziet het ernaaruit dat ik er niet verder in zal komen.

Als historisch en literatuurhistorisch document is het nog best aardig. De depressie van de tijdgeest die in dit boek wordt uitgedrukt, stelt de depressie van onze huidige tijd duidelijk in de schaduw. In Burgers in nood voelt niemand zich goed: de werkelozen natuurlijk niet, maar de werkenden ook niet, omdat ze altijd bang zijn dat ze nog eens ontslagen worden, en de bazen evenmin, omdat ze mensen moeten ontslaan en hun bedrijven te gronde zien gaan. Hoewel de hoofdpersonen christelijk zijn, vinden ze ook bij God nauwelijks trots (tenzij dat op het eind van het boek zou komen, maar dat lijkt me ongeloofwaardig.) Literatuurhistorisch is het interessant, stel ik me voor, omdat de stijl en de personages zo duidelijk van de vroege jaren dertig zijn: goudeerlijke, knoestige mannen die af en toe een heus weleens iets zeggen of doen dat niet helemaal goed is, maar die het allemaal toch heus best menen. Zoals je ze bij Heijermans vond, maar eerder ook al in sommige verhalen van Couperus. Die mannen zijn helemaal uit de literatuur verdwenen. Waarom? Zoals ook de bijbehorende stijl ('De volgende dat ontbreekt Peters op het kantoor. De stempelaars missen hem. Je raakt langzamerhand aan je eigen menschen gewend. Wat er toch aan zou schelen, meneer Masborg? Maar die snauwt, dat ze zooiets maar aan hun kameraden vragen moeten.') Waarom was dit vroeger de stijl van massaliteratuur, en nu niet meer?

Geen opmerkingen: