16.2.06

Eric-Emmanuel Schmitt. Ma vie avec Mozart. Roman. Paris: Albin Michel, 2005

Ik dacht dat ik weleens een boek van Eric-Emmanuel Schmitt gelezen had, en dat ik dat wel een aardig boek vond. Ik wilde na het boek van Maarten 't Hart weleens een boek over Mozart lezen met wat meer structuur – en dit boek heeft als ondertitel 'roman'. Het lijkt erop dat het een autobiografische roman is: het beschrijft fragmenten uit het leven van een schrijver, die tijdens allerlei perioden van zijn leven als het ware verder geholpen wordt door de muziek van Mozart. Bovendien heeft het boek een aardige 'soundtrack': een cd met enkele stukken van Mozart en aanwijzingen in het boek wanneer je naar die stukken moet luisteren.

Maar mijn hemel, wat een kitscherig en wat een stupide en wat een oppervlakkig boek is dit. Als je het niet meer zitten in je leven, omdat je vijftien bent, kikkert Mozart je weer op. En later leer je dat hij ook ernstige kanten heeft. En in zijn muziek klinkt de stem van God, jawel. Want we hebben allemaal veel ellende, meneer Schmitt heeft bijvoorbeeld in de jaren tachtig, toen hij jong was, al veel vrienden verloren aan Aids. Maar Mozart stond hem altijd bij.

Het boek bestaat uit brieven die de schrijver zogenaamd in de loop van de jaren aan Mozart schreef. De componist antwoordde dan met muziekjes. Ook dat is een buitengewoon onnozel idee. Aan het eind van het boek (als we dus moeten geloven dat de componist er al een leven met Mozart op heeft zitten) is hij ineens wanhopig op zoek naar een duet dat hij als kind hoorde. Hij heeft geen idee waar in het oeuvre dat te vinden is – maar de naam Tamino kwam er in voor. Wie er dan nog gelooft dat zo iemand niet zou weten dat Tamino een karakter is in De Toverfluit, zo iemand legt dit boek waarschijnlijk niet teleurgesteld terzijde. Maar geef mij dan maar Maarten 't Hart.

14.2.06

Menno Wigman. De wereld bij avond. Rotterdam-Amsterdam: Poetry International/Prometheus, 2006.

Dit is nauwelijks een boek: tien gedichten slechts, ter gelegenheid van de gedichtendag, een paar weken geleden. Maar wat een gedichten! Sinds ik hier over zijn vorige bundel schreef, heb ik tijden niet meer aan Wigman gedacht, maar hij is toch wel een zeer begaafd dichter. Neem nu de eerste strofe van een gedicht dat 'Tiergarten' heet:

Stof, roet, stormvuur. Het apenhuis in puin.
Verbrande panters. Zebra's zonder huid.
Diep onder rokend gruis
hemelt een olifant, een hert hinkt weg
en op het kerkdak hekst een condor rond.

Een verbrande panter! (Hoe zie je dat ie verbrand is?) Een zebra zonder huid! (Hoe zie je dat ie een zebra is?) Al moet ik toegeven dat het hinkende hert en de heksende condor me dan weer wat minder doen. Ik hoop dat deze bundel de opmaat zal blijken van een grotere.

Maarten 't Hart. Mozart en de anderen. Amsterdam: Arbeiderspers, 2006.

De romanschrijver Maarten 't Hart eindigt zijn nieuwe boek over muziek met een autobiografisch verhaal, waarin hij vertelt hoe hij Bach uitvoerde in een kerkje in Warmond. Dat verhaal, en daarmee het boek, eindigt als volgt:
Natuurlijk volgde een benauwende nasleep, verzoeken uit het hele land, tot aan Friesland en Groningen en Zeeuws-Vlaanderen toe, om mijn Bach-concert op gerenommeerde orgels te herhalen, en al die verzoeken sloeg ik af, want het feit dat ik een uur lang te Warmond niet door de mand was getuimeld, garandeerde geenszins dat dat elders niet zou gebeuren. En daarbij komt: er zijn zo veel voortreffelijke organisten in Nederland. Laat hen toch voor publiek op al die prachtige orgels Bach vertolken, en laat mij nu maar verder doorwerken aan mijn vissersroman over het Psalmenoproer te Maassluis in 1706, waarbij de blinde organist J.H. Bruyninghuizen op een avond in zijn eigen huis door woedende christenen - vissers, kuipers, haringpakkers en nettenboetsters - werd gemolesteerd.
Dat is een waardig slot, waarin de schrijver zich alsnog bescheiden toont: ach, hij is maar een amateur. Het is ook een kenmerkend slot, voor de merkwaardige stijl ('door de mand tuimelen', 'geenszins') van 't Hart.
Want wat een eigenaardig boek is dit toch.
Neem alleen al de titel: Mozart en de anderen. Wie het boek leest, merkt dat dit betekent dat er twee delen zijn: een bundel ongesorteerde stukken over Mozart, en een stapeltje over het algemeen zeer korte artikeltjes over allerlei andere componisten. Ik vermoed dat vooral die laatste her en der verschenen zijn in tijdschriften, maar een verantwoording ontbreekt, net als een degelijke bibliografie trouwens. Je zou dat allebei wel verwachten gegeven het studieuze karakter van dit boek, waarbij de KV-nummers je om de oren vliegen.
Verder struikelt 't Hart geregeld over zijn eigen enthousiasme, vooral als hij een van zijn eigenzinnige theorieën bewijst. Hij denkt bijvoorbeeld dat belangrijke componisten het jongste kind waren in een groot gezin en 'bewijst' dit door bladzijden lang jongste kinderen in grote gezinnen op te sommen die componist geworden zijn - van de meeste van die componisten heb ik in ieder geval nog nooit gehoord. Ook vindt hij het belangrijk dat grote componisten vaak klein van stuk waren, en dus probeert hij te achterhalen hoe lang Mozart nu eigenlijk was.
Natuurlijk is al die onhandigheid in stijl en al dat gesmijt met feitjes op een bepaalde manier charmant. En dan heb ik het nog niet eens gehad over het ongegeneerd stapelen van superlatieven: alles is almaar prachtig. Toch gaat dat op den duur ook wel een beetje vervelen, de schrijver zegt al met al uiteindelijk zelden of nooit iets waar je van opkijkt, en al helemaal nooit iets waarvan je de muziek beter leert begrijpen. Laat die blinde organist J.H. Bruyninghuizen maar komen!
(Eerder las ik onder andere de roman Lotte Weeda van 't Hart.)