29.3.06

Micha Hamel. Alle enen opgeteld. Amsterdam/Antwerpen: Augustus, 2005 (2004).

Het gedicht dat het titelgedicht van deze bundel zou zijn, als het maar dezelfde titel had gehad als de bundel als geheel, staat helemaal achterin. Maar ik las het als eerste:

Nullen en enen

Ik kan poëzie waarderen.
Wanneer ik een gedicht gelezen heb
zet ik beneden aan de pagina
ernstig
een nul of een één.

Bij twijfel cijfer ik per strofe.
Hun gemiddelde wordt afgerond en
eveneens onderaan genoteerd.

Als ik de bundel
uit heb, tel ik alle enen
op en deel de uitkomst
door het aantal gedichten.

Ha! Dat beloofde wat: een vleugje ironie, iets vaag onbestemds — wat gaat de dichter nu eigenlijk doen met de uitkomst van zijn berekening? —, lef — wie durft zijn lezer zo uit te dagen aan het eind van de bundel een wetenschappelijk verantwoorde beoordeling te geven van het geheel? Dit zou wel eens een bundel kunnen worden met veel enen.

Dat valt een beetje tegen. Er staan vooral veel stijloefeningen in de bundel, de dichter laat zo'n beetje zien wat hij allemaal kan, maar af en toe gaat dat ten koste van de inhoud — wat niet zo erg zou zijn als de vorm dan maar indrukwekkend was. Ook ergerde me de gedichten over de middelbare school een beetje. Ik begrijp best dat een man van 35 terugblikt op de 'eerste helft' van zijn leven, maar toch vind ik dat gezwijmel over gel in je haar ongepast. Toch staan er een paar heel fraaie gedichten in de bundel, zoals het onvergetelijke:

'Meer over vaders dood'

Ik vertelde het op mijn werk. De secretaresses mompelden,
slordig verwarde handen afvegend aan de kokerrok.
Drentelen, pulken, wegkijken,
dan ineens vieze koffie gaan halen.

Een ogenblik later plant ik mij neer en leg mijn handen
op het koele formica, het bekertje middenin.
Twee Russen, korte beentjes, zwijgzame violisten van de eerste stoel
op wier kinderhand het riet was neergekomen bij elke onzuivere noot,
— en nu dus met die worstenvingers viool kunnen spelen.

ze rezen voor me op als bomen en huilden
zulke dikke tranen achter plusbrillen.
Een dubbele omhelzing van hout, langs hen heen
zag ik wegrijden de slee over de taiga

met achterin de bloemen, de geruisloze mens.

Vooral de regel 'dan ineens vieze koffie gaan halen' is prachtig (en verder helpt het misschien om te weten dat Hamel musicus is). Zo'n gedicht heeft geen één maar een tien en trekt daarmee in een klap het gemiddelde van de bundel flink omhoog.

28.3.06

Wilem Jan Otten. Specht en zoon. Amsterdam: G.A. van Oorschot, 2005 (2004).

In het zielenleven van een stuk canvas heb ik me tot nu toe niet erg verdiept, maar Willem Jan Otten heeft er voor gezorgd dat daar verandering in gekomen is. Hij laat Specht en zoon vertellen door een stuk linnen waarop een schilder een bijzondere voorstelling aan het maken is. De schilder maakt altijd portretten van rijke mensen, is zelfs de beroemdste portretschilder van de beroemdste mensen in het land, maar hij krijgt nu de opdracht de overleden geadopteerde zoon te schilderen van een welgestelde Rotterdamse baggerkoning.

Dat het verhaal door een doek verteld wordt is veelzeggend. Het is een boek over kijken, net als veel werk van Otten (eerder las ik De wijde blik, Ons mankeert niets en Eindaugustuswind) en het is ook een gekunsteld verhaal, dat op een aantal manieren vernuftig in elkaar steekt: er klinken van allerlei symbolen uit het Christendom in mee — het kruis, de Zoon, de Schepper — en tegelijkertijd wordt er met de moderne tijd gespeeld, of eigenlijk met de tijd van tien jaar geleden — de schaamteloze pronkzucht der rijken, de alomtegenwoordigheid van porno, maar nog zonder mobiele telefoons, al komt internet wel even om de hoek kijken.

Gegeven die gekunsteldheid -- zelfs de namen hebben betekenis, zo heet de 'zoon' die misschien wel meer een seksslaaf is 'Singer': naar de naaimachine? - is er ook wel wat kritiek mogelijk. Zo wordt het element van de pornografie, dat uiteindelijk een heel belangrijk motief blijkt te zijn, pas na de helft expliciet geïntroduceerd en dan ook meteen ten volle benut: het doek beschrijft hoe zijn schepper zich soms terugtrekt in een kamertje met wat videobanden (geen dvd's) en vrijwel meteen daarna komt de lezer erachter dat de voorstelling die het doek draagt misschien ook wel eens een pornografische inslag zou kunnen hebben. Dat was denk ik effectiever geweest als dat terugtrekken op dat kamertje eerder in het boek was gebeurd. Maar al met al een verhaal dat knap in elkaar zit en dat je met plezier leest, ook als de boodschap ervan je niet veel zegt - amusement op niveau.

Arthur Japin. De grote wereld. Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek, 2006.

Twee 'kleine mensen' trekken in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog rond de wereld - Amerika, Duitsland, Engeland - om te laten zien wat ze zijn - klein. Beschreven wordt het leven in het soort dorpjes voor kleine mensen dat toen de westerse wereld rondtrok, waarin de 'grote mensen' zich konden vergapen aan een bordkartonnen nagebouwde komische versie van hun eigen wereld. De twee kleine mensen in dit boek houden van elkaar en willen misschien wel aan die bordkartonnen wereld ontsnappen, maar uiteindelijk helpen waarschijnlijk juist hun kunstjes hen om te ontsnappen aan het lot dat hen wacht - wie het boekje leest, merkt dat in ieder geval een van hen joods is.

Goedgeschreven novelles, die bestaan er in het Nederlands geloof ik niet zoveel, of misschien komt het wel doordat ik ze te weinig lees. Dit boekenweekgeschenk is in ieder geval wel een geslaagd exemplaar, al moet ik er ook wel bijzeggen dat het me niet heel veel doet: het zit goed in elkaar, de stijl is adequaat -- Japin wordt wel een moderne Couperus genoemd, maar dat lijkt me nu ook weer overdreven -- maar heel aangrijpend wordt het nu ook weer niet.

24.3.06

Daniel Kehlmann. Die Vermessung der Welt. Hamburg: Rowohlt, 2006.

Twee Duitse geleerden aan het eind van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw, Alexander von Humboldt en Carl Friedrich Gauß en daar dan een roman over. Toch is dat boek enorm populair in Duitsland, en wat meer is: die populariteit is volkomen terecht. Het is alweer een tijdje geleden dat ik zo'n levendig en onbekommerd boek heb gelezen, vol met prachtige formuleringen, vol met rake observaties, en dan tussen neus en lippen door ook nog vol met gedachten. Het begin is al onovertroffen:

Im September 1828 verließ der größte Mathematiker des Landes zum erstenmal seit Jahren seine Heimatstadt, um am Deutschen Naturforscherkongreß in Berlin teilzunehmen. Selbstverständlich wollte er nicht dorthin. Monatelang hatte er sich geweigert, aber Alexander von Humboldt war hartnäckig geblieben, bis er in einem Schwachen Moment und in der Hoffnung, der Tag käme nie, zugesagt hatte.

Nun also versteckte sich Professor Gauß im Bett.

Onmiddellijk begint het verhaal te wirrelen en warrelen: de vrouw van Gauß zegt dat hij toch echt moet gaan, zodat hij haar begint te haten. Zijn zoon reist met hem mee, zodat hij hem begint te haten. En omdat hij steeds gehoopt heeft dat deze verschrikkelijke dag toch niet zou komen, komt hij er in de koets achter dat hij geen boek bij zich heeft. Dus pakt hij het lievelingsboek van zijn zoon af, dat blijkt te gaan over Duitse Gymnastiek, en een beschrijving behelst van allerlei apparaten zoals de bok en het paard. Waardeloos, vindt Gauß, en dus gooit hij het lievelingsboek van zijn zoon uit het raam. En dan zijn we pas op pagina drie.

Er gebeurt zoveel in het boek dat je bijna zou vergeten dat er ook nog onderwerpen in behandeld worden die mij in ieder geval interesseren, zoals: in hoeverre is het nodig voor een wetenschapper om, zoals Humboldt, de wereld in te trekken om overal alles na te meten en te bestuderen onder enorm ingewikkelde omstandigheden? Kun je niet ook, zoals Gauß, thuis blijven en goed nadenken?

Je kunt in ieder geval thuis blijven, dit boek lezen en van alles meemaken.

20.3.06

George Steiner. Tolstoy or Dostoyevsky. An essay in contrast. London/Boston: Faber and Faber, 1980 (1959).

Over dit boek heb ik in zekere zin vele jaren gedaan. Bijna vijftien jaar geleden overleed mijn grootvader, en onder andere omdat hij een bewonderaar was van Steiner (die hij op de televisie had gezien) haalde ik dit boek uit zijn erfenis. In 350 bladzijden zet Steiner twee werelden tegenover elkaar: die van Tolstoy en die van Dostojefski. Maar toen ik vijftien jaar geleden begon te lezen, merkte ik al snel dat het niet veel zin had om zoveel geleerdheid te verstouwen als je nog niets of bijna niets van beide schrijvers gelezen hebt.

Inmiddels heb ik heel veel van Tolstoj gelezen — in ieder geval alle grote romans — en van Dostojefski toch in ieder geval De gebroeders Karamazov en wat kleiner werk, dus nu kon ik deze studie eindelijk voltooien.

Ik begrijp wel waarom iemand een bewonderaar is van Steiner. Wat weet die man veel, wat heeft hij veel gezien in de boeken die hij gelezen heeft, en wat schrijft hij zelf elegant. Hoewel sommige van de tegenstellingen die Steiner signaleert niet zo vreselijk moeilijk te vinden zijn — Tolstojs personages zijn kalmer dan die van Dostojefski — ben ik vooral over Dostojefski wel wat meer te weten gekomen. Dat hij de eerste schrijver was die het geestesleven van zijn personages als zijn centrale onderwerp nam, zo had ik dat gek genoeg nog niet gezien. Ik moet wat meer Dostojefski lezen, want ik ben met Steiner nog lang niet klaar.

Martin Reints. De ballade van de winstwaarschuwing. Amsterdam: De Bezige Bij, 2005.

Ballade van de winstwaarschuwing klinkt naar ironie, maar ironisch is deze bundel niet. Het lange titelgedicht staat tweemaal in de bundel, eens als Ayler-variant en eens als Messiaen-variant. Dat klinkt gewichtig, maar dat is het niet. De dichter wil met deze bundel geloof ik laten zien wat voor werelden van gedachten zich afspelen in het hoofd van de man die, keurig in pak, bijvoorbeeld een winstwaarschuwing doet (of Koninginnedag becommentarieert voor de televisie). Zelfs bij zo'n man, zelfs in zo'n pak, rijzen er vragen als:

zal ik een cello kopen
of een motor met zijspan?

Dat lijkt me een thematiek die je als schrijver goed kunt uitdiepen, en Martin Reints doet dat ook heel vaardig. Er staan opmerkelijke gedachten in de bundel. En toch word ik er niet echt door gegrepen: de vraag of een man in een pak een cello gaat kopen of een motor met zijspan, hoe goed geformuleerd ook, is uiteindelijk toch niet de vraag waar ik mee worstel.