23.4.06

Jorge Luis Borges. Labyrinths. Selected stories and other writings. London: Penguin, 2000 (1970).

Een tijdje geleden bezocht ik een tentoonstelling van René Magritte in het Mauritshuis. Had ik dat maar niet gedaan! Van te voren had ik het idee dat Magritte een schilder van ideeën was, maar na tien keer 'Ceci n'est pas un pomme', 'Ceci n'est pas un cigare', 'Ceci n'est pas un pomme' (nu wat kleiner dan de eerste keer), enz., overheerste de verveling.

Borges is voor mij de Magritte van de literatuur. Je kent zijn werk eigenlijk al voordat je het ooit gelezen hebt: allerlei fantasieën over het leven en het lezen, en de manieren waarop die in elkaar vervlochten kunnen raken -- korte, ultrakorte schetsen. In de inleiding wordt ook nog eens uit de doeken gedaan dat het voor Borges allemaal een vlucht was uit de gruwelijke werkelijkheid van de verscheurde Europese cultuur na de Wereldoorlog. Maar eigenlijk hoef je die verhalen daar vervolgens niet meer voor te lezen — ze geven misschien wat intellectueel plezier, maar dan kun je eigenlijk ook maar beter meteen een wetenschappelijke studie lezen. Ik houd geloof ik misschien ook niet zo van fantasie, en ik moet me toegeven: bij Jorge Luis Borges, volgens de flaptekst 'de grootste schrijver die nooit de Nobelprijs kreeg', heb ik me verveeld.

Gerard Reve. Het Boek Van Violet En Dood. Amsterdam: L.J. Veen, 1996.

Ik moest natuurlijk iets lezen om de oude meester te gedenken, die onlangs overleed. Bezorgde ouders, waarschijnlijk zijn beste boek, kon ik niet meer vinden, dus heb ik maar het boek genomen dat zijn beste boek had moeten zijn. Ik had het nog in de kast staan, heb het waarschijnlijk tien jaar gelezen, maar kon me dat nog nauwelijks herinneren.

Een meesterwerk is het ook niet, over tien jaar kan ik het weer lezen zonder dat ik me veel herinner. Toch is het wel een mooi boek, en ook geloof ik wel een bijzonder boek in Reves oeuvre.

Op de omslag staat dat dit 'zijn meest autobiografische roman' is, en dat is geloof ik waar. Er worden (soms maar heel kort) episoden in voor die Reve verder altijd vermeden heeft: zijn werk voor het verzet, zijn verblijf in een psychiatrische inrichting. Het wordt allemaal stekelig verteld, en natuurlijk doorschoten met grappen en erotische fantasieën, maar ondertussen staat er toch maar, in een achteloze aantekening:

Ik zelf ontuchtig benaderd door man in vroege jeugd. Later nooit gewag van gemaakt of in praatprogramma vermeld. Ook nooit aan iemand verteld.

Maar verder wordt natuurlijk ook voorbijgelopen aan

het graf van de schrijfster Colette, die zo leuk beschreven heeft hoe in de salon elke dag een spin van het plafond nederdaalt aan haar draad en zich aan een bodempje chocolademeld in een kopje op de salontafel te goed doet om daarna aan haar draad wederom naar het plafond terug te keren. Zo enig als dat door die ondeugende Colette beschreven werd! Iemand vertelde mij eens dat hij of zij nog nooit zoiets leuks op papier was tegengekomen. Ik besloot om nooit van mijn leven iets van die Colette of wie het was te lezen of in te zien. Dat recht heb ik, kijk maar in de Grondwet.

Wat was het geheim van Reve? Ik weet het natuurlijk ook niet; maar het heeft iets te maken met die toevoeging 'of zij' in deze alinea.