27.9.06

Alfred Schaffer. Schuim. Amsterdam, De Bezige Bij, 2006.

"Wat Schaffer te zeggen heeft, is niet na een keer duidelijk,' vertelt De Standaard op de achterflap van deze bundel, 'maar hoe hij het zegt is onweerstaanbaar charmant — twee redenen waarom dit prachtige poëzie is." Juist ja. Maar wat als je nu niet vatbaar bent voor die charme, hoe onweerstaanbaar ook? Het allereerste gedicht begint zo:

Hier spreekt de wetenschap, we gaan sluiten, vandaag bestaat
als gisteren als morgen, niemand die hier zonder wapens leeft:
is er nog hoop voor achterblijvers? Met fantasie een losgezongen
toestand, maar ik had niets verzonnen en jij was niet te stuiten,

Ik heb werkelijk geen idee waar het de dichter hier om te doen is; het is heus vaardig opgeschreven, er staan geen echt lelijke dingen, maar ik zie ook niet wat er mooi is. En de betekenis? Dit is wat de dichter erover zegt in een interview:

Het gedicht 'Waar je ook bent, je hebt niets gezien' is bijvoorbeeld een aanklacht tegen mediageweld dat dramatische gebeurtenissen plat maakt. Met de tsunami (...) waren toeristen gemoeid en het gebeurde tijdens kerst, dat zorgde voor veel aandacht. Op dat moment waren we erg begaan, we openden gironummers, keken naar televisieprogramma's, maar daarna was het afgelopen en bestond het niet meer. Mediageweld creëert een short attention span. Maar dramatische gebeurtenissen vinden constant plaats. Nu is er volgens mij een flinke overstroming in Noord-Korea, maar we horen er niets over. Onze aandacht is misschien wel oprecht, maar niet doorvoeld..

Wat een triviale gedachte! En wordt die dan onnodig duister verwoord.

23.9.06

Andreï Makine. Le testament français. Paris: Mercure de France, 1995.

Een Russisch jongetje groeit op in de jaren vijftig, in een duisteren en treurige stad in Siberië. 's Zomers gaat hij naar het huisje van zijn oma ergens buiten de stad, en daar hoort hij haar verhalen over Frankrijk. Het jongetje dat alleen Rusland kent, maakt uit die verhalen, en uit het Russische platteland, en uit zijn fantasie, en uit wat hem verder voor de voeten komt, zijn eigen Frankrijk en zijn eigen Parijs. Soms botst dat beeld even hardhandig met de werkelijkheid — hij hoort een verhaal over hoe de tsaar ooit de Franse president bezocht, en krijgt daaruit een vriendelijk beeld van die tsaar, terwijl hem op school natuurlijk geleerd wordt dat de man een barbaarse onderdrukker was — en gaandeweg komt hij zo tussen twee culturen te staan.

Zelden zo'n precieze reconstructie gelezen van hoe kinderlijke fantasie werkt, en zelden zo'n liefdesverklaring aan een taal — de Franse — waarvan dan ook nog eens op elke bladzijde blijkt hoe de schrijver de toon van die taal steeds weer juist kan aanslaan. Zelden zo'n coherent beeld gelezen van hoe het is om tussen twee culturen te leven — wat voor problemen dat met zich mee kan brengen, en wat voor rijkdom het uiteindelijk is.

15.9.06

Jonathan Haidt. The Happiness Hypothesis. Putting Ancient Wisdom to the Test of Modern Science. London: William Heineman, 2006.

Hoe moet je leven? Het antwoord op die vraag kan in onze wetenschappelijke tijd natuurlijk alleen komen van de wetenschap. Jonathan Haidt is een onderzoeker naar 'moraal' en 'moraliteit'. In dit boek zet hij uiteen wat er volgens de klassieke filosofen en volgens de moderne wetenschap nodig is: balans. Balans tussen de bewuste ratio bijvoorbeeld en het hele grote brok van onbewuste verlangens en gevoelens en gedachten dat eronder zit - het deel dat niet in de eerste plaats geluk op het oog heeft, maar overleven, het deel dat ons daarom laat streven naar materieel geluk waarmee we anderen de ogen kunnen uitsteken in plaats van naar vriendschap waar we zelf gelukkiger van kunnen worden.

Haidt zegt dat we van alles een beetje moeten proberen te nemen. Buddha had wel een beetje gelijk dat je je aan zo min mogelijk dingen moest hechten, maar hij sloeg door toen hij stelde dat je je nérgens aan mocht hechten: banden met vrienden zijn juist heel belangrijk.

De metafoor van de 'egoïstische genen' krijgt zo een nieuwe dimensie: de genen zorgen voor allerlei soorten gedrag waar zij misschien baat bij hebben, maar wij niet. De genen hebben er niets aan als wij gelukkig zijn: dood aan onze genen!

Een mooi boek. Nuchter en toch inspirerend: in balans.

10.9.06

Thomas Mann. Der Tod in Venedig. Frankfurt: Fischer, 2005 (1913).

Wie gaat er dood in Venetië? Er vindt een strijd op leven en dood plaats, dat is zeker, tussen de vijftigjarige schrijver Gustav Achenbach en de door hem in stilte aanbeden veertienjarige Poolse jongen Tadzio. Alleen al door de titel hangt er over dit hartstochtelijke liefdesverhaal de hele tijd een dreiging waardoor je denkt dat een van de twee eraan zal gaan: er heerst dood en verderf in de stad, Tadzio is een ziekelijke jongen en wordt in een vriendschappelijk spel met een andere Poolse jongen bijna gewurgd, en toch is het Aschenbach die het loodje legt.

Der Zauberberg of Dr. Faustus: ik ben eraan begonnen maar nooit verder gekomen dan laten we zeggen bladzijde 10. Het was (ahum) een goed idee van mij om dan eens eerst een korter werk te lezen, deze novelle. Ook nu moest ik even wennen, maar toen ik eenmaal gewend was, dacht ik eerst te begrijpen dat Thomas Mann de Duitse Couperus was: dezelfde romantische gedachten over Italië en over het schrijverschap, en minstens even fraaie zinnen. Maar gaandeweg kreeg ik door dat Mann een verhaal schreef dat Couperus nooit had kunnen schrijven, zo eerlijk en zo hartverscheurend, met zulke prachtige scènes en beschrijvingen van dingen die ik nooit eerder beschreven zag. Als Aschenbacher bijvoorbeeld op een dag besloten heeft dat het beter is zijn hotel in Venetië te verlaten en door te reizen naar een andere stad, omdat hij nog niet in de gaten heeft dat hij verliefd is op Tadzio, en de volgende morgen dat besluit tegen zijn zin moet uitvoeren: de opluchting die hij dan voelt als hij merkt dat zijn bagage de verkeerde kant op is gestuurd en dit hem een excuus geeft om te blijven waar hij wil blijven. Het verbergen van een gevoel van opluchting over iets waarvan iedereen vermoed dat je het heel naar moet vinden: daarover heb ik nog nooit iets gelezen. Toch maar weer eens aan Der Zauberberg of Dr. Faustus beginnen.

3.9.06

Ada Csiszár (red.) Selektitaj leteroj de Kálmán Kalocsay 1927-1975. Budapest: Csiszár, 2006.

De Hongaarse arts Kálmán Kalocsay had een eigenaardige hobby: avond aan avond vertaalde hij gedichten en toneelstukken - van Catullus tot Shakespeare, van Petőfi tot Heine. Hij bedacht de juiste metrische systemen om al die gedichten uit al die tradities te kunnen vangen, want de taal waarin hij werkte had nog nauwelijks een literaire traditie: het Esperanto.

Uit de in dit boek verzamelde brieven -- de meeste stammen uit de jaren zestig, toen Kalocsay gepensioneerd was - blijkt dat de dokter meer zorgen had. Hij schreef samen met Gaston Waringhien, een Franse leraar die zijn beste vriend werd, een uitvoerige grammatica van de taal en een boek over de manier om gedichten te schrijven en in zijn eentje ook een aantal grammaticale studies. Bovendien maakte hij zich in de jaren zestig ook enorm en onbegrijpelijk kwaad maakt over een grammaticale kwestie. Er waren andere esperantisten die beweerden dat la pordo estis fermata ook kon betekenen dat de deur gesloten was (de 'atisten') werden ze genoemd), terwijl iedereen wist dat die zin betekende dat hij alleen kon betekende dat hij geslotenwerd. Waarom maakte dat verschil van mening Kalocsay zo kwaad? Je komt het uit de brieven niet echt te weten. Je kunt alleen speculeren. Hij nam de taal heel serieus, hij had een belangrijk deel van zijn leven aan die taal gewijd -- duizenden uren studeren, vertalen, schrijven. Hij was er een beetje bitter van geworden, er was niet veel van de taal terecht gekomen, en nu begonnen ze ook nog eens rare interpretaties te geven aan de zinnen. Je wordt er melancholiek van.

(Ooit hadden we het plan om de correspondentie tussen Waringhien en Kalocsay op internet uit te geven. Er is niet veel van gekomen, over melancholie gesproken, maar de aanzet staat er nog: hier.)