Doorgaan naar hoofdcontent

Marguerite Yourcenar. Mémoires d'Hadrien. Paris: Gallimard, 2005 (1951).

De oude keizer Hadrianus is de zestig gepasseerd en voelt de dood naderen. Hij schrijft een lange brief aan zijn geadopteerde zoon Marcus Aurelius waarin hij zijn leven beschrijft. Die brief is dit boek, het meesterwerk van de Belgisch-Franse schrijfster Yourcenar.

Yourcenar zag een overeenkomst tussen Hadrianus' tijd en de hare: de mensen geloofden in de tweede eeuw niet meer echt in de klassieke goden, maar ook nog niet echt in het christendom. De mens was op zichzelf aangewezen, net als de mens na de Eerste (en Tweede) Wereldoorlog.

De lezer aan het begin van de eenentwintigste eeuw valt nog een overeenkomst op: de discussie over de multiculturele samenleving. Dat was voor Hadrianus duidelijk een ideaal. Hij wilde dat alle geloven en culturen een eigen plaats konden krijgen in zijn grote Romeinse rijk, en maakt er in Yourcenars boek ook af en toe trots gewag van dat dit is gelukt. Hij is dan ook een man die de mens liefheeft, die trots is op de menselijke maat die de klassieke culturen aan alle dingen geven, die kan genieten van alle kunstwerken die de mens in zijn ware gedaante afbeelden.

Maar met al zijn mensenliefde maakt Hadrianus in dit boek vooral een eenzame indruk. Dat komt onder andere doordat er in het hele boek nooit iemand iets tegen iemand anders zegt, althans de directe rede wordt nooit gebruikt, en ook de indirecte rede eigenlijk niet. Hooguit krijg je een heel abstracte samenvatting van een bijeenkomst die wel een gesprek moet zijn geweest. En zelfs met die gesprekken is vaak iets vreemds aan de hand. Over de eerste keer dat Hadrianus de liefde van zijn leven, de jonge Griek Antinous ontmoet, meldt hij alleen dat hij diens Griekse accent zo opvallend vond. Het menselijke contact is vooral vorm en geen inhoud; daarmee lijkt Hadrianus me nogal een contactarme man, iemand die liever las dan praatte, iemand die niet veel echt van mens tot mens sprak, al was het maar omdat hij gaandeweg steeds meer als een god behandeld werd.

Is het niet te gemakkelijk om gecharmeerd te zijn van al die verschillende culturen als je er zelf alleen van een afstandje naar kijk? En is die verliefdheid op de menselijke maat niet verwrongen als je lyrischer over prachtige beeldhouwwerken bent dan over mensen van vlees en bloed?

Er is wel een uitzondering: als zijn geliefde Antinous net dood is, laat Hadrianus zich een bladzijde of drie even helemaal gaan. De emoties die van die drie bladzijden litanie afspatten zorgen dat die drie bladzijden behoren tot de ontroerendste die ik ooit gelezen heb.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Willem Frederik Hermans. Het behouden huis. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012 (1952).

Het behouden huis: het is oorlog, het is al heel lang oorlog, het is doodschieten of doodgeschoten worden. Dat alles is al meteen duidelijk vanaf de eerste bladzijde van deze roemruchte novelle van Willem Frederik Hermans. En zoals de dingen gaan: ik geloof dat ik alles gelezen heb van deze beroemde schrijver, maar deze beroemde novelle, misschien wel het beroemdste wat hij schreef, nou net niet.

Het is een aangrijpend verhaal, een verhaal dat je beklemt doordat het je ertoe verleidt net zo opportunistisch te denken als de soldaat die de hoofdpersoon is. Heel lang kun je dat voor jezelf verantwoorden doordat die soldaat duidelijk aan de goede kant is: hij heeft immers aan het begin van het verhaal al meteen een hele serie vluchtende Duitsers doodgeschoten. Aan het einde van het verhaal zijn de rollen omgedraaid en blijkt hij – blijk jij, blijk ik – medeplichtig aan gruwelijker misdaden dan de Duitsers in het verhaal begaan.

Wikipedia denkt op gezag van allerlei vooraanstaande critici d…

Pieter A.M. Seuren. Chomsky's Minimalism. Oxford: OUP, 2004.

Noam Chomsky, dat weet iedereen, is al decennialang een centrale figuur in de taalwetenschap. In het bijzonder de leer van de zinsbouw, de syntaxis, heeft hij heel belangrijk gemaakt en nog steeds is het binnen die syntaxis zo dat iedereen naar Chomsky kijkt: sommigen vol bewondering en anderen vol afschuw, maar iedereen kijkt. Iemand die zo vol afschuw kijkt is Pieter Seuren, inmiddels alweer geruimte tijd emeritus hoogleraar in Nijmegen. In 2004 schreef hij een soort pamflet tegen Chomsky en de laatste versie van diens theorie, het zogenoemde minimalisme. Seuren laat geen spaan heel van dat minimalisme van Chomsky: de theorie zit volkomen onlogisch in elkaar, vanuit wetenschapsfilosofisch oogpunt bekeken is het een warboel, er bestaan geen feiten die deze theorie wel kan verklaren maar andere niet, terwijl omgekeerd andere theorieën wel allerlei feiten kunnen verklaren waar het minimalisme niets mee kan, enz. Maar bovenal is het boek een persoonlijke aanval op Chomsky: de man is …

Paul Celan. Verzamelde gedichten. Amsterdam: Meulenhoff, 2003.

Met een vertaling van Ton Naaijkens.Dit is het verslag van een mislukking. Paul Celan is een groot dichter die ook in Nederlandgerespecteerde liefhebbers heeft, en door een van hen, de hoogleraar Duits en vertaalwetenschap Ton Naaijkens, in het Nederlands is vertaald. Celans verhaal - dat van een Duitstalige Roemeense Jood die na de oorlog het Duits opnieuw moest uitvinden om een glimp de verschrikkingen op te kunnen schrijven - is indrukwekkend, en zijn Verzamelde gedichten zijn in het Nederlands ongehoord prachtig opgeschreven.Maar het boek ziet er ook uit als een brok geblakerd beton, en het is me niet gelukt om er doorheen te breken. Ik begrijp niet wat ik als lezer verondersteld wordt te doen met een gedicht als:Das umhergestossene
Immer-Licht, lehmgelb,
hinter
PlanetenhäuptenErfundene
Blicke, Seh-
narben,
ins Raumschiff gekerbt,
betteln im Erden-
münder.(Het alle kanten op gestoten
steeds licht, leemgeel,
achter
planetenhoofden.Bedachte
blikken, kijk-
krassen, diep
in het ruimte…