17.2.07

Piet Gerbrandy. De zwijgende man is niet bitter. Amsterdam: Meulenhoff, 2003 (2001).

Misschien, ach, misschien denk ik wel dat Piet Gerbrandy de belangrijkste levende Nederlandse dichter is. Je kunt ieder gedicht van hem herkennen aan de toon, aan de taal, aan de wonderlijke mengeling van alledaags en bijzondere:

Zo veel heb ik nodig dat ik leef.

Glimp van billen op arduinen trap,
wit goed in mand, half lege
mok op aanrecht, gerucht

van adem bij nacht. Ongeduldige stap
van bijna groot kind in de morgen,
pen die nog zin verzamelt.

Melk, kaas klevend aan mes,
vlam, rib van een lam, bovengistend
fluisterend bier. Leren jas

en herenfiets om te gaan.

Het is een niet heel erg originele gedachte: de spanning tussen het behaaglijke van het vertrouwde en de wens om er tussenuit te gaan. Maar dan kun je ook zeggen dat het een klassieke gedachte is, en een die hier bijna klassiek verwoord is. De gedichten van Gerbrandy kun je in marmer beitelen.

(Eerder schreef ik over Drievuldig, feilloos, vals, dat ik prachtig vond, en Krang en zing, dat ik een beetje vond tegenvallen.)

16.2.07

Alain de Botton. Essays in Love. Oxford: Picador, 2006 (1993).

Een man ontmoet een vrouw, ze worden verliefd op elkaar, ze krijgen een relatie, het gaat uit. Dat is het verhaal van Essays in Love, en dan heb ik het nog niet eens zo heel erg ingekort. Toch is dit een van de charmantste en elegantste boekjes die ik in lange tijd gelezen heb. De Botton doorspekt zijn verhaal met allerlei korte beschouwingen over de liefde: waarom wordt hij zo woedend als zij de 'verkeerde' schoenen heeft gekocht, terwijl het hem niets kan schelen dat zijn melkamn op nog veel raardere stappers rondloopt? Wat is het belang van bijnamen? Hoe lijkt iemand die voelt dat hem de liefde ontglipt op een terrorist?

Deze versie van dit boek is onlangs door De Botton lichtelijk herschreven: de eerste versie schreef hij toen hij een jonge twintiger was, en inmiddels is de schrijver ook alweer kaal en ergens in de dertig.

Ik zou nu eigenlijk wel willen weten waar deze versie verschilt van die eerdere, want deze lijkt me af en toe behoorlijk wijs voor iemand van 23. OF, nou ja, ik weet ook eigenlijk niet meer wat ik zelf allemaal dacht in die tijd; en ik weet ook niet of ik nú wel zo goed zou kunnen observeren als De Botton: al die kleine details van de gemoedstoestand, die je meteen weer vergeet omdat je overgaat in een andere gemoedstoestand: als je het leest denk je 'oh ja', maar hoe onthoud je het als niemand ooit eerder Essays in love schreef?

11.2.07

Philip Roth. Portnoy's Complaint. New York: Fawcett Crest, 1985 (1969).

Ik ga alle boeken van Philip Roth lezen in mijn leven. Eerder besprak ik hier American pastoral, Everymanl, The dying animal en The plot against Americal. Ik las ook The human stain en Operation Shylock. Later dit jaar komt er naar verluidt weer een nieuwe roman, maar intussen probeer ik af en toe ook in te halen: er zijn al tientallen boeken verschenen die ik nog lezen moet.

Ik ben nu maar met Portnoy's Complaint begonnen, Roths beroemdste. Ik moet toegeven dat ik het vooral als een curiosum las, een vroeg werk waarin je thema's uit zijn latere werk weerspiegeld ziet. Zo wordt er ergens melding gemaakt van een zeer succesvolle oom die door de buurt als onjoods succesvol werd gezien — een thema in American pastoral. En ergens wordt terloops melding gemaakt van een Afro-jewish kapsel — iets wat in The human stain van groot belang wordt.

Als het boek op zichzelf had gestaan, als ik al niet een verklaard bewonderaar van Roth was geweest, had ik het misschien niet zo snel uitgelezen. Het is zo, hoe zal ik het zeggen, het is zo puberaal zoals de jaren zestig puberaal waren: een man van 33 die zich nog met zoveel woede afzet tegen zijn ouders. Wat mooi is aan de latere boeken van Roth, vind ik, is de totale compassie met andere mensen; die compassie ontbreekt hier. We zien het hele verhaal vanuit een egomane persoon.

Toch zet het verhaal ook wel aan het denken. Je leest weleens dat de problemen die sommige jonge immigranten in de Nederlandse samenleving hebben, vooral voortkomen uit het feit dat ze zien dat hun goedwillende hardwerkende vaders totaal geen respect krijgen in de samenleving, en misschien ook wel geen respect verdienen. Daarover gaat Portnoy's Complaint óók — het geeft misschien wel een uniek inkijkje in een dergelijke toestand.