27.11.07

Fyodor Dostoyevsky. Crime and Punishment. London: Penguin, 2003 (1866)).

Vertaling: David McDuff

Dat Raskolnikov een misdadiger is, weet je ook wel zonder Misdaad en straf te lezen. Zijn naam staat gelijk aan 'moordenaar', en ik wist zelfs dat hij zijn moord pleegde om zich boven andere mensen te verheffen. Maar wat dit voor hem betekent, daarvoor moet je toch echt door die zeshonderdvijftig pagina's met vele honderden uitroeptekens heen.

Ik heb het boek gelezen als een boek over eenzaamheid. Raskolnikov wil zich met zijn daad boven de massa verheffen, hij wil een nieuwe Napoleon zijn, maar in feite isoliseert hij zich van alle andere mensen, omdat hij steeds erop alert moet zijn, niets van zijn misdaad te verraden. Iedere vriendschap moet hij wantrouwen of zelfs mijden, en ook zijn relatie met zijn moeder en zus raakt er heftig door ontregelt. Zoals ook de andere hele of halve misdadigers in dit boek zich buiten de groep plaatsen en daaraan tenonder gaan. Raskolnikov gaat overigens niet ten onder, want hij vindt uiteindelijk toch een mens die hem begrijpt of in ieder geval accepteert: Sonya, die hem tot in Siberië volgt uit een onbegrijpelijke liefde.

Interessant vind ik de negentiende-eeuwse fascinatie met Napoleon, die je bij meer schrijvers ziet; bij Stendhal bijvoorbeeld. Raskolnikov waant zich als hij zijn moord pleegt even groot als Napoleon. En zou die neerkijken op een dode meer of minder om zijn grote doel te bereiken? En hoe eenzaam is Napoleon uiteindelijk gestorven?

23.11.07

A.J. Jacobs. The Year of Living Biblically. New York: Simon and Schuster, 2007.

A.J. Jacobs moet een beetje gek zijn. Anders ga je toch niet als zelfverklaard agnost — hij is naar eigen zeggen wel joods, maar dan 'in de zin waarin Olive Garden een Italiaans restaurant is' — alle regels van de bijbel zo letterlijk mogelijk te volgen. Dus ook de regel dat je geen kleding mag dragen waarin wol en linnen tegelijk zijn verwerkt. Of de regel dat je overspeligen moet stenigen. Of de regel dat je een os moet slachten in de buurt van een onopgeloste moord.

Gelukkig is Jacobs in de eerste plaats behalve gek ook onweerstaanbaar grappig. Als een vrouw eindeloos tegen hem zit aan te klagen, zegt hij: 'Zij is de Fidel Castro van het klagen'. Als hij beschrijft hoe werkverslaafd zijn vader en hij zijn, vertelt hij dat ze zelf zitten te schrijven terwijl ze op hun laptop een dvd bekijken; nou ja, bekijken: af en toe spiekt hij even 'om te zien of het beeld nog beweegt'.

En behalve gek en grappig is Jacobs uiteindelijk ook serieus op zoek naar hoe dat nu eigenlijk zit met die bijbel. Wat beweegt mensen (hij interviewt onder meer ultra-Orthodoxe joden, Amish en Jehovah's Getuigen) om zich in onze tijd zo letterlijk aan dat oude boek te houden? Hoe kan er in een boek zo'n combinatie van fundamentele morele regels (gij zult niet stelen) met absurde detail voorkomen (als een man x in gevecht raakt met een man y, en de vrouw van x komt haar man te hulp en grijpt y in het kruis, dan heeft y het recht haar hand af te hakken). Wat zegt de bijbel ons nu nog? Jacobs vindt de antwoorden natuurlijk ook niet, maar hij heeft wel een jaar lang oprecht gezocht.