22.7.09

Elsa Morante. History: A Novel. London: Penguin Books, 2001. (La Storia, 1974)

Vertaling: William Weaver.

Elsa Morante. History Volgens een citaat op het omslag is dit 'een van de weinige romans in enige taal die de totale verschrikking van Hitlers oorlog weergeeft.' Dat lijkt op het eerste gezicht vreemd, bijvoorbeeld omdat 300 van de 750 pagina's zich afspelen in de jaren 1946 en 1947, of omdat het slechts gaat om een handjevol personen van wie niemand ooit een concentratiekamp van binnen ziet.

Maar de achterflap heeft gelijk. Juist door de doorwerking van die afschuwelijke oorlog te laten zien in de levens van een paar arme drommels, juist ook in de doorwerking van de jaren dat de oorlog voor de Grote Geschiedenis is afgelopen.

Want dat is een van de duidelijke thema's van La Storia, de onbewuste, gruwelijke, alles verterende kracht van de geschiedenis die maar doordendert en het leven van de mens onverschillig vermorzelt.

We zien dat aan de hand van het leven van een vrouw, die toevallig joods blijkt te zijn — zonder Hitler had Ida dat waarschijnlijk nooit geweten — en haar kinderen, één van haar Italiaanse man, en één van een jonge Duitse soldaat-verkrachter, en het gaat over een aantal mensen met wie ze in aanraking komt, in het bijzonder de joodse jongeman Davide. Ida is van iedereen uiteindelijk de enige die de oorlog overleeft, al is dat vanaf 1947 tot haar dood in een staat van totale apathie, bewegingsloos op een stoel in een gekkenhuis.

Het verpletterende aan dit boek is misschien wel dat de verkrachter helemaal niet zo'n slechte jongen is. En dat het allerergste dat Davide overkomt is dat hij tijdens de oorlog in woede met een laars het hoofd van een SS'er vertrapt — een SS'er die daarbij zachtjes weent. Het allerergste aan de Geschiedenis — de delen van dit boek hebben de namen van jaren, en ieder deel wordt ingeleid met een zakelijke opsomming van gebeurtenissen in de grote wereld, de geschiedenis die op de achtergrond almaar voortwoekert &mdash is misschien wel dat ze ons kan veranderen in monsters.

Wat een ontstellend boek, zo vol dood en tegelijertijd zo vol leven en levenslust. De geschiedenis verscheurt en vertrapt ons, en tegelijkertijd is er voor altijd dit boek, waarin een klein jongetje in een hut een kostbare schat vindt: een munt van de Giro d'Italia.

14.7.09

Herman Melville. Moby-Dick. Or, The Whale. Borders Group, 2006 (1851).

Herman Melville. Moby Dick Er is een bekend verhaal over een aantal blinden die in het donker een olifant betasten, en waarvan er een denkt dat hij een lantaarnpaal te pakken heeft, een een tuinslang meent te ontdekken, en een een zeilboot vermoedt vanwege de grote oren. Zo'n verhaal is Moby Dick in zekere zin ook, maar dan met een verteller die de moeite doet om nu eens aan deze kant van de walvis te gaan staan en daar zijn verhaal te vertellen, en dan weer eens aan de andere kant. Die zijn onderwerp tegelijkertijd wetenschappelijk en antiwetenschappelijk benadert, zakelijk en romantisch, vanuit het standpunt van de walvisvaarder en dat van de liefhebber, enzovoort. Die een bont geschakeerd geheel toont en daarmee laat zien hoe weinig we eigenlijk begrijpen van een medeaardebewoner als de walvis.

Een van de mooie dingen die romans kunnen is precies dat: een probleem van allerlei gezichtspunten laten zien, en tonen dat iedereen gelijk heeft en daarin nu juist de moeilijkheid schuilt. In dat opzicht is Moby-Dick waarschijnlijk inderdaad de Great American Novel. Ik heb in ieder geval gesmuld.

Het boek begint met een vertellerskracht die geloof ik ongeëvenaard is. Ik ben in ieder geval niet veel vaker zo sterk een verhaal ingetrokken als tijdens de eerste pakweg honderd bladzijden, waarin Ishmael zijn nieuwe vriend, de 'kannibaal' Queequeg ontmoet in een naargeestige walvisvaardersherberg in Nantucket, enkele nachten met hem doorbrengt en uiteindelijk samen met hem aanmonstert op het roemruchte schip waarop kapitein Ahab uiteindelijk blijkt zijn verdoemde wraaktocht op Moby-Dick, het gevaarte dat zomaar zijn been verbrijzeld heeft, te vermoorden.

De wereld is groot en onbegrijpelijk, ik geloof dat uiteindelijk alle boeken over de zee daarover gaan. Je kunt er honderden aspecten van belichten, en dan nog heb je de waarheid niet te pakken — dat zegt Moby Dick.

3.7.09

Albino Pierro. De kus van het middaguur. 9endertig liefdesgedichten. Rotondella: Archivia, 2008.

Vertaling: Maria van Daalen, Antonio Petrocelli, Silvia Terribili

Albino Pierro. De kus van het middaguur. 9endertig liefdesgedichten Albino Pierro dichtte zijn werk in de jaren vijftig, zestig en zeventig van de twintigste eeuw in het dialect van zijn geboortedorp, Tursi. Zoals meer Europese dialectdichters werd die keuze waarschijnlijk deels ingegeven door nostalgie: door zijn studie en door zijn intellectuele bestaan, bracht hij vrijwel zijn hele volwassen leven buiten Tursi voor. Hij was dan ook een dialectpurist -- ook dat deelt hij met veel andere dialectdichters -- die zijn vrienden soms midden in de nacht opbelde om te vragen naar een zuivere dialectuitdrukking.

Dit alles weet ik uit een inleiding uit een bloemlezing die een Italiaanse uitgever heeft uitgebracht van Pierro's werk in drie tallen: het Tursitaans, het Italiaans en het Nederlands. De uitgave heeft waarschijnlijk als eerste bedoeling om de Nederlandse lezer bekend te maken met het werk van Pierro, en in dat opzicht is het opvallend dat de inleidingen allemaal door Italianen geschreven zijn (en door Terribili en Van Daalen ook vertaald). Er is zelfs een stuk van Antonio Petrocelli, die als eerste de proza-vertaling heeft gemaakt naar het Italiaans die vervolgens als de basis voor de Nederlandse tekst heeft gediend, over de problemen die hij daarbij tegenkwam. Een dergelijk stuk over het Nederlands ontbreekt echter. Uiteindelijk lijkt De kus van het middaguur eerder een Italiaanse dan een Nederlandse uitgave; wie googelt komt ook vooral Italiaanse websites tegen.

Ik kan helaas niet zeggen dat de bloemlezing me veel dichter bij Pierro heeft gebracht. Neem het volgende begin van een gedicht:

E cché sùu ié, cché sùu,
cchi mirité stu chiante tue?
Nu ghiòmmere di ferre spinète
ch'è rumèse nd'u foche,
chiste sùu;

Wat ben ik toch voor een man
dat ik jouw verdriet verdiend heb?
Een kluwen prikkeldraad
achtergebleven in het vuur
dat ben ik;

Bij het geschreven Tursitaans kan ik me weinig voorstellen, maar je krijgt het gevoel dat een belangrijke kracht van Pierro de klank van zijn taal is. Ik voel die kracht niet in het Nederlands. In zijn inleiding legt Petrocelli uit dat hij in zijn prozavertaling het woord ghiommere 'kluwen' heeft weergegeven als grivoglio (prikkeldraad) omdat dit woord met zijn g's en r'en beter de klankstructuur weergeeft van het origineel. Daar hadden de Nederlandse vertalers ook voor kunnen kiezen: kluwen klinkt zachter dan prikkeldraad, en misschien in deze context inderdaad wel te slap.

George Orwell. In Defence of English Cooking. London: Penguin, 2005.

George Orwell. In Defence of English Cooking Hoe kan het dat mensen - en vooral intellectuelen - de eenvoudige werkelijkheid niet zien hoe duidelijk die niet is? Hoe kan het bijvoorbeeld dat Europese communisten in de jaren veertig niet inzagen dat Rusland alleen nooit van Nazi-Duitsland had kunnen winnen? Dat is een vraag die George Orwell, van wie in dit boekje enkele essays verzameld zijn, zijn levenlang lijkt te hebben beziggehouden.

Orwell wordt algemeen beschouwd als een belangrijke Engelsalige essayist, maar een van zijn grootste bewonderaars is waarschijnlijk Noam Chomsky, zelf een niet onbelangrijk politiek denker. Hij heeft de term Orwell's Paradox bedacht voor die onverklaarbare onwetendheid van mensen die beter zouden moeten weten. Tegelijkertijd vallen me, als ik Orwell's essays met Chomsky's ogen lees, toch ook wel op dat de twee denkers het op een aantal punten grondig oneens moeten zijn. Zo is Orwell in deze essays voor alles een individualist, iemand die het 't allerbelangrijkst vindt dat de mens voor zichzelf denkt, zijn eigen mening vormt en zich daarbij zo weinig mogelijk aantrekt van anderen. Chomsky trekt zich in de praktijk ook bijzonder weinig aan van wat anderen vinden, maar lijkt toch ook af en toe wat ideologischer. Volgens Orwell bestaat er bijvoorbeeld een vorm van nationalisme die zich tegen het eigen land keert, en vooral kritiek op het eigen land en het eigen systeem keert. Daar is Chomsky vaak van beschuldigd -- en hoewel daar meer over te zeggen valt, krijgt de lezer van Chomsky inderdaad soms het gevoel dat de Amerikaan er bijzonder genoegen in lijkt te scheppen het feilen van Amerika aan te wijzen.

Maar uiteindelijk zijn allebei de denkers vooral graag dwars. Orwell is daarbij af en toe wat frivoler en haalt dan zijn gelijk in een verdediging van de Engelse keuken, waarvan hij overtuigend aantoont dat die helemaal niet zo slecht is, zolang je hem niet in de duurdere restaurants zoekt, maar bij de Engelsen thuis.