16.11.09

Samuel Beckett. The unnamable. New York: Grove Press, 1980 (1958)

Samuel Beckett. Molloy. Malone Dies. The Unnamable

Vertaling: Samuel Beckett

Dat je bijvoorbeeld een roman gaat schrijven over een stem, iemand die onbeweeglijk stil zit en vanaf zekere hoogte alleen maar recht naar voren kijkt en zelfs zijn handen niet beweegt terwijl hij schrijft. Die alleen bepaalde schimmen ziet, en die aan de ene kant wel en aan de andere kant ook weer niet wil vertellen. Die denkt aan personages in eerdere romans van dezelfde auteur, zoals Molloy en Malone Dies. Zodat het boek daarmee een trilogie vormt, die gemakkelijk met de Hel van Dante kan worden vergeleken: alles wordt steeds bewegingslozer in de romans van Beckett, zoals alles ook volkomen stilstaat in het binnenste van de Hel.

Waarom? Je leert iets van het aandachtig lezen van zo'n roman, je leert waartoe een schrijver komt als hij zich volkomen insnoert, hoe een roman verwordt als er geen sprake is van enige actie, maar ook niet van enige overpeinzing.

Dat mag allemaal zijn, maar ik werd er wanhopig van. De eerdere boeken, die waren nog bij vlagen grappig, daar zaten nog personen in, maar de onnoembare is niet alleen onnoembaar, maar heeft ook eigenlijk geen karakter. Hij verkeert in een permanente schemer en is eigenlijk alleen bezig met zijn eigen stem.

Je leert er van alles van, dat is waar. Ik heb bijvoorbeeld geleerd dat ik niet zo geïnteresseerd ben in de vorm dat ik bereid ben een heel boek te lezen dat zich afgeeft met een vormexperiment. Zoals ik waarschijnlijk niet snel het beroemde boek L'Attentat van Perec zal lezen (een boek waarin de letter e niet wordt gebruikt), zo heb ik ook De onnoembare niet kunnen uitlezen. Op een bepaald moment begon ik essays op websites over het boek te lezen, en ze overtuigden me niet. Beckett schijnt humor te hebben en iets te zeggen over de menselijke conditie. Ik geloof dat oprecht, maar ik kan het in dit boek niet vinden.

15.11.09

Onno Blom en Ilja Leonard Pfeijffer. Oude en nieuwe Leidsche. Amsterdam: De Arbeiderspers, 2009.

Onno Blom en Ilja Leonard Pfeijffer. Oude en nieuwe Leidsche Een boek met verhalen over Groningen of Arnhem zou ik nooit hebben gelezen, maar in Leiden woon ik toevallig, dus deze 'kloeke bundel' (flaptekst) heb ik meteen gekocht toen ik hem bij de Ako op het Leidse station zag liggen.

De inleiding is raar. Oude en nieuwe Leidsche begint zo:

Leiden is beter dan Amsterdam. Je hoeft niet eens zo heel veel verstand te hebben van belangrijke dingen om dat in te zien.

Eerste zin van de tweede, eerste zin van de derde en eerste zin van de vierde alinea:

Maar waarom moeten we het eigenlijk hebben over Amsterdam? ...
Er zijn sowieso te veel schrijvers en zeker in Amsterdam. ...
Amterdam is tot op het bot provinciaal. ...

Is Leiden daarmee goed neergezet, de zoveelste stad waar men als beste kwaliteit kan aanvoeren dat men Amsterdam niet is? Dat blijkt eigenlijk niet uit de verhalen, waarin de hoofdstad verder nauwelijks voorkomt. (De enige uitzondering is een verhaal van Karel van het Reve waarin hij de roerige opstand van Amsterdamse studenten in de jaren zestig vergelijkt met de gezapige bezetting van een achterafzaaltje in het Leidse Academiegebouw.)

Er blijken maar weinig verhalen te zijn van mensen die in Leiden geboren en getogen zijn. Een prominent genre is natuurlijk het studentenverhaal, van Klikspaan tot Boudewijn Büch, over de dekselse antiburgerlijke student. Dat vond ik niet de leukste verhalen, zoals ik ook de verhalen die vooral gaan over de Breestraat en de Doelenstraat en de Hogewoerd en de Haarlemmerstraat en wat je nog meer kunt bedenken aan couleur locale niet het allerleukst vond (een 'verhaal' is een ingezonden brief van Huizinga uit 1923 waarin hij betoogt dat de Lange Mare niet gedempt moet worden). Het mooist vond ik de verhalen die zich min of meer toevallig in Leiden afspeelden, zoals het verhaal van A.F.Th. van der Heijden die vanuit Wassenaar in een dronken bui besluit naar een restaurant in Leiden te gaan en daar in een handgemeen verzeild geraakt. Dat verhaal had zich ook in Groningen kunnen afspelen, of in Arnhem, al had ik het in dat geval niet gelezen.

Philip Roth. The Humbling. London: Jonathan Cape, 2009.

Philip Roth. The Humbling Simon Axler is een acteur die niet eens meer kan doen alsof hij een acteur is. Hij begint een verhouding met een veertigjarige dochter van jeugdvrienden, Pegeen, die tot die tijd alleen lesbische verhoudingen heeft gehad, waaronder een met iemand die zich ineens tot man wilde laten ombouwen en een met iemand die haar sindsdien is gaan stalken. Uiteindelijk verlaat Pegeen Simon ook, die daarop besluit om zich door de mond te schieten.

Over The Humbling blijken de recensenten het niet eens. NRC Handelsblad publiceerde zelfs maar liefst drie verschillende opinies in de boekenbijlage. Er zijn mensen die vinden dat Roth hiermee laat zien dat hij het ook niet meer kan, en als ik het verhaal samenvat, zie ik des te duidelijker hoe drakerig het in elkaar zit.

Toch heb ik heel sterk het gevoel dat in dit debat een partij volkomen ongelijk heeft: degenen die zeggen dat The humbling een staaltje slappe porno is in een literaire vermomming. Porno is het al helemaal niet — er komen als ik het goed tel twee bedscènes in voor, en de titel van het boek lijkt gekozen te zijn om die twee te beschrijven. Axler beleeft misschien op het eerste gezicht een oudemannenfantasie door het aan te leggen met een jongere vrouw, maar hij komt daar enorm vernederd uit.

Aan de andere kant is The humbling nu ook weer niet het ultieme meesterwerk waar Philip Roth zijn hele carrière naar toe heeft gewerkt. Zijn vorige boek, Indignation, wekte bij mij in ieder geval veel heftiger het gevoel van verontwaardiging op dan dit boek dat van vernedering. Dat komt denk ik vooral doordat The humbling zo opzichtig een Shakespeareaans spel is met (sekse-)identiteit: bijna iedereen in dit boekje ondergaat op een of ander niveau een transformatie van man naar vrouw of omgekeerd: door een echte operatie te ondergaan, door zich als man een pistool in de mond te duwen, door zich als vrouw een voorbinddildo om te binden. Dat is mooi, maar maakt het verhaal ook wat afstandelijker. Zoals ook het theatrale van Axlers gedrag het moeilijk maakt het boek te geloven. Axler is een acteur van wie de lezer niet eens meer kan geloven dat hij een mens is.

11.11.09

Marcel Barnard en Gerda van de Haar (red.) De Bijbel cultureel. De Bijbel in de kunsten van de twintigste eeuw. Zoetermeer: Meinema en Kapellen: Pelckmans, 2009.

Marcel Barnard en Gerda van de Haar (red.) De Bijbel cultureel Zes kunstvormen worden er besproken in De Bijbel cultureel: beeldende kunst, film, theater, klassieke muziek, popmuziek en literatuur. Het boek is echter georganiseerd volgens 67 trefwoorden die min of meer gerangschikt zijn in de volgorde waarin ze in de bijbel voorkomen: van schepping en paradijs via Mozes, Job, de psalmen, Maria, de bergrede naar het hemelse Jeruzalem.

Bij ieder trefwoord wordt er enkele kunstwerken beschreven, waarvan een wat uitgebreider, en verder is er een essay over (minstens) een van de kunstvormen. Trefwoord 22 is bijvoorbeeld Psalm 130 en daarbij wordt gewag gemaakt van het album Otis Blue van Otis Redding, van het schilderij De Profundis van Georges Rouault, van het koorwerk Psaume 130 van Lili Boulanger, het kamerstuk Leben ohne Weihnacht van Gija Kantsjeli en het gedicht 'Naar psalm 130' ('Waar ik u aanroep is diepte') van Lloyd Haft, tot enkele jaren geleden verbonden aan deze universiteit. Het essay gaat over de talloze componisten die in de twintigste eeuw De Profundis op muziek zetten, te beginnen met Arnold Schönberg.

Op de een of andere manier zetten dit soort overzichtswerken altijd aan tot zeuren, zo van, ik begrijp niet waarom er zo nodig popmuziek in moet en waarom wordt Llyod Haft wel genoemd en Gerard Reve niet ('In de stilte van de nacht. Uit de diepten. Nadat hij 9 dagen aan één stuk gedronken had, maar je kon niets aan hem zien'), of waarom wordt van de brilante Griekse romanschrijver Nikos Kazantzakis wel Christus wordt weer gekruisigd besproken, maar De Laatste Verleiding overgeslagen, terwijl dan weer wel Scorceses verfilming wordt besproken. Dat is natuurlijk onredelijk. Het is vooral prachtig om al die verschillende kunstvormen naast elkaar te zien, en te zien hoe ze zich aan elkaar spiegelen en hoe ze met elkaar in verband hebben gestaan.

Er staan ook allerlei verrassingen in het boek. Bij Klaagliederen van Jeremia wordt bijvoorbeeld het gelijknamige toneelstuk genoemd dat Gerardjan Rijnders in 1994 bij Toneelgroep Amsterdam uitbracht. Dat heb ik indertijd gezien! Ik kan niet beweren dat ik er iedere dag aan terugdenk, maar dat stuk, waarin niet veel meer gebeurde dan dat de acteurs de lange jammerklachten uit het bijbelboek uitspraken is me wel bijgebleven. Wat fijn dat dit nu in een boek beschreven wordt. Hoe documenteren die theaterwetenschappers zich eigenlijk?

Veel verband tussen alle verschillende beschrijvingen van en beschouwingen over kunstwerken is er niet, maar dat draagt juist bij aan een gevoel van rijkdom en overdaad. Wat is die bijbel toch een onvolspelbare bron geweest van veel moois! (En ook nog van popmuziek!) Ook de inviduele bijdragen hebben soms dat karakter van een hoorn des overvloeds. Dat geldt zeker voor die van Goedegebuure, die bijvoorbeeld bij het onderwerp Olijvenhof komt met een prachtige kleine beschouwing over Nederlandse schrijvers als Multatuli, Willem Kloos en Lucebert die zich op de een of andere manier met de lijdende Christus vereenzelvigden. Goedegebuures essay over Jona is helemaal een tour de force. Hij begint met de beroemde preek over dat bijbelboek in het boek Moby Dick en komt vandaaruit bij Maarten Biesheuvel die ooit een verhaal heeft geschreven dat een reactie is op dat boek (Moby God).

Bij dat alles kun je je wel afvragen wat al die beelden, films, composities en boeken nu precies met elkaar te maken hebben, en in hoeverre de bijbel nu werkelijk een unieke inspiratiebron is geweest. Een van de muziekessays gaat zelfs over de vraag hoe het komt dat de Bijbel nauwelijks een inspiratiebron is geweest voor modernistische auteurs — alsof dat op zich iets bijzonders is. Daar klinkt dan even een soortgelijk onbegrip voor de moderne mens die eenvoudigweg niet bezig is met de christelijke traditie als in Science and Religion in Context.

Goedegebuure zegt daar interessante dingen over in zijn inleiding op het hele boek. Hij wijst erop dat heel veel twintigste-eeuwse literatuur de vorm aannam van een parodie: de beroemdste roman van die eeuw (Ulysses) is te lezen als een parodie op de Odyssee en zo wordt de bijbel niet zozeer ernstig geparafraseerd alswel vooral geparodieerd. In het hoofdstuk over het laatste avondmaal vinden we daarvan een goed voorbeeld uit een andere kunstvorm. De luie agnost Andy Warhol maakte een expositie maakte met reproducties van Leonardo's schilderij over dit onderwerp. Op de vraag waarom hij dat zo had gedaan, antwoordde Warhol: "It's a good picture. It's something you see all the time. You don't think about it."

Willem B. Drees. Religion and Science in Context. A Guide to the Debates. London and New York: Routledge, 2010.

Willem B. Drees. Herztier "God maakte de twee grote lichten," zegt de bijbel, "het grootste om over de dag te heersen, het kleinere om over de nacht te heersen, en ook de sterren." De Leidse sterrenkundige Vincent Icke beweerde in Mare dan weer iets heel anders: "Vroeger dachten mensen dat de zon bijzonder was," sprak hij, "maar dat is niet zo; er zijn miljarden sterrenstelsels met elk miljarden sterren, en daar zitten er een hoop bij die op onze zon lijken."

Hoe nu? Wie heeft er gelijk — de bijbel, de professor, allebei of geen van beiden? Wie over dat soort kwesties nadenkt, moet het recente boek Religion and Science in Context lezen, dat geschreven is door Willem B. Drees, hoogleraar godsdienstfilosofie en ethiek en tegelijkertijd vicedecaan aan onze faculteit. Drees, die ooit een doctoraal in de natuurkunde deed, heeft veel nagedacht over de complexe relatie tussen de twee gebieden van het leven en doet in dit korte, heldere boekje verslag van dat denken.

A Guide to the Debates is de ondertitel van het boek dat allerlei aspecten van de ingewikkelde relatie laat zien: het wantrouwen van sommige gelovigen tegen de wetenschap, het wantrouwen van sommige wetenschappers tegen het geloof; het misbruik dat bepaalde gelovigen maken van vaak verkeerd begrepen wetenschap; de gezamelijke strijd van geloof en wetenschap tegen 'bijgeloof'.

Een nuttig onderscheid vond ik dat tussen doctrine, mythe en ritueel. Waarschijnlijk is dat eerstejaarsstof bij godsdienstwetenschap, maar ik had er nog nooit bij stilgestaan dat dit de drie aspecten zijn waarmee godsdiensten het leven van de gelovigen kunnen veraangenamen. Ik vat het in mijn eigen woorden samen. De doctrine geeft een kosmologie, een alomvattend verhaal over hoe de wereld in elkaar zit en waarom. De mythe geeft het esthetische genot van het mooie verhaal. Het ritueel geeft het houvast en de structuur aan het dagelijks leven.

Het ligt voor de hand dat de godsdienst het meest in conflict is met de natuurwetenschap op het gebied van de kosmologie. Je kunt best overdag in het laboratorium staan en 's avonds in de Ramayana lezen of een koosjer broodje pekelvlees eten. Maar wat de bijbel en Vincent Icke over de zon beweren kan in ieder geval niet op dezelfde manier waar zijn.

Religion and Science in Context is geschreven vanuit een christelijk standpunt. Er wordt weliswaar een paar keer gerefereerd aan islamitische of boedhistische visies of problemen, maar overwegend gaat het toch over een christelijke manier van kijken. Ongelovigen komen er nog iets bekaaider vanaf. Enigszins storend in dit verband vind ik het onderscheid dat Drees maakt tussen 'lui agnosticisme' ('not seeking to explore and understand as much as possible') en 'serieus agnosticisme' ('opting for epistemic modesty'). Ik weet niet of het nodig is om mensen die zich niet per se bezighouden met bepaalde vragen meteen 'lui' te noemen. Opvallend is vooral dat er geen gewag wordt gemaakt van 'luie gelovigen', terwijl je je daar toch ook iets bij zou kunnen voorstellen – mensen die voor het gemak maar aannemen wat hen door meneer pastoor wordt verteld, 'not seeking to explore and understand as much as possible'. Ik heb het gevoel dat in zulke passages de auteur voor heel even zijn neutraliteit verliest.