24.1.10

Multatuli. Duizend en eenige hoofdstukken over specialiteiten. Gutenberg Project, 2004 (1871). http://www.gutenberg.org/etext/10664

Multatuli. Duizend en eenige hoofdstukken over specialiteiten.

Multatuli, zonder veel competitie de belangrijkste Nederlandstalige schrijver van de negentiende eeuw, kon enorm zeuren. Sommige gedeelten vooral aan het begin van de Specialiteiten zijn behoorlijk langdradig, als hij maar eindeloos blijft herhalen dat echte specialisten, mensen die echt iets weten van binnen en van buiten, natuurlijk nooit in de Tweede Kamer willen, en de mensen die dat wel willen daarmee dus eigenlijk al een brevet van onvermogen geven, en we ook eigenlijk helemaal geen specialisten willen hebben in de Kamer, en ga zo maar door.

Af en toe maakt hij uitstapjes om over allerlei mensen die niet in de Kamer zitten te foeteren, zoals bijvoorbeeld over de taalgeleerden De Vries en Te Winkel die indertijd enkele spellingvereenvoudigingen voorstelden (om bijvoorbeeld geen zoo meer te schrijven, of om schildwacht voortaan als een vrouwelijk woord voor te stellen. Niet dat Multatuli het met die spellingwijzigingen oneens was, maar hij verweet die brave De Vries en Te Winkel als ik het goed begrijp dat ze hun voorstellen zo omzichtig en voorzichtig deden.

Maar gaandeweg komt Multatuli op dreef en verlaat hij de prietpraat om een steeds vlammender en romantischer betoog op te zetten tegen de prietpraat; een wereldbeeld waarin je je niet angstig moet verschuilen achter het kleine vakje van de maatschappij waar jij je zogenaamd op hebt toegelegd en waar niemand je echt kan bekritiseren omdat niemand er zoveel van afweet als jij, maar waarin 'de roeping van de mens [is] mens te zijn', een volledig, naar alle kanten ontwikkeld, volwassen mens, die ergens durft te staan en ook de specialisten durft te beoordelen, in ieder geval waar het gaat om zaken van algemeen belang.

Die moed om een volwaardig mens te durven zijn, was natuurlijk een van Multatuli's grote thema's -- de moed om niemand te volgen, maar op jezelf te durven staan (waarbij het dan weer wel nodig was om Multatuli zelf goed te volgen en te bestuderen, want het wemelt van de verwijzingen naar eigen werk, die je eigenlijk allemaal zou moeten opzoeken).

Onwillekeurig vroeg ik me af in hoeverre Multatuli's onvrede over de Nederlandse samenleving iets kan zeggen over het moderne ongenoegen van veel meer mensen over de samenleving. Er zijn wel overeenkomsten. Ook nu wordt er wel veel gemopperd over de 'elite' die de dienst uitmaakt op basis van een masterdiploma, het moderne brevet van specialiteitendom. En jezelf durven staan staat ook al hoog in het vaandel. Helaas ontbreken er dan wel bij al die mopperaars en zelfverwerkelekers (en ook bij mij en iedereen) twee dingen die Multatuli wel had. Allereerst de originaliteit om dan ook werkelijk een persoon te zijn met oorspronkelijke eigen meningen, hoe irritant die soms ook zijn. En in de tweede plaats een steeds weer verbazingwekkende schrijfstijl.

21.1.10

Paul Celan. Verzamelde gedichten. Amsterdam: Meulenhoff, 2003.

Paul Celan. Verzamelde gedichten.

Met een vertaling van Ton Naaijkens.

Dit is het verslag van een mislukking. Paul Celan is een groot dichter die ook in Nederlandgerespecteerde liefhebbers heeft, en door een van hen, de hoogleraar Duits en vertaalwetenschap Ton Naaijkens, in het Nederlands is vertaald. Celans verhaal - dat van een Duitstalige Roemeense Jood die na de oorlog het Duits opnieuw moest uitvinden om een glimp de verschrikkingen op te kunnen schrijven - is indrukwekkend, en zijn Verzamelde gedichten zijn in het Nederlands ongehoord prachtig opgeschreven.

Maar het boek ziet er ook uit als een brok geblakerd beton, en het is me niet gelukt om er doorheen te breken. Ik begrijp niet wat ik als lezer verondersteld wordt te doen met een gedicht als:

Das umhergestossene
Immer-Licht, lehmgelb,
hinter
Planetenhäupten

Erfundene
Blicke, Seh-
narben,
ins Raumschiff gekerbt,
betteln im Erden-
münder.

(Het alle kanten op gestoten
steeds licht, leemgeel,
achter
planetenhoofden.

Bedachte
blikken, kijk-
krassen, diep
in het ruimteschip gekerfd,
bedelen om aard-
monden.)

De Todesfuge is Celans bekendste gedicht, ik heb het leren kennen tijdens de lessen Duits op de middelbare school, en dat heb ik altijd prachtig gevonden. Maar dat gebruikt dan ook poëtische middelen die ik begrijp zonder dat ik precies weet wat de inhoud is, zoals ritme en sterke beelden. Van zulke gedichten heeft Celan er nog wel een paar geschreven, zoals in de enorm indrukwekkende Die Niemandsrose, waarin trouwens ook gedichten zijn die niet zozeer klankrijk zijn alswel begrijpelijk:

Psalm

Niemand knetet uns wieder aus Erde und Lehm
niemand bespricht unsern Staub.
Niemand.

Gelobt seist du, Niemand.
Dir zulieb wollen
wir blühn.
Dir
entgegen.

Ein Nichts
waren wir, sind wir, werden
wir bleiben, blühend:
die Nichts-, die Niemandsrose.

[...]

Maar in veel andere gedichten is de taal zo verbrokkeld, dat ik me geen raad weet. Dat ligt natuurlijk niet aan de dichter, die het trouwens niet raakt wat ik vind, dat ligt aan mij. Zelfs als Celan in een lezing uitlegt waar het om te doen is, snap ik hem niet:

Meine Damen und Herren, es ist heute gang und gäbe, der Dichting ihre 'Dunkelheit' vorzuwerfen. - Erlauben Sie mir, an dieser Stelle unvermittelt - aber hat sich hier nicht jäh etwas aufgetan? -, erlauben Sie mir, hier ein Wort vond Pascal zu zitieren, ein Wort, das ich vor einiger Zeit be Leo Schestow gelesen habe: 'Ne nous reprochez pas le manque de clarté puisque nous en faisons profession!' - Das ist, glaube ich, wenn nicht die kongenitale, so doch wohl die Dichtung um einer Begegnung willen aus einer - vielleicht selbstentworfenenn - Ferne oder Fremde zugeordnete Dunkelheit.

Paul Celan had een zwartgeblakerde geest, waarom zou hij zich helder moeten uitdrukken? Wat hij wilde zeggen kon waarschijnlijk niet eens helder uitgedrukt worden. Ik heb zijn pogingen gelezen, maar ik weet nu niet wat ik met deze grote sintel moet. Dit is het verslag van een mislukking, een mislukking die ik niet had willen missen.

18.1.10

Frans Kafka. Brief an den Vater. DigBib.org, ? (1952).

Frans Kafka. Brief an den Vater. Volgens de Duitse Wikipedia-pagina over dit boek, is Kafkas Brief an den Vater 'ein bevorzugter Text für psychoanalytische und biographische Studien über Kafka'. Dat nu lijkt me onzin. Althans, ik geloof wel dat het er mensen zijn die uit deze tekst allerlei raadselen over Kafkas romans en verhalen willen ophelderen, maar die mensen hebben het dan volgens mij bij het verkeerde eind.

Op het eerste gezicht denk je: wat een huilebalk. Want zo stelt de jonge Kafka zich wel een beetje voor: de man van 36 die zich nog steeds niet aan het spookbeeld van zijn vader heeft ontworsteld, die geobsedeerd is door die vader, die een brief schrijft die hij die vader niet eens durft te laten zien, waarin hij zich ook nog eens de mantel laat uitvegen door die eigen vader, want hij zit maar te denken wat die vader eigenlijk zal zeggen, en vinden, en hoe waar dat is, maar ook hoe hard. Een zoon die zijn eigen spookvader maakt en daar dan bang voor is.

Maar dan besef je ineens dat dit wel degelijk iets te maken heeft met die romans en die verhalen. Ook over Het Proces vond ik, toen ik het een aantal jaar geleden las: ' als Jozef K. niet zou meedoen, zou niemand hem een strobreed in de weg leggen (...) Het is Jozefs eigen schuldgevoel dat hem uiteindelijk in het mes van de 'rechtbank' laat lopen.'

Toch lijkt het me onzin om Het Proces te verklaren uit deze Brief. Dat suggereert teveel dat de laatste waarder is dan de eerster, op de een of andere manier meer zegt over de echte Kafka dan de eerste. Terwijl deze brief ook eigenlijk vooral verzonnen is: die vader, die is bijna net zo'n bedacht personage als de rechters in Het Proces
— Kafka voert hem immers zelfs sprekend op, met woorden die hij nooit gezegd kan hebben, omdat ze immers een reactie zijn op een brief die de echte vader nooit ontving. Dit is een ontroerend ego-document, jazeker, maar toch vooral omdat Kafka iemand was die kennelijk altijd en overal zijn eigen rechtbank ontwierp die hem dan vervolgens ter dood veroordeelde. Wat een man.

Tim Westover. Marvirinstrato. Lawrenceville: Literaturo.net, 2009.

Tim Westover. Marvirinstrato. Een van de problemen die altijd blijven knagen aan de sprookjeslezer: wat voor taal spraken die pratende konijnen en zeemeerminnen eigenlijk heel, heel lang geleden in een land hier ver vandaan? De jonge Amerikaanse schrijver Tim Westover heeft dat probleem nu opgelost. In zijn debuutbundel, die bestaat uit een verzameling sprookjesachtige korte verhalen, praat iedereen Esperanto met elkaar, en vindt dat heel gewoon. Ook de straatnamen zijn er geheel vanzelfsprekend in het Esperanto, zoals de straat waar de zeemeermin woont: de marvirinstrato (mar=zee, virin=vrouw, strato=straat).

Westover lost daarmee in één klap een ander probleem op: waar wonen er eigenlijk geloofwaardige personages die op een natuurlijke manier met elkaar in het Esperanto communiceren? Het wereldje van de Esperanto-sprekers is nogal beperkt, en om pakweg een stelletje Amerikanen de hele tijd in die taal te laten praten, dat klinkt op den duur nogal vertalerig.

Marvirinstrato is een heel jong, een heel vrolijk en speels boek. Aan goeie sprookjes valt het plezier van fantaseren af te lezen, de verrukking van een wereld waarin ineens alles mag en alles kan. Westover heeft dat plezier, in zijn verhalen over faraomeel waarmee de ware huisvrouw werkelijk alles kan (taarten bakken, je huid verzorgen, een huis verbouwen, en ga zo maar door). Aan het eind van ieder verhaal, in de laatste zin of in ieder geval de laatste alinea zit vaak een verrassende draai. Mooi vond ik het eerste verhaal over een visje dat met een man mee mag die vanuit de hete woestijn op weg is naar het hoge noorden. Daar hakt hij een berg ijs uit, die hij terugvervoert naar het zuiden. Onderweg smelt er steeds meer van het ijs weg, en als de man uiteindelijk terug is bij zijn opdrachtgever, de koning, heeft hij alleen nog een klontje over. Dat klontje draagt de koning vervolgens zo snel mogelijk naar een willekeurige stadsbewoner, want zo'n bijzonder genoegen als het proeven van ijs moet niet door de hoogwaardigheidsbekleder zelf gedragen worden. Als het visje dan aan zijn reisgenoot, de ijshakker, vraagt wat hij het liefst zou willen, zegt deze: ooit de man zijn die het ijs krijgt.

De schrijver biedt Marvirinstrato niet alleen aan via de gebruikelijke Esperanto-boekwinkels, maar ook via Amazon. Bovendien biedt hij het gratis als e-book aan op eigen website.

13.1.10

Michel de Montaigne. Les Essais. Livre I. Nantes: Guy de Pernon, 2009 (1595).

Michel de Montaigne. Les Essais. Livre I.

Vertaling: Guy de Pernon. Te downloaden op de website van de vertaler

Hoe doen die mensen dat toch die altijd alles al gelezen hebben? Die eigenlijk alleen maar bezig zijn de klassiekers te citeren alsof ze deze altijd al paraat hadden en deze nu te hooi en te gras te berde kunnen brengen?

Ik ben 42, en beslist geen veellezer, maar ik lees toch ook echt niet minder dan gemiddeld, en heb een heleboel klassiekers nog nooit echt gelezen. De essays van Montaigne bijvoorbeeld. Als ik die als zeg 23-jarige onder ogen had gekregen, dan had ik ze ongetwijfeld nu al een aantal keren gelezen, want ze zijn prachtig. Er staat een man voor je, een man van lang geleden (dat is een van de aantrekkelijke kanten, dat het een man van lang geleden is die je aanspreekt alsof hij bij jou om de hoek woont) die bijvoorbeeld vertelt dat rare luchtjes lang in zijn neus blijven hangen, omdat hij een snor heeft: als hij zijn handschoenen bij zijn neus houdt, blijft hij die geur de rest van de dag ruiken. Daardoor zit je in het hoofd, nee, in het lichaam van deze zestiende-eeuwse burgemeester van Bordeaux, en dat is een prettige ervaring.

Hij bereikte dat vooral doordat hij zich zo bewust was van de bijzonderheden van zijn eigen cultuur: een van de beroemdste essays, 'over de kannibalen' beschrijft hoe je dingen ook volkomen anders kunt zien, hoe gewone zaken ineens vreemd worden, als je ze bekijkt vanuit een geheel andere cultuur. Hoe iemand hem er ooit opmerkzaam opmaakte, hoe vreemd de Franse gewoonte is om je neus te snuiten in een zakdoek: voor geen enkele andere afscheiding van het menselijk lichaam geldt dat we hem opvangen in tekstiel en hem dan zorgvuldig bij ons steken.

Ik heb het eerste deel van de Essais gelezen in een hertaling in modern Frans die door een gepensioneerde Franse professor (Guy de Pernon) op het internet is gepubliceerd. Montaignes Frans is net iets te hooggegrepen, maar Pernon heeft er heel prettig leesbaar modern Frans van gemaakt:

Si on insiste pour me faire dire pourquoi je l'aimais, je sens que cela ne peut s'exprimer qu'en répondant: "Parce que c'était lui, parce que c'était moi."

Si le mal de tête nous venait avant l'ivresse, nous nous garderions de trop boire!

La gloire et le repos sont des choses qui ne peuvent loger sous le même toit.

Montaigne was trouwens zelf ook zo'n vreemde lezer die alles al gelezen leek te hebben. Hij haalt voortdurend Cicero en Horatius en Lucretius en Plutarchus aan, maar over een nieuwe leeservaring vertelt hij nooit iets. Hij vertelt wel dat zijn vader hem door een leraar in het Latijn liet opgroeien, zodat dit min of meer zijn moedertaal werd en de Metamorphoses van Ovidius zijn kinderboek. Zo'n lezer leek hij dus te zijn: iemand die het allemaal als kind al eens gelezen had, en nu alleen nog terugkeerde naar zijn geliefkoosde boeken. Dat is een mooi lezersleven, maar ik wil toch af en toe ook wel iets nieuws ontdekken: zoals de andere twee delen Essais.

10.1.10

Willem Frederik Hermans en Gerard Reve. Verscheur deze brief! Ik vertel veel te veel. Amsterdam: De Bezige Bij, 2009 (2008).

Willem Frederik Hermans en Gerard Reve. Verscheur deze brief! Ik vertel veel te veel W.F. Hermans maakte tijdens zijn leven bezwaar tegen schrijvers die dagboeken, brieven en andere ego-documenten publiceerden, omdat deze afleidden van het echte werk; en het echte werk, dat waren de romans. Gerard Reve daarentegen brak uiteindelijk door met de twee brievenboeken Op weg naar het einde en Nader tot U en publiceerde ook verder tijdens zijn leven een aantal brievenboeken met soms prachtige brieven.

Wie had er gelijk? Als ik Verscheur deze brief! leest, moet ik wel concluderen dat dit Hermans moet zijn geweest. Afgezien van de echte liefhebbers van Reve en Hermans, die álles over die twee auteurs willen weten, hebben de boeken weinig te bieden, vind ik.

De correspondentie bestond in de eerste plaats vooral in de jaren vijftig, was voor een deel zakelijk en bestond uit brieven die overduidelijk in één keer werden geschreven. Verder had Reve helaas besloten dat hij voortaan in het Engels wilde schrijven omdat hij zijn buik vol had van de Nederlandse 'litteratuur', wat zijn brieven stilistisch nogal vlak maakt, terwijl Hermans nu eenmaal niet zo'n brievenschrijver was.

Ook inhoudelijk is het werk weinig interessant. Over écht persoonlijke dingen schrijven de twee schrijvers elkaar nauwelijks — misschien omdat ze op dat punt zo verschillend waren. Hermans ging het uiteindelijk alleen om het schrijven en leidde daarbuiten zo op het oog een tamelijk kleurloos bestaan, terwijl Reve een excentriekeling was. In het begin schreven ze elkaar nog wel tamelijk uitgebreid en lovend over elkaars werk, maar zelfs daar krijg je het idee dat het ze vooral te doen was om steun bij elkaar, de twee enige echt getalenteerde schrijvers in een miezerig land tijdens een miezerig decennium.

Op een bepaald moment komt het tot een breuk, om redenen die niet helemaal duidelijk zijn. Psychologisch interessant is dat de breuk lijkt te gebeuren omdat Reve in het openbaar iets onaardigs over Hermans heeft gezegd. Maar het lijkt mij terecht dat Reve dan opmerkt dat Hermans zelf over sommige anderen (zoals de dode Ter Braak) nog veel naarder dingen teberde heeft gebracht. Wat je nog steeds ziet, gold dus ook voor Hermans: degene die het hardst om zich heen meppen zijn het kleinzerigst (Reves woord) als ze zelf een klapje krijgen.

Daarna blijft Reve het nog decennia proberen; ik denk dat hij dit deed omdat hij inmiddels brievenboeken was gaan uitgeven en het commerciële succes van een boek met W.F. Hermans in het verschiet lag.

De reden waarom ik door ben blijven lezen, is toch vooral één zin, uit een brief van Reve aan Hermans van juni 1949: 'Ik ben soms bang dat je ergens in Zuid-Frankrijk met wat opgedroogd bloed om neus en mond in een greppel ligt en het niet durft te vertellen.' Dat is zo'n onvergetelijke zin, dat je het hele boek blijft hopen op nog zoiets, of iets wat er op zijn minst in de buurt komt. Dat komt niet meer. De twee grote schrijvers hebben elkaar in correspondentie niet echt weten op te zwepen.

6.1.10

William Shakespeare. Richard III. London: BBC, 1983.

William Shakespeare. Richard III De hel, dat zijn de anderen schreef Jean-Paul Sartre in een van zijn toneelstukken (Huis Clos), en daarmee beweerde hij het omgekeerde van wat Shakespeare volgens mij met Richard III probeert te laten zien: de hel, dat is als er geen anderen meer zijn. Wanneer je zo door en door verdorven bent als Richard, wanneer je zo nooit aan wie dan ook laat zien wie je werkelijk bent, maar met iedereen een geniaal spelletje speelt — wanneer je de vrouw van iemand die je vermoord hebt verleidt, de man die zich voor je heeft ingezet negeert zodra je eenmaal gewonnen hebt, je eigen familie onder het mom van liefde laat vermoorden - dan ben je op het eind alleen met je eigen angsten.

Ik weet niet of er weleens een geleerde is geweest die heeft gezegd dat Richard III eigenlijk een pleidooi is voor de biecht. Hoe slecht ook de dingen zijn die je gedaan hebt, je moet biechten, vooral ook om in contact te blijven met de realiteit, met de anderen, om jezelf niet te verliezen in een voortgaande spiraal van steeds meer achterdocht en steeds meer geweld.

Richard III leeft in een wereld die hijzelf vormgegeven heeft, een wereld waarin iedereen elkaar haat en met minachting bejegent. Het toneelstuk is een lange rij van bittere klachten en woede-uitbarstingen, waarbij de enige zoete woorden komen van Richard zelf, die er overduidelijk niets van meent.

Op het eind komt het allemaal goed met Engeland, en dat is misschien een beetje jammer. Maar de man die zo alleen was, is dood.

1.1.10

A.L. Sötemann. De structuur van Max Havelaar. Bijdrage tot het onderzoek naar de interpretatie en evaluatie van de roman. Leiden: DBNL, 2008 (1966)

Multatuli. Max Havelaar De studie van de Nederlandse literatuur staat jammer genoeg niet op een heel hoog plan. In de Digitale Bibliotheek van de Nederlandse Letteren is het boek van A.L. Sötemann over de Max Havelaar opgenomen als een van de duizend 'basisteksten' die je als geletterde Nederlander gelezen moet hebben, net als de roman zelf. Het boek heeft me weinig plezier verschaft.

Ik wil niet flauw doen, maar Sötemanns boek is vooral zo structuurloos. Hij neemt een aantal op het eerste gezicht tamelijk willekeurige structuuraspecten van Max Havelaar en onderzoekt die door vooral heel veel voorbeelden te geven, die dan echter bijvoorbeeld weer niet worden gekarakteriseerd. Welke conclusies men vervolgens uit deze manier van handelen moet trekken, behalve dat inderdaad kundig is aangetoond dat het boek heel knap in elkaar zit, kom je eigenlijk niet te weten. Hoewel Sötemann zijn betoog net als Multatuli af en toe rijkelijk lardeert met buitenlandse citaten, in zijn geval komend uit andere literatuurwetenschappelijke literatuur, wordt mij in ieder geval niet heel erg duidelijk in hoeverre de literatuurwetenschap in zijn geheel nu opschiet met zo'n individuele analyse van een meesterwerk. Een kader ontbreekt en daarmee krijgt de hele analyse iets willekeurigs.

Uiteindelijk heb ik het boek vooral uitgelezen om nog iets langer te kunnen nadenken over Max Havelaar, dat ik vorige week las. Sötemann beschrijft vooral wat voor effect het boek op de lezer in 1860 moet hebben gehad, en hoewel ik daar wel wat van heb geleerd (dat makelaars in koffie in die tijd algemeen al als minderwaardig werden beschouwd bijvoorbeeld) is dat niet de vraag die mij het meest interesseert. Ik vind het leuker om na te denken waarom het boek nu nog steeds zo mooi is. Dat dit komt door de centrale boodschap (dat het nodig is om rechtvaardig te leven, dat Max Havelaar zo'n prachtkerel was), geloof ik niet. Het moet iets zijn in de veelgeprezen stijl, maar wat is dat? Ik kan de vinger er ook niet op leggen, maar in ieder geval zie je dat wat mij betreft een van de centrale thema's van het boek is (de vraag hoe je toch een verhaal moet vertellen), zelfs op het niveau van de individuele zin terug komen. De grapjes die gemaakt worden met Droogstoppel die af emn toe vermeldt dat zijn zoon Frits andere woorden gebruikt dan hij, en die zich verduidelijkt middels de frase 'meen ik':

Er wordt daar gesproken van een kind dat aan de borst van de moeder ligt - dit kan er dóór - maar: "dat ter-nauwer-nood aan den moederlyken schoot onttogen is" zie, dit vond ik niet goed--om daarover te spreken, meen ik - en myn vrouw ook niet.

Maar bij dat alles blijf je toch betrekkelijk machteloos staan tegenover het wonder dat zich voltrekt, het eigenaardige feit dat zelfs de uit hun band gerukte citaten uit de Max Havelaar in Sötemanns boek de dag opfleuren.