19.2.10

Barend ter Haar. Het Hemels Mandaat. De geschiedenis van het Chinese Keizerrijk. Amsterdam: Amsterdam University Press, 2009.

Barend ter Haar. Het Hemels Mandaat. De geschiedenis van het Chinese Keizerrijk.

Bij de vakgroep Chinees in Leiden hebben ze een traditie van inzichten van wetenschappelijk onderzoek op een gedegen manier voor een breder publiek te vertalen. Bekend waren de inspanningen van W.L. Idema, die eigenhandig een groot deel van de klassieke Chinese literatuur ontsloot. Ook de hoogleraar Chinese geschiedenis Barend ter Haar sluit zich aan bij deze traditie en schreef met Het Hemels Mandaat een wervelende geschiedenis van enkele duizenden jaren Chinees Keizerrijk.

Ter Haars stijl is een beetje droog maar ook heel duidelijk. In ruim vijfhonderd bladzijden stormt de lezer aan zijn hand door allerlei aspecten van de geschiedenis: de opeenvolging van dynastieën, de veldtochten, de steeds wisselende positie van de vrouw, de letterkunde, de beeldende kunst en nog veel meer..

Een van de verrassendste aspecten van Hemels Mandaat is de aandacht voor de eeuwigdurende mondialisering. Als leek ben je geneigd te veronderstellen dat intensieve international handels- en andere contacten iets van de laatste jaren zijn, en dat je de geschiedenis van een groot rijk als China best zelfstandig kunt beschouwen. Ter Haar laat zien dat dit onzin is, dat er eigenlijk altijd contacten bestaan hebben, al zijn die wel intensiever geworden.

Zo was er omstreeks de tiende eeuw al een joodse gemeenschap in Kaifeng die geld verdienden door de verkoop van 'harige kleden' aan het hof - dat waren waarschijnlijk Perzische tapijten. Tot ver in de achttiende eeuw wist deze gemeenschap vervolgens haar identiteit te bewaren en bijvoorbeeld een synagoge in stand te houden waar als concessie aan de omringende cultuur alleen twee leeuwen in Chinese stijl bij de poort werden gezet. Als de Italiaanse jezuïet Matteo Ricci in 1605 Beijing bezoekt, zoekt een van de joden hem op, omdat hij gehoord heeft dat er een geloofsgenoot in de stad is. En zo zijn er ook altijd her en der contacten geweest met christenen, met moslims en met aanhangers van allerlei andere geloven. Zoals ook al heel vroeg handel werd gedreven met Perzen, Turken, Arabieren en andere barbaren. Zelfs van de Indo-Europeanen zijn woorden geleend toen deze nog door de steppen trokken. Een ander interessant voorbeeld is dat gewassen uit het pas ontdekte Amerika al heel snel werden overgenomen, zodat de pinda bijvoorbeeld inmiddels een belangrijk onderdeel vormt van de traditionele Chinese keuken.

Een andere interessante kwestie die geregeld aan de orde komt, is de rol van geleerden en geleerdheid. Tijdens een belangrijk deel van de geschiedenis gold dat wie vooruit wilde komen in de Chinese wereld een ambtenarenexamen moest afleggen, waarbij onder andere de actieve beheersing van de oude schrijftaal getoetst werd.

Tegelijkertijd werden intellectuelen soms ook als een potentieel gevaar gezien, en bedacht men grootschalige projecten om hun aandacht af te leiden. De Qing-keizer Kangxi begit bijvoorbeeld een groot Karakterwoordenboek van Kangxi en zijn opvolger Qianlong de grote boekenverzameling Complete Boeken van de Vier Schatkamers der Literatuur. Bij de uitvoering van dat project leek overigens ook te horen dat auteurs van onwelgevallige werken werden vervolgd.

De elitaire opleiding voor ambtenaren had in sommige opzichten een gunstig effect voor de hele samenleving. Mensen die niet slaagden voor hun examens, kwamen daarna soms toch in beroepen terecht waarvoor een zekere mate van geletterdheid noodzakelijk was, zoals dat van koopman, herenboer, arts, leraar of schrijver.

Een iets langere versie staat hier.

6.2.10

Steven D. Levitt en Stephen J. Dubner. Superfreakonomics. London: HarperCollins, 2009.

Steven D. Levitt en Stephen J. Dubner. Superfreakonomics

Freakonomics van de econoom Steven Levitt en de schrijver Stephen Dubner was een aanstekelijk boek. Een journalist schreef over de originele onderzoeken van een briljante jonge econoom die van alles en nog wat aanpakt dat op het eerste gezich weinig met economie te maken lijkt te hebben, maar dat toch kan worden opgehelderd door de geavanceerde statistische technieken te gebruiken waar economen aan gewend zijn geraakt.

Superfreakonomics is het vervolg, en het ongewild zien hoe de pretenties van die jonge econoom niet waargemaakt zijn. Er wordt weer van alles aangepakt in dit boek: onderzoek van een socioloog naar hoeren in Chicago, negentiende-eeuws onderzoek waaruit bleek dat veel ziekenhuisdoden konden worden voorkomen als dokters hun handen wassen, en klimatologische onderzoek naar het broeikaseffect. Maar veel eigen onderzoek van Levitt zit er niet bij, en bovendien is veel van het wél beschreven onderzoek helemaal niet gedaan door economen.

Tamelijk verbazingwekkend is dat de schrijvers weigeren iets over de kredietcrisis te zeggen: dat is het gebied van de macroeconomen, en zij zijn slechts microeconomen. Dat lijkt mij, als leek, onzin. In de eerste plaats, als je wel met oplossingen voor de klimaatverandering durft te komen is het een beetje nuffig om over de macro-economie te zeggen dat dat je vak nu eenmaal niet is. Wie zich als econoom slim genoeg vindt om te begrijpen hoe de klimaatcrisis moet worden opgelost moet ook iets over de kredietcrisis durven zeggen. En in de tweede plaats vind ik het een beetje laf om naar collega's van de overkant te wijzen: die crisis was toch niet (alleen) een gevolg van verkeerd macro-economisch beleid maar ook van het verkeerd uitpakken van allerlei 'incentives', waar Levitt als micro-econoom zo dol op is?

En zelfs in de wel economische hoofdstukken begon me op te vallen hoe groot de crisis van de economische wetenschap moet zijn. Het is reuzeleuk om slim te zijn en datamining te doen en slimme statistiek toe te passen, maar het is nooit eens gebaseerd op een grotere theorie of een overkoepelend model. Een van Levitts helden, de Nobelprijswinnaar Gary Becker heeft “de economische benadering” gedefinieerd als “a method of analysis, not an assumption about particular motivations.” Het probleem daarbij is dat, in ieder geval in mijn visie op wetenschappelijke vooruitgang, eerdere resultaten soms wel degelijk zouden moeten leiden tot 'aannames' over 'bepaalde motivaties': je verwacht immers dat deze in lijn zijn met wat je eerder vindt. Zo bouw je langzaam maar zeker een theorie op die al je eerdere bevindingen samenvat.

Iedere keer opnieuw stap je opnieuw de zee van data in, zonder ooit rekening te houden met wat we eerder wisten. Niets kan weerlegd worden, want alles is op gegevens gebaseerd en stijgt uiteindelijk ook nauwelijks boven die gegevens uit. Waar Freakonomics een vrolijk boek was, stemt Superfreakonomics vooral treurig.

2.2.10

Joseph Conrad. Nostromo. A Tale of the Seaboard. Manybooks.net, 2009 (1904). http://manybooks.net/titles/conradjoetext00nstrm10.html

Joseph Conrad. Nostromo. A Tale of the Seaboard

Joseph Conrad was van het langzaam schrijven en het langzaam lezen. Nostromo is een groots, bewonderenswaardig epos over het politieke gewoel in de stad Sulaco in het imaginaire Latijns-Amerikaanse land Costaguana. Iedere zin van de tienduizenden die het boek telt is prachtig geconstrueerd, alle personen worden heel precies getekend. "A work that aspires, however humbly, to the condition of art should carry its justification in every line," heeft Conrad ooit geschreven, en dat die ambitie heeft hij met Nostromo eer aangedaan.

Het is moeilijk te beschrijven wat het verhaal is - de eerste paar honderd bladzijden is er nauwelijks sprake van een verhaal, maar wordt vooral de geschiedenis van Sulaco en het politieke systeem van Costaguana beschreven. Heel, heel langzaam wordt er ingezoomd op Nostromo, een man van Italiaanse afkomst, van wie duidelijk wordt gemaakt dat hij voor de machthebbers een uiterst betrouwbare kracht is en die uiteindelijk in een moment van grote verwarring vanwege een machtswisseling, de opdracht krijgt het zilver van een groot mijnbedrijf in veiligheid te brengen. Doordat het op zee wemelt van schepen van de tegenstander, lukt het hem alleen maar om dat zilver op een klein nabijliggend nagenoeg onbewoond eilandje te verbergen. Men denkt echter dat het zilver in het water is geraakt toen Nostromo's schip geraakt werd. Nostromo blijkt nu toch niet zo betrouwbaar; als hij het geld zelf probeert te confisceren wordt hij echter doodgeschoten.

Nostromo was geen boek voor mij. Alle kwaliteiten kan ik zien: hoe fraai het Engels is, hoe knap Conrad zijn maatschappij heeft geconstrueerd, enzovoort. Maar afgezien van een enkele passage - Nostromo en de politicus Delcoud alleen op zee, die ontdekken dat er nog een verrader zou kunnen zijn - greep het me nergens echt aan.

Misschien, bedacht ik, is het het totale gebrek aan humor. Ik geloof dat ik weinig boeken echt mooi vind waarin niet op zijn minst bepaalde passages of bepaalde personages grappig zijn. In Romeo and Juliet, dat ik onlangs las, wordt duidelijk de spot gedreven met Romeo die binnen vierentwintig zijn smoorverliefdheid laat overgaan van de een op de ander, en bovendien is er de kwebbelzieke oude bediende van Juliet. Door die humor, is mijn theorie, maak je contact met de schrijver, weet je even zeker dat je begrijpt wat hij bedoelt, en dan komt de eventuele klap ook harder aan. Door de staalharde ernst van iedere punt en komma in Nostromo gaat het in ieder geval langs deze lezer uiteindelijk heen. Het is mooi, en wijs, maar alles op een afstandelijke manier.

William Shakespeare. Romeo and Juliet. London: BBC, 1978 (1591).

William Shakespeare. Romeo and Juliet

Een paar maanden geleden was ik op bezoek in Verona, waar mijn gastvrouw me onder andere het balkon liet zien waarop Juliet zou hebben gestaan, om daarna uit te leggen dat men in Verona in Italië indertijd helemaal niet op dergelijke balkons stond, maar in plaats daarvan op een trapachtige constructie, die me vervolgens ook werd getoond.

Maar Shakespeare wist waarschijnlijk niets van Verona of op wat voor balkons men daar stond — het juiste balkon is er waarschijnlijk een waarop de Engelse Juliet zal hebben gestaan.

Wat betekent het dat Romeo and Juliet in Verona speelt, zoals ook hoofdpersonen uit Two Gentlemen from Verona and The Taming of the Shrew uit die stad komen? Ik neem aan dat er een bijzondere exotische aantrekkingskracht van die stad uitging. Maar welke? Ik kan er nergens iets over vinden. (Ja, het verhaal van R&J is gebaseerd op een Veronese geschiedenis, maar wat zegt dat?)

Romeo and Juliet is vooral mooi vanwege de retoriek. Alles wat er gebeurt, weet je als volwassen West-Europeaan uit je hoofd, maar de precieze woorden waarmee de hoofdpersonen zich uitdrukken, is steeds weer een verrassing. De merkwaardige liefde - die jongeren die zo plotseling zo verliefd worden en alle competitie vergeten - zou zich voor Shakespeare misschien alleen in Verona kunnen afspelen. Maar ze spreken een prachtig Engels.

1.2.10

Willem Frederik Hermans. Nooit meer slapen. Amsterdam: De Bezige Bij, 2008 (1966).

Willem Frederik Hermans. Nooit meer slapen.

Ik ken wel meer mensen die Nooit meer slapen aanbevelen aan beginnende promovendi. Alfred Issendorf, de held van deze moderne Aeneis, heeft zoveel tegenslag dat de moeilijkheden van de gemiddelde taalkundige promovendus welbeschouwd nog wel meevallen. Bovendien kun je je afvragen of veel van die problemen niet welbeschouwd aan Issendorf zelf te wijten zijn. Dat is iets waar je weinig over leest in de Nooit meer slapen-kundige literatuur, maar in het boek vraagt Issendorf zich wel degelijk af of hij niet meer lichamelijk had moeten trainen en de luchtkaarten van het gebied vantevoren thuis had moeten bestuderen, in plaats van op de bonnefooi naar het hoge noorden af te reizen.

Omdat R. het boek nu in vertaling aan het lezen was, heb ik eerst een aantal hoofdstukken Beyond Sleep gelezen, en ben daarna teruggegaan naar het Nederlandse origineel op mijn e-lezer. De Engelse versie blijkt overigens de toon van dat origineel heel goed te vatten, al viel me nu ook iets op dat je toch als een gebrek van Hermans' stijl kunt opvatten: de brokkeligheid, de korte zinnen die in onze literatuur wel voor 'leesbaar' doorgaan, maar die af en toe toch ook wel doen verlangen naar een passage die iets meer durft te meanderen. Merkwaardig is daarbij dat de hoofdpersonen, vooral de mannen die gezamelijk de expeditie ondernemen, zo welbespraakt zijn.

Het was minstens de derde keer dat ik Nooit meer slapen gelezen heb, en ik zal het blijven aanraden, aan promovendi, en aan buitenlanders die de Nederlandse literatuur willen leren kennen. Het is aan de ene kant zo helder als glas, en uiteindelijk ook mysterieus. De schrijver klinkt net zo cerebraal als zijn hoofdpersonen en cirkelt tegelijk om onbeantwoorde vragen heen zoals die over de plaats van de mens in het heelal. Het is niet voor niets dat Wittgenstein met instemming wordt geciteerd - zijn vorm van rationeel zijn over de mystiek is ook kenmerkend voor Nooit meer slapen.