29.12.10

Hella Haasse. Dat weet ik zelf niet. Jonge mensen in boek en verhaal. Amsterdam: CPNB, 1959.

Hella Haasse. Dat weet ik zelf niet. Jonge mensen in boek en verhaal De schrijfster van het boekenweekgeschenk van 1959 is nog altijd in leven: Hella Haasse heeft een fraai museum op het web en wordt allerwegen als de grande dame van de Nederlandse letteren beschouwd. Ook in eenenvijftig jaar geleden werden haar kwaliteiten al erkend, want dit was maar liefst het tweede boekenweekgeschenk dat ze schreef (na Oeroeg).

Dat weet ik zelf niet is een essay, of beter gezegd: het is een bundeling van een aantal lezingen die Haasse in 1959 had gehouden over de plaats van jonge mensen in de literatuur. Het is een uitgave die de CPNB zich nu op deze manier zeker niet meer zou veroorloven. De brede belezenheid die Haasse tentoonspreidt — moeiteloos worden allerlei hoogtepunten uit de Franse, Engelse, Nederlandse en Russische literatuur samengevat — zou nu helaas niet meer geschikt worden geacht voor het publiek van het boekenweekgeschenk. (Terzijde: voor zover ik kan zien is de enige verwijzing naar de Duitse literatuur een kort handwijfgebaar naar Tod in Venedig; die Leiden des jungen Werthers ontbreekt bijvoorbeeld geheel; misschien was de oorlog te vers, misschien kende Haasse gewoon geen Duitse literatuur). Bovendien heeft 'de commissie voor de collectieve propaganda van het Nederlandse boek' een voorwoordje geschreven, een nogal belegen voorwoordje, zo van: "Wij wensen U veel genoegen bij het lezen van deze bespiegelingen en het bekijken der reproducties die naar aanleiding van dit geschrift uit de veelheid van materiaal op dit gebied werden bijeengebracht".

Nu zou je nog kunnen zeggen: ach, wat een mooie tijd was dat toch. Maar Dat weet ik zelf niet viel me niet mee. Er wordt wel veel samengevat, maar er worden uiteindelijk weinig inzichten gegeven. Het blijft allemaal een beetje aan de oppervlakte: ooit zag men kinderen als kleine volwassenen, pas gaandeweg, en vooral vanwege de romantiek, zijn we ze een eigen plaats gaan geven. Waar het interessant zou kunnen worden — er zijn misschien parallellen aan te wijzen tussen Hamlet en De Avonden: in beide gaat het over een jongen die in machteloze afkeer jegens de eerdere generatie gevangen zit — zwaait Haasse heel snel weer af naar een ander onderwerp. De titel (die verwijst naar een Tartaars sprookje waarin een jongen dit zegt in antwoordt op de vraag hoe hij een mens moet worden) vind ik niet erg sterk, en de ondertitel al helemaal niet: Jonge mensen in boek en verhaal? Hoe zo boek én verhaal? Het gaat alleen maar over fictie, hoezo moest dat boek er dan eigenlijk in?

Je moet een schrijver beoordelen op haar beste werk. Ik heb geloof ik nog nooit een grote titel van Haasse gelezen. Dat moet ik toch eens doen, om te zien waaraan ze die titel van grande dame precies verdiend heeft.

28.12.10

Jean-Paul Sartre. Huis clos. Paris: Fremeaux, 2010 (1944).

Jean-Paul Sartre. Huis Clos Drie mensen zitten na een leven vol verraad in de hel. Wat blijkt? Er zijn geen vlammen en geen fysieke martelingen? Er zijn alleen die andere mensen, met wiens oordeel ze voor eeuwig zitten opgescheept.

Sartre was dit jaar dertig jaar dood en vierde tegelijk zijn honderdvijfde verjaardag. Ik geloof niet dat het uitbundig gevierd is, ik heb er in ieder geval weinig van gemerkt. Op de valreep heb ik me dan zelf nog maar even in een werk van de man verdiept - Met gesloten deuren, zijn toneelstuk uit 1944, in een soort hoorspelversie, met een voorwoordje van de schrijver zelf.

In dat voorwoord zegt Sartre dat zijn "l'enfer, c'est les autres" vaak verkeerd begrepen wordt. Hij bedoelde niet te zeggen dat alle relaties met anderen altijd de hel vormen, maar alleen verkeerde, ongelukkige relaties met anderen. We kunnen onszelf alleen zien door andermans ogen - in het toneelstuk gebeurt dat letterlijk doordat er geen spiegel is, en de mensen zichzelf alleen kunnen bekijken in de ogen van de ander.

Belangrijker dan dat alles is volgens mij iets anders dat Sartre over het toneelstuk zegt: een belangrijk verschil tussen de beschouwer van het stuk en de figuren op het toneel, is dat de laatste dood zijn en de eerste (hopelijk) niet. Wie dood is, kan niets meer veranderen. Voor hem geldt onherroepelijk: eenmaal een lafaard, voor altijd een lafaard. Maar dat geldt cruciaal nu juist niet voor degene die in de zaal zit, of naar zijn iPod luistert. Je hebt alles altijd zelf in de hand, je kunt altijd kiezen, en je kiest ook feitelijk altijd. Zelfs als je zogenaamd geen keuze hebt (een pistool staat op je slaap gericht, de kwade genius greinst je toe) kun je er toch nog voor kiezen je dan maar overhoop te laten schieten. Dat je dat niet doet, maakt je verantwoordelijk voor hoe de situatie is, maar maakt het ook altijd mogelijk die situatie te veranderen.

Sartre lijkt na dertig jaar steeds onherroepelijker te verdwijnen in de hel van andermans meningen: dat hij het communisme heeft goedgepraat, dat kan hij nooit meer goedpraten. Maar dat hij daarnaast enkele interessante ideeën naar voren heeft gebracht, daar moeten wij levenden dan nog maar op wijzen.

26.12.10

Rainer Maria Rilke. Das Stundenbuch. Gutenberg.org, 2008 (1903).

Rainer Maria Rilke. Das Stundenbuch Als ik minister van onderwijs was, zou ik het verplicht stellen dat scholieren werkstukken schrijven over dichters. Toen ik in de eindexamenklas zat, schreef ik er een over Baudelaire voor Frans, een over Martinus Nijhoff voor Nederlands en een over Rilke voor Duits. Met die dichters zal ik mijn hele leven verbonden blijven (net als met Horatius die ik rond die leeftijd ook adopteerde). Bij Engels mocht dat werkstuk niet, daar moest je allerlei soorten romans lezen om je woordenschat te vergroten; met de Engelse poëzie zal ik wel nooit een echte band opbouwen.

Helaas heb ik die werkstukken van toen niet meer. Nu ik na vijfentwintig jaar het Stundenbuch (Getijdenboek) lees ik overigens een dichter die ik nooit eerder ontmoet heb. Wat vond ik indertijd van de religieuze zoektocht, die ik nu prachtig vind? De zeventien-jarige die ik me herinner zou het ook mooi moeten hebben gevonden, de persoonlijke zoektocht met de christelijke God, de vrijpostige manier van hem aanspreken. De zeventienjarige die ik me herinner moet het volgende ongeveer even mooi gevonden hebben als ik nu:

Was wirst du tun, Gott, wenn ich sterbe?
Ich bin dein Krug (wenn ich zerscherbe?)
Ich bin dein Trank (wenn ich verderbe?)
Bin dein Gewand und dein Gewerbe
mit mir verlierst du deinen Sinn.

Nach mir has du kein Haus, darin
dich Worte, nah und warm, begrüssen.
Es fällt von deinen müden Füssen
die Samtsandale, die ich bin.
Dein grosser Mantel lässt dich los.
Dein Blick, den ich mit meiner Wange
warm, wie mit einem Pfühl empfange,
wird kommen, wird mich suchen, lange
-
und legt beim Sonnenuntergange
sich fremden Steinen in den Schoss.

Was wirst du tun, Gott? Ich bin bange.

De bespiegelingen in het laatste deel van de bundel, over de heilloze kanten van de moderne stad en over de teloorgang van de armen (de armen van onze tijd 'sind es nicht. Sie sind nur die Nicht-reichen' - een onvergetelijke zin, behalve dat ik hem inmiddels vergeten was) en de lofzang op Franciscus zouden me iets minder aangesproken kunnen hebben, maar als ik eerlijk ben was het hele Stundenbuch een grote verrassing.

Als ik het analyseer, vermoed ik dat voor mij indertijd Rilke vooral de dichter was van de Neue Gedichte, waarvan ik er nog steeds veel min of meer uit mijn hart ken. Het eerdere werk en het latere werk kan ik nu dus toch weer gaan ontdekken. Rilke is indertijd door dat werkstuk een dichter voor mijn leven geworden, hoeveel er toen ook was dat ik bij nader inzien niet heb opgepikt.

23.12.10

Beppe Severgnini. La pancia degli italiani. Berlusconi spiegato ai posteri. Roma: Editore Rizzoli, 2010.

Beppe Severgnini. La pancia degli italiani Berlusconi is nooit ver weg. Vanuit Nederland kunnen we met een zekere distantie naar het fenomeen kijken: hoe kan zo'n clown een heel land al sinds 1994 in zijn greep hebben? Waarom blijven Italianen steeds stemmen op iemand die zo duidelijk allerlei beloften niet nakomt.

De geweldige Italiaanse journalist Beppe Severgnini legt het uit in zijn nieuwe boek La pancia degli italiani - dat ik zou vertalen als 'De onderbuik van de Italianen', en dat speelt met de titel van een vorig boek van Severgnini dat La testa degli italiani heette. Severgnini zet om te beginnen uit dat er tien factoren die Berlusconi's succes sinds 1994 verklaren. Het gaat dan bijvoorbeeld over de 'goddelijke factor' (met o.a. het verbijsterende voorbeeld van hoe Berlusconi zich op een podium door twaalf afgevaardigden/discipelen laat omringen die vervolgens in koor een aanhankelijkheidsverklaring aan de baas voordragen), de factor 'Tina' (there is no alternative, de linkse oppositie heeft voor alle problemen slechts één oplossing: Berlusconi moet weg) en de factor 'Zellig' (als Berlusconi met een politieman praat wordt hij een politieman, praat hij met een Arabier, dan wordt hij een Arabier; naar de film Zellig van Woody Allen). Die factoren werkt hij vervolgens in ieder een hoofdstuk uit.

Je kunt dat hele boek met de distantie van pakweg vijftienhonderd kilometer lezen, maar volgens mij gaat het boek uiteindelijk heel Europa aan. Overal wordt de persoon van de leider steeds belangrijker, en zijn mensen geneigd om een geliefde persoon 'kleine' foutjes (corruptie, machtsmisbruik) te vergeven. En overal lijkt rechts de technieken beter in de vingers te hebben dan links.

Over technieken gesproken: een van de grote genoegens van La pancia is dat het een e-book is; het is het eerste boek dat ik gelezen heb op een iPad. Niet alleen hoort het boek daar helemaal thuis, het laat ook de toekomst zien van dit soort non-fictieboeken. Vrijwel ieder citaat van Berlusconi (tegen een groepje mannen die staan te werken bij een rampgebied: 'zijn hier geen vrouwen? zijn jullie soms homo's?') wordt gestaafd met een YouTube-filmpje, en verder zijn er overvloedig links naar oorspronkelijke documenten zoals de beginselverklaring van Forza Italia! De moderne geschiedenis bestuderen krijgt een geheel nieuwe dimensie, merk je zo ineens.

19.12.10

Kees van Kooten en Billy Collins. Zo wordt u gelukkig. Amsterdam: De Harmonie, 2010

Kees van Kooten en Billy Collins. Zo wordt u gelukkig "Ik had u willen verzoeken om 'Tipping Point' alleen in het origineel te lezen," schrijft Kees van Kooten in Zo wordt u gelukkig, "maar daar is het nu te laat voor." En inderdaad: als de lezer dat zinnetje leest, heeft hij niet zo lang geleden de bladzijde omgeslagen nadat hij 'Tipping Point' en 'Keerpunt' naast elkaar heeft zien staan en uitvoerig vergelijken.

In Zo wordt u gelukkig stelt Kees van Kooten zijn leeftijdgenoot, de Amerikaans dichter Billy Collins voor. Hij vertaalt zesentwintig gedichten en geeft elk van die gedichten een nabeschouwing mee.

Het boek is daarmee onder veel meer een ode geworden aan de taal. Van Kooten laat zien hoe moeilijk vertalen is, wat voor problemen de schijnbaar achteloze zinnetjes van Collins opleveren, en hoe zwaar het leven is van de woordspelige vertaler. Een van Collins' gedichten beschrijft hoe een hond over zijn baas denkt: als een God. Wat Collins' mogelijk niet gezien heeft, maar Van Kooten wel, is dat dog en God elkaars omgekeerde zijn. Bovendien denkt die hond aan de trui met een monogram van zijn baasje. Bijna had Van Kooten dat vertaald als een trui met een 'monogrom'; hij beseft gelukkig nog op tijd dat Collins zelf eigenlijk nooit een woordspeling maakt.

Soms wordt het, zoals vaker bij Van Kooten, wel een beetje erg koket getut, waar hij beschrijft hoe jaloers hij is op Collins die toch maar zulke mooie metaforen uit zijn mouw schudt, terwijl Van Kooten zelf daar nou nooit op zou komen. Maar alles bij elkaar slaagt dit boekje in zijn opzet: samen maken Van Kooten en Collins de lezer inderdaad intens gelukkig.

1.12.10

De Zoza's. Zo Zuidas. Overwerk & achterklap in de Amsterdamse kantoorjungle. Amsterdam: Pearson Education, 2010.

De Zoza's. Zo Zuidas. Ik heb teveel respect voor machthebbers. Ik kom al ruim tien jaar bijna iedere dag op de Zuidas, omdat ik op Amsterdam Zuid overstap van de trein op de fiets of de metro. Ik drink er soms een espresso en eet er soms bij Wagamama. Met andere woorden, ik zie die andere wereld, van de pakken en het overwerk en targets halen al die tijd van een afstandje. En ik heb er een soort respect voor: dat moeten slimme mensen zijn die daar werken, en ook nog niet bang om dag en nacht te werken.

Dit boek - dat ik in een bevlieging kocht in het boekwinkeltje op Amsterdam Zuid - nuanceert dat beeld. De Zuidas-denkers — of denksters, het boek is door een collectief geschreven, en ik krijg de indruk dat dit vooral uit vrouwen bestaat — graven niet zo diep. Van fascinatie voor het werk dat ze doen is in het geheel geen sprake, intelligentie of zelfs grote werklust worden niet overmatig gewaardeerd. De gemiddelde Zuidas-werker probeert volgens Zo Zuidas met zo min mogelijk moeite zoveel mogelijk geld en status binnen te slepen. Tijdschrijven? Dat gaat zo: "De tijdschrijfklokjes zijn handmatig aan te passen. Dat plaatst de tijdschrijver voor een dilemma. Bijvoorbeeld als je een memootje voor een klant moet schrijven, terwijl je dat vrijwel een-op-een kunt overnemen van een collega. (...) Die cliënt weet toch niet dat je collega onlangs al eenzelfde advies heeft gemaakt voor een andere zaak."

Het geheel maakt vooral een schoolse indruk, het is de opgewonden toon van leerlingen, zonder eigen verantwoordelijkheid, lekker keten, al moet je wel weten dat je ij die-en-die goed moet opletten. Over bazen wordt gepraat zoals vroeger over leraren op school, het zijn geen echte mensen maar karikaturen: "Mijn baas is een achtenvijftigjarige vakidioot. Hij is al-tijd op kantoor. Volgens mij gaat hij alleen naar huis om zijn tasje was weg te brengen en heeft hij een uitklapbedje achter zijn bureau." Niemand neemt echt verantwoordelijkheid, je doet misschien goed je best, maar dat alleen omdat dit moet van je baas. Universiteiten zijn al jarenlang steeds schoolser aan het worden; Zo Zuidas laat zien dat deze houding gaandeweg ook de volgende levensfase bepaalt.

Zo Zuidas geeft alles bij elkaar een boeiend beeld van een wereld waarin alles op zijn plaats staat en jij alleen je plaatsje hoeft te vinden. Je moet zorgen dat je een baan bemachtigt, maar dat is net zoiets als daten, en als je het handig aanpakt, zit je ook gebeiteld. Kritische reflectie op het soort werk dat je doet, ontbreekt geheel. Het woord crisis valt nergens. Dat is (een beetje) beangstigend: deze mensen nemen uiteindelijk wel allerlei beslisingen. Ik wist dat wel, dat de wereld in handen is van leeghoofden, maar toch kom ik moeilijk af van dat respect. Eens kijken of het me morgen lukt, als ik over het Zuidplein loop.