21.2.11

Vrouwkje Tuinman. Wat ik met de sleutel moet. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, 2010.

Vrouwkje Tuinman. Wat ik met de sleutel moet Ik begrijp eerlijk niet waarom de poëzie niet veel populairder is dan ze is; waarom er geen grote stapels van sommige bundels bij de kassa's van de Ako liggen, en soms zelfs van Albert Heijn; waarom dichters zelden de televisie halen en nooit de roddelrubrieken; waarom er niet veel en veel meer (en bijvoorbeeld ook veel meer belabberde) poëzie wordt uitgegeven.

Ik kan dat allemaal niet verklaren. Natuurlijk is er een heleboel dichtkunst die duister is en niet voor iedereen bedoeld - ik kan wel begrijpen dat de bundel Eerst van Esther Jansma, die ik vorige week las, misschien wat te subtiel is voor Paul de Leeuw. Maar er zijn ook moeilijke romans en dat staat toch de stapels romans bij Bruna niet in de weg.

Neem nu Vrouwkje Tuinman. Ik had nog nooit een bundel van haar gelezen, wel wat losse gedichten, en nu vond ik in de trein Wat ik met de sleutel moet, met her en der een ezelsoor bij een gedicht dat de vorige lezer kennelijk getroffen had.

Het is een bundel die iedereen kan lezen met een universeel thema: het overlijden van een vriend uit de vriendenkring van de dichteres. Het is zo'n vriendenkring waarin iedereen kennelijk elkaars sleutel heeft, in ieder geval voor noodgevallen. En zo'n noodgeval doet zich nu voor, want die goede vriend komt bij een ongeluk met zijn auto in de sloot terecht en overlijdt later in het ziekenhuis.

De bundel geeft een inkijkje in dat wereldje van moderne dertigers, best een prettig wereldje, zo te zien, lekker in Utrecht, met Franse kaas en vla, behalve dan dat mensen doodgaan:

Adressering

De postbode zegt dat ik een mooie naam heb voor iemand die in dit huis is komen wonen.
De mensen in de straat zijn ook al blij.
Ze prijzen mij om dingen die ik niet heb.
Geen honden in de achtertuin.
Geen politie die mijn deur losbreekt.
Ik sla niemand op zijn bek en maak geen harde seksgeluiden.
Al die dingen ben ik niet.
Wat er wel is meldt geen enkele statistiek.
Voor deze straat was nog 1 bewoner nodig en dat ben ik.

Esther Jansma's bundel maakte meer indruk op mij, maar van Wat ik met de sleutel moet zal ik op zijn minst die laatste regel onthouden.

20.2.11

William Shakespeare. The Merchant of Venice. Gutenberg, 2000 (1596/7).

William Shakespeare. The Merchant of Venice Nadat ik eerder deze week de recente Engelse roman The Finkler Question las, die onder andere over het antisemitisme gaat, besloot ik gisteren dan ook The Merchant of Venice te lezen. Ik heb hem ooit in de verfilming met Al Pacino gezien – als je nu 'merchant of venice' intikt bij Google Images, blijken de eerste tientallen plaatjes van die film genomen.

De manier waarop ik het stuk lees, is misschien beïnvloed door die film. De interpretatie ervan – Shylock wordt pyschologische, en tegen zijn eigen belang in, gedwongen tot zijn op het eerste gezicht extreem wettische gedrag door alle vernederingen die hem misschien al zijn leven lang zijn aangedaan – past ook bij een moderne visie op Shakespeare als een verfijnde duider van de menselijke ziel. Zelfs een veel ergere schurk als Richard III kan nog begrepen worden als iemand die door zijn outsiderschap gedwongen wordt tot zijn daden.

Ik ben ook een kind van mijn tijd en kan het stuk ook als ik het zelfstandig lees niet anders zien. Het legt een van de wortels van de tragedie van het antisemitisme bloot: het maakt dat sommige Joden zich ertegen verzetten en zich daarbij zelf extreem gaan gedragen. Hetgeen dan weer het antisemitisme voedt.

Het stuk gaat bovendien over nog heel veel meer. Een heel duidelijke laag is 'al ziet men de lui, men kent ze niet'. De minnaars van Portia moeten kiezen tussen een loden, zilveren of gouden kistje om haar hand te winnen – en de juiste keuze is natuurlijk het loden kistje. Portia zelf doet zich later voor als jonge man, zoals ook Jessica, de dochter van Shylock, dat eerder heeft gedaan om uit haar vaders huis te ontsnappen.

Op het internet gaan ook antisemitische interpretaties van Shylock rond. Een van de eerste vindplaatsen op Google gaat zelfs naar zo'n interpretatie. Over de film met Pacino: "This fractured fairy tale of a movie repeats the standard, childish Judaic conceit, that if a Judaic behaves in an evil fashion it is only a reaction to persecution. (...) When Rabbi Shimon ben Yohai taught that, "Even the best of the gentiles should all be killed," his warrant for genocide was explained away as "rage over Roman persecution."

Het is wonderlijk, zoveel haat. Natuurlijk is het stuk (of de film) op geen enkele manier te reconstrueren als het goed praten van slecht gedrag. Het is volgens mij voor iedere lezer en iedere kijker volkomen duidelijk dat Shylock er in zijn eigen belang beter aan had gedaan niet zo wraakzuchtig te zijn – maar hij kon niet anders.

Het citaat van Ben Yohai doet natuurlijk denken aan de manier waarop sommigen uit de Koran citeren. Ik heb me tijdens het lezen af en toe een versie voorgesteld waarin Shylock een moslim was. Dat zou misschien de strekking van het stuk nog duidelijker maken, want moslims zijn in onze huidige tijd toch nog net iets zichtbaarder dan Joden (bovendien zijn de bezwaren tegen joden in de Merchant als ik het goed zie, vooral van religieuze aard: als Shylock zich maar bekeert, is alles weer goed.) Dat mag zo zijn. Maar eigenlijk is de Merchant of Venice in de oorspronkelijke versie al bijtend en moeilijk en pijnlijk genoeg.

19.2.11

Esther Jansma. Eerst. Amsterdam: De Arbeiderspers, 2010.

Esther Jansma. Eerst De Nederlandse poëzie is het enige genre dat ik 'bijhoud': ik lees meer verschenen werk dan klassiekers, ik lees bijna geen buitenlandse dichters, ook niet in vertaling. Ik heb voor mezelf een mooie reden bedacht waarom dat zo is: poëzie zit zo dicht op de huid van de tijd, dat je eigenlijk alleen dichters goed kunt lezen die een taal spreken die zo veel mogelijk ook de jouwe is.

Aan de andere kant is 'volgen' een beetje overdreven. In de bijna tien jaar dat ik dit leesdagboekje volg heb ik nog nooit een bundel van Esther Jansma besproken. Ik denk dat ik er wel één gelezen heb, maar dat was dan kennelijk al daarvoor. Dat is jammer, want ze schrijft heel knappe poëzie, met regels om te onthouden. In het bijzonder de volgende ga ik nooit meer vergeten:

vleesnatte messen en jusvette vorken

Het is een regel die in je hoofd kan opkomen als je inderdaad een keer aan een rijk diner zit (ik eigenlijk niet vaak iets met jus meer, maar het komt toch wel eens voor).

Soms voldoet het allemaal wel erg nadrukkelijk aan de conventies van de moderne Nederlandse dichtkunst: fraaie, niet rijmende, niet metrische, maar wel nadrukkelijk ritmische versregels met een wat verknipte syntaxis, zoals in 'tienminutengesprek':

(...)
)verstijfde tegenover de krachten op hun verzoek
aan knielage tafels neergekrompen in stoeltjes geklemde
zorgers voor hun zoon het volgende bereikt.
(...)

Het is in dit geval misschien ook wel een spel, of zelfs een beetje ironisch, om zo verheven te schrijven over zoiets alledaags als het bezoekje dat de ouders brengen aan de docent op de basisschool. Onmiddellijk hierna blijkt ook dat de taal van de moderne onderwijsmanager op de hak genomen wordt:

(...)
)Een. Wij gaan ons best doen omdat wij goed zijn.
Twee. Over een maand weten wij of zijn leven
gaat lukken. Wij melden dat desgewenst schriftelijk.
Drie. Dit is een productafspraak

Ook dat zijn regels om te onthouden en af en toe te citeren. Dit is een productafspraak.

18.2.11

Howard Jacobson. The Finkler Question. London [etc.]: Bloomsbury, 2010.

Howard Jacobson. The Finkler Question "Er is in deze wereld geen ontsnappen aan de Joden", zegt een van de personages in The Finkler Question op een bepaald moment. Het lijkt wel of de mensheid zichzelf steeds weer dwingt om een standpunt te hebben over één bepaalde groep, tussen filo- en antisemitisme. In de huidige tijd zijn er angstige tekenen die er op wijzen dat het wel weer eens de verkeerde kant op zou kunnen gaan. En precies dat doet de mensen dan ook weer voelen dat ze eigenlijk zouden moeten kiezen.

Ik weet niet meer precies wie die zin ook weer zegt in The Finkler Question. Hoe verschillend de personages ook zijn - iemand die de intellectuele leider wordt van een groep die lijkt op Een Ander Joods Geluid, een totaal onopvallende goj die ineens denkt dat hij ook een jood is, een heel oude Tsjechische ex-vluchteling die het allemaal al eens gezien hebt - toch lijken ze ook allemaal op elkaar. Ze zijn vooral pionnen in een subtiel intellectueel gedachte-experiment, in een heel grappig boek dat tegelijkertijd een van de raakste en schokkendste essays is over het antisemitisme dat ik ooit heb gelezen.

Waarom zijn mensen antisemiet? Waarom zijn ze dat in het vroeg-eenentwintigste-eeuwse Londen? Omdat ze boos zijn over dingen die Israël doet? Maar wat is dat voor een absurde eis om te stellen aan een volk dat het een perfect land voortbrengt? Of is die eis wel zo absurd? En is het niet tegelijkertijd merkwaardig dat allerlei mensen zich aangetrokken voelen tot de (al dan niet veronderstelde) warmte en onderlinge verbondenheid en respect voor de tradities van de Joodse gemeenschap? En dat die mensen dan worden buitengesloten door die gemeenschap, omdat die nu eenmaal weinig reden heeft om buitenstaanders te vertrouwen? En dat dezen daardoor dan weer wrok gaan koesteren?

Ik kan niet zeggen dat dit vragen zijn waar ik elke dag mee worstel, maar The Finkler Question is het soort boek dat de lezer minstens een aantal dagen de wereld op die manier blijft zien: er is in deze wereld geen ontsnappen aan de Joden.

12.2.11

Rens Bod. De vergeten wetenschappen. Een geschiedenis van de humaniora. Amsterdam: Bert Bakker, 2010.

Rens Bod. De vergeten humaniora Dit boek claimt dat het 't eerste complete overzicht van de geesteswetenschappen geeft. Dat geloof ik graag, maar dat is een verbazingwekkend feit, dat op zichzelf een verklaring biedt. Rens Bod laat zien dat het verhaal van de humaniora meeslepend is en vol verrassende details. Hoe kan het dat nooit eerder op dat idee gekomen is? Die verklaring wordt niet gegeven.

Bod kiest met dit boek ook duidelijk partij. Hij laat zien dat er twee draden in de geschiedenis van de taalwetenschappen kunnen worden aangewezen. Er waren altijd mensen die patronen probeerden te ontdekken. En er waren er altijd die ontkenden dat zulke patronen bestonden, of in ieder geval dat ze ertoe deden. Alleen al door daar op te wijzen, deelt Bod zich natuurlijk in bij de eerste groep. (Hoewel zijn toon altijd prettig neutraal is, meen ik toch ook te merken dat hij iets minder geduld heeft met de tweede groep.)

Ik heb veel geleerd van Bod. Dat het niet onwarschijnlijk is dat het grote succes van de natuurwetenschappen in de zeventiende eeuw - de cirkel van data naar theorie en terug - waarschijnlijk ontleend was aan de filologie en de muziektheorie, om maat een van de vele voorbeelden te noemen. Of dat Panini al in de negentiende eeuw gelezen werd, al werd hij niet begrepen (hij is pas begrepen nadat Chomsky zijn theorie opnieuw had uitgevonden.)

De geesteswetenschappen zijn ook mijn vak, ik geef zelfs al sinds vele hiaten in Leiden het vak Geschiedenis van de taalwetenschap. Dus is het niet vreemd dat ik bepaalde draden mis. Wat mij bijvoorbeeld al heel lang boeit is de vraag: waar bevinden al die objecten van de geesteswetenschappen zich precies? Waar in de werkelijkheid zijn de taal, de logica, de muziek, de kunst, enzovoort? Bod gaat er vanuit dat dit duidelijk is - ik vermoed dat hij meent dat zij zich in de 'geest' bevinden, misschien zelfs in de hersenen, maar dat is op zijn minst niet het enig mogelijke antwoord. Je kunt ze bijvoorbeeld ook zien als eigenschappen (of het eigendom) van groepen mensen; het is geen wonder dat de raakvlakken met de sociale wetenschappen er relatief bekaaid afkomen en dat in mijn ogen een van de grootste taalkundigen van deze tijd, de sociolinguïst William Labov, helemaal niet genoemd wordt. Zo zijn er meer antwoorden op de vraag waar deze zaken zich bevinden (bijvoorbeeld: in de fysische werkelijkheid) die niet genoe,d worden.

Maar dit is allemaal gezeur van iemand die jaloers is, jaloers op zo'n achteloos vertoon van verpletterende eruditie, inzicht en dat gecombineerd met zo'n duidelijke stijl. De vergeten wetenschappen is een prachtige geschiedenis van de humaniora. Dat er nog vele mogen volgen.