Doorgaan naar hoofdcontent

Berichten

Berichten uit februari, 2011 weergeven

Vrouwkje Tuinman. Wat ik met de sleutel moet. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, 2010.

Ik begrijp eerlijk niet waarom de poëzie niet veel populairder is dan ze is; waarom er geen grote stapels van sommige bundels bij de kassa's van de Ako liggen, en soms zelfs van Albert Heijn; waarom dichters zelden de televisie halen en nooit de roddelrubrieken; waarom er niet veel en veel meer (en bijvoorbeeld ook veel meer belabberde) poëzie wordt uitgegeven. Ik kan dat allemaal niet verklaren. Natuurlijk is er een heleboel dichtkunst die duister is en niet voor iedereen bedoeld - ik kan wel begrijpen dat de bundel Eerst van Esther Jansma, die ik vorige week las, misschien wat te subtiel is voor Paul de Leeuw. Maar er zijn ook moeilijke romans en dat staat toch de stapels romans bij Bruna niet in de weg.Neem nu Vrouwkje Tuinman. Ik had nog nooit een bundel van haar gelezen, wel wat losse gedichten, en nu vond ik in de trein Wat ik met de sleutel moet, met her en der een ezelsoor bij een gedicht dat de vorige lezer kennelijk getroffen had. Het is een bundel die iedereen kan leze…

William Shakespeare. The Merchant of Venice. Gutenberg, 2000 (1596/7).

Nadat ik eerder deze week de recente Engelse roman The Finkler Question las, die onder andere over het antisemitisme gaat, besloot ik gisteren dan ook The Merchant of Venice te lezen. Ik heb hem ooit in de verfilming met Al Pacino gezien – als je nu 'merchant of venice' intikt bij Google Images, blijken de eerste tientallen plaatjes van die film genomen. De manier waarop ik het stuk lees, is misschien beïnvloed door die film. De interpretatie ervan – Shylock wordt pyschologische, en tegen zijn eigen belang in, gedwongen tot zijn op het eerste gezicht extreem wettische gedrag door alle vernederingen die hem misschien al zijn leven lang zijn aangedaan – past ook bij een moderne visie op Shakespeare als een verfijnde duider van de menselijke ziel. Zelfs een veel ergere schurk als Richard III kan nog begrepen worden als iemand die door zijn outsiderschap gedwongen wordt tot zijn daden. Ik ben ook een kind van mijn tijd en kan het stuk ook als ik het zelfstandig lees niet anders z…

Esther Jansma. Eerst. Amsterdam: De Arbeiderspers, 2010.

De Nederlandse poëzie is het enige genre dat ik 'bijhoud': ik lees meer verschenen werk dan klassiekers, ik lees bijna geen buitenlandse dichters, ook niet in vertaling. Ik heb voor mezelf een mooie reden bedacht waarom dat zo is: poëzie zit zo dicht op de huid van de tijd, dat je eigenlijk alleen dichters goed kunt lezen die een taal spreken die zo veel mogelijk ook de jouwe is.Aan de andere kant is 'volgen' een beetje overdreven. In de bijna tien jaar dat ik dit leesdagboekje volg heb ik nog nooit een bundel van Esther Jansma besproken. Ik denk dat ik er wel één gelezen heb, maar dat was dan kennelijk al daarvoor. Dat is jammer, want ze schrijft heel knappe poëzie, met regels om te onthouden. In het bijzonder de volgende ga ik nooit meer vergeten:vleesnatte messen en jusvette vorkenHet is een regel die in je hoofd kan opkomen als je inderdaad een keer aan een rijk diner zit (ik eigenlijk niet vaak iets met jus meer, maar het komt toch wel eens voor). Soms voldoet he…

Howard Jacobson. The Finkler Question. London [etc.]: Bloomsbury, 2010.

"Er is in deze wereld geen ontsnappen aan de Joden", zegt een van de personages in The Finkler Question op een bepaald moment. Het lijkt wel of de mensheid zichzelf steeds weer dwingt om een standpunt te hebben over één bepaalde groep, tussen filo- en antisemitisme. In de huidige tijd zijn er angstige tekenen die er op wijzen dat het wel weer eens de verkeerde kant op zou kunnen gaan. En precies dat doet de mensen dan ook weer voelen dat ze eigenlijk zouden moeten kiezen. Ik weet niet meer precies wie die zin ook weer zegt in The Finkler Question. Hoe verschillend de personages ook zijn - iemand die de intellectuele leider wordt van een groep die lijkt op Een Ander Joods Geluid, een totaal onopvallende goj die ineens denkt dat hij ook een jood is, een heel oude Tsjechische ex-vluchteling die het allemaal al eens gezien hebt - toch lijken ze ook allemaal op elkaar. Ze zijn vooral pionnen in een subtiel intellectueel gedachte-experiment, in een heel grappig boek dat tegelijke…

Rens Bod. De vergeten wetenschappen. Een geschiedenis van de humaniora. Amsterdam: Bert Bakker, 2010.

Dit boek claimt dat het 't eerste complete overzicht van de geesteswetenschappen geeft. Dat geloof ik graag, maar dat is een verbazingwekkend feit, dat op zichzelf een verklaring biedt. Rens Bod laat zien dat het verhaal van de humaniora meeslepend is en vol verrassende details. Hoe kan het dat nooit eerder op dat idee gekomen is? Die verklaring wordt niet gegeven.Bod kiest met dit boek ook duidelijk partij. Hij laat zien dat er twee draden in de geschiedenis van de taalwetenschappen kunnen worden aangewezen. Er waren altijd mensen die patronen probeerden te ontdekken. En er waren er altijd die ontkenden dat zulke patronen bestonden, of in ieder geval dat ze ertoe deden. Alleen al door daar op te wijzen, deelt Bod zich natuurlijk in bij de eerste groep. (Hoewel zijn toon altijd prettig neutraal is, meen ik toch ook te merken dat hij iets minder geduld heeft met de tweede groep.) Ik heb veel geleerd van Bod. Dat het niet onwarschijnlijk is dat het grote succes van de natuurwetensc…