25.11.12

Christiaan Weijts. Euforie. Amsterdam: Arbeiderspers, 2012.

Je leest de laatste tijd weleens wat over de kwaliteit van literaire recensies in de kranten: dat het gebasseerd zou zijn op haastwerk, dat het daardoor vol ongemotiveerde oordelen zit, dat er weinig liefde uit spreekt voor het lezen, voor de literatuur.

Afgelopen zaterdag werd Euforie, de nieuwe recensie van Christiaan Weijts, besproken door Arjen Fortuin in NRC Handelsblad, in inderdaad een haastige, ongeïnspireerde recensie, die wat mij betreft de crux heeft gemist. (In de Volkskrant had ook al een dergelijk stuk gestaan. Maar van de Volkskrant verwacht je niet beter.)

Fortuin verwijt Weijts vooral "een gebrek aan gekte (...), zowel in het verhaal als in de stijl". Slechts op een paar momenten "zie je weer even de Christiaan Weijts van zijn debuut Art. 285b." Fortuin heeft nog net gezien dat er in het boek af en toe cursieve zinnen staan die "Vermeers geheime gedachten moeten weergeven, (...), amar die worden overwoekerd door de overdosis al te gewone woorden die eromheen staan. Bovendien lijken die cursieve mededelingen een uitbarsting aan het slot te beloven, maar die blijft uit."

Vooral met die laatste zin laat de recensent zich kennen. Hij heeft Weijts al in een hokje geplaatst – de auteur van gekkigheid en onredelijkheid. Aan dat beeld moet Weijts zich wel houden, anders weet de recensent niet meer wat hij met het boek aan moet. Volgens mij heeft Fortuin er weinig van begrepen.

Weijts' boek gaat juist voor een belangrijk gedeelte over onderstromen, en over het verschil tussen binnen- en buitenwereld. De Haagse Beek, een watertje dat in Den Haag voor een belangrijk traject ondergronds stroomt, wordt er meerdere malen in genoemd. Een centraal motief is een aanslag in de Haagse tramtunnel. De hoofdpersoon is een architect die getrouwd is met een weervrouw (het weer is de boze buitenwereld waar de architect beschutting tegen biedt).

Een van de belangrijkste onderstromen daarbij is die van de jeugd. De architect, die Johannes Vermeer heet (zijn voorvader was dus een schilder van interieurs, let u even op, meneer Fortuin), wordt geconfronteerd met een oude jeugdliefde, een meisje van de middelbare school van wie hij gaandeweg een aantal dingen ontdekt die ze voor hem verborgen gehouden heeft. Bovendien wordt doorlopend van iedere middelbareschoolvriend of -vriendin onthuld wat ze geworden zijn: bijna allemaal zijn ze van woest en opstandig tot een keurig en gezapen en redelijk persoon. Euforie lijkt mij de roman van een dertiger die realiseert dat hij ineens in het gewone leven zit.

Je kunt daar niet van houden. Maar van zo'n boek een uitbarsting op het eind verwachten, laat zien dat je het niet begrepen hebt.

Het ironische is dat in Euforie zelf een beoordelingsproces beschreven wordt dat niet door een 'deskundige' (zoals Arjen Fortuin) gebeurt, maar door het volk: dat moet in een referendum de architect voor een gebouw in de Haagse binnenstad aanwijzen. Dat levert een soort satire op de oppervlakkigheid op waarmee het volk in zo'n geval kiest: emoties over de persoon van de architect en hoe die het op tv doet kunnen daarbij een belangrijke rol gaan spelen. Wanneer je de recensies in de NRC en de Volkskrant leest, vraag je je af of de 'beroepsbeoordelaars' van nu het zoveel beter doen.

Ik vond Euforie een heel prettige roman, helemaal niet zwaar, maar een ontroerend spel met Leiden en Den Haag, met de melancholie die nu eenmaal toeslaat en met de gekte die noodgedwongen een onderstroom wordt, maar waaraan je toch als je goed leest (ik ga niet alles verraden, maar ik heb het idee dat de beroepslezers het een en ander gemist hebben) ten onder kunt gaan.


19.11.12

Stieg Larson. The Girl Who Kicked the Hornet's Nest. Audible.

Deel 1 van de Millennium-trilogie heb ik gehoord als hoorspel en deel 2 in een verkorte versie. Deel 3 heb ik woord voor woord gehoord, in een onverkorte versie. 24 uur duurde het. Goed dat ik vorige week een vliegreis maakte naar Baltimore – dat heeft me flink vooruit geholpen.

Ik lees eigenlijk nooit thrillers. Je hebt er zo'n raar wereldbeeld voor nodig, dat blijkt nu maar weer: een waarin er totaal onvoorspelbare, gevoelloze monsters voorkomen. Mensen die kwaad doen om het kwaad, die zich nooit schuldig voelen, die niet eens de moeite doen om zich te rechtvaardigen. Dat je zulke mensen eigenlijk nooit tegenkomt – de grootste schurk heeft de mooiste verhalen waarom het nodig is om te doen wat hij doet.

Volgens mij zijn er twee dingen die je moet begrijpen om Millennium te begrijpen. Dat Stieg Larson kennelijk die drie dikke delen schreef zonder zich erg druk te maken of hij een uitgever zou vinden. En dat er vervolgens miljoenen of tientallen miljoenen deze boeken gelezen hebben.

Het eerste laat zien dat Larson het waarschijnlijk vooral voor zijn eigen plezier schrijf. Ik kan Millennium niet anders lezen dan als een langgerekte wraakfantasie. Kijk maar hoe absurd goed het Lisbet Salander gaat aan het eind – miljarden op de bank, ze kan doen wat ze wel, al haar vijanden worden zwaar vernederd of afgeslacht. Er is bovendien in het boek geen vrouw te bekennen die niet edel en goed is. Mannen kunnen onverhoeds veranderen in vreselijke monsters, maar vrouwen kunnen en mogen alles, zijn sterk, dapper. En willen heel graag met de verslaggever van middelbare leeftijd naar bed.

Het tweede laat zien dat die fantasieën kennelijk iets raken in onze psychologie. Misschien heeft het iets te maken met wat Howard Jacobs schrijft in Zoo Time: dat mannelijke schrijvers alleen de kans hebben om geprezen te worden om hun inzicht in de vrouwelijke psychologie als ze die vrouwen voorstellen als engelen die tegelijkertijd én sterk én onschuldig én mooi én invoelend zijn. En wat de mannen betreft heeft het misschien te maken met die fantasieën over knappe vrouwen. En voor iedereen is die wraakfantasie gekoppeld aan een soort correcte politiek – wie zou er nu vóór zijn dat vrouwen worden mishandeld – wellicht ook heel aantrekkelijk.

 Ik heb me trouwens ook niet verveeld, behalve bij een paar passages over de Zweedse politiek en samenleving. Als er een deel IV zou zijn geweest zou ik het misschien ook hebben gelezen, maar nu het er niet is, treur ik daar niet om en is het met mijn thriller-lezen denk ik vermoedelijk voorlopig ook wel weer gedaan.

4.11.12

Martin Amis. Time's Arrow. Or the Nature of the Offence. Audible, 2008 (1991).

Een van mijn favoriete gedichten in de Nederlandse literatuur is 'Wij komen ter wereld' van Jan Hanlo:

Wij komen ter wereld, met rouw, uit de graven;met rouw die gepast is, omdat wij nog dood zijn.Ons lichaam ontstond uit de grond en uit planten,om eens te bereiken een veilige haven. 

Een veilige haven: de schoot ener moeder,waar 't woelig verleden, geleidlijk en langzaam,eindlijk tot rust komt; ik dwaal in mijn vader.In scheidende stromen voltrekt zich het leven.

En zo verder. Het ontroerende van dat gedicht is dat alles goed komt, de wereld is mooi wanneer hij achterstevoren wordt gedraaid ('Verkwikkend is meestal de arbeid, en sterkend. Toch nuttig, zoals het opvullen van mijnen: het plaatsen van kolen en stinkende olie waar ze behoren, diep in de aarde').

Martin Amis deed dezelfde truc na Jan Hanlo, in 1991, nogmaals. In Time's Arrow beleeft een ziel het leven van degene die hij bewoont achterstevoren. Diegene (Todd Friendly heet hij in het begin) leeft waarschijnlijk gewoon van het begin naar het einde, maar de ziel heeft dat niet in de gaten, en trouwens sowieso weinig toegang tot de gedachtewereld van Todd – en ziet dus iedereen de verkeerde kant oplopen, vuile borden voorzien van dampend voedsel dat vervolgens in de pan wordt afgekoeld, enzovoort.

Heeft het leven alleen zin als het van het verleden naar het heden wordt afgedraaid? In de natuur (de levenloze natuur) kan iedere film echt worden teruggedraaid. Het is weliswaar niet zo waarschijnlijk dat scherven zich aaneenvoegen tot een glas, maar het is natuurkundig niet uitgesloten. De levende natuur heeft de tijd een pijl gemaakt, maar wat betekent dat? Voor mij is dat zo'n leuk filosofisch speeltje, iets wat weinig betekenis heeft voor mijn 'echte' leven, maar waarover je aangenaam kunt nadenken. Misschien loopt de tijd wel helemaal niet volgens een pijl, misschien beleeft mijn ziel hem wel achterstevoren. Zo bezien las ik Time's Arrow met een soort genoegen: in het leven buiten het boek moest ik af en toe even wennen aan de 'werkelijke' orde van de tijd.

Bij Amis is het iets meer dan een speeltje, omdat Todd Friendly een arts in Auschwitz blijkt te zijn geweest. Zijn lange treurige leven als dokter krijgt daar ineens zin: waar hij altijd maar mensen ziek heeft gemaakt, was hij nu betrokken bij een operatie die een heel volk in het leven heeft geholpen, gebouwd uit as en gas en troep.

Maar kun je dat spelletje wel spelen met dat thema? Worden de verschrikkingen echt van een nieuwe laag voorzien door ze achterstevoren draaien? Het lezen van Time's Arrow gaat bijna net zoveel over die vragen als over die tijdpijl.

En ik kom er niet uit. Het is misschien toch nog steeds onmogelijk om iets over Auschwitz te schrijven, alle woorden houden op. Als je de tijd zou omdraaien zouden ze daar beginnen; maar je kunt de tijd niet omdraaien, dus houden ze er op.